← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:888

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/435629 FA RK 25-2602 datum uitspraak: 10 februari 2026 beschikking betreffende levensonderhoud in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. L.M. Bongers, en [de man] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen de man, advocaat mr. E.C.A.E. Verschuren.

  1. Het procesverloop 1.
  2. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 16 mei 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 14 juli 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen; - het F9-formulier van mr. Bongers van 2 januari 2026 met bijlagen; - de brief van mr. Verschuren van 2 januari 2026 met bijlagen; - het F9-formulier van mr. Verschuren van 5 januari 2026; - het F9-formulier van mr. Bongers van 5 januari 2026 met bijlage; - het F9-formulier van mr. Bongers van 8 januari 2026 met bijlage; - de brief van mr. Verschuren van 9 januari 2026 met bijlagen (A en B); - de brief van mr. Bongers van 12 januari 2026 met bijlagen; - de beschikking van de rechtbank van 10 september
  3. 1.
  4. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 13 januari
  5. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. 2De feiten 2.
  6. Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast: - partijen hebben een relatie met elkaar gehad; - uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
  7. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2015,
  8. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2015; - deze kinderen zijn door de man erkend; - partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen. 2.
  9. Ingevolge voormelde beschikking van 10 september 2021 dient de man met ingang van 1 januari 2021 € 142,= per maand per kind te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Deze bijdrage bedraagt nu -inclusief de wettelijke indexering- € 177,= per maand per kind. 3De verzoeken 3.
  10. De vrouw verzoekt, samengevat, de door de man te betalen bijdrage met ingang van 1 mei 2025 nader vast te stellen op een bedrag van € 340,= per maand per kind, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag. 3.
  11. De man voert verweer. Hij verzoekt primair om het verzoek van de vrouw af te wijzen en subsidiair om het verzoek van de vrouw aan te houden. Meer subsidiair verzoekt hij een in goede justitie te bepalen bijdrage vast te stellen. 3.
  12. Zoals ter zitting reeds besproken met partijen, ziet de rechtbank in de door de man aangehaalde omstandigheden geen aanleiding om de onderhavige procedure aan te houden dan wel om het verzoek van de vrouw af te wijzen. De rechtbank gaat derhalve voorbij aan het primaire en subsidiaire verweer van de man. 3.
  13. Ter zitting is met partijen de mogelijkheid besproken dat de rechtbank tot de slotsom komt dat de man een onderhoudsbijdrage dient te betalen die lager is dan het verzochte bedrag van € 340,= per maand per kind. Beide partijen hebben aangegeven dat het hun bedoeling is dat de rechtbank ook in dat geval een beslissing geeft over de hoogte van de (gewijzigde) kinderalimentatie. Door de vrouw is in dit verband verklaard dat het door haar benoemde bedrag in het petitum van haar verzoekschrift niet heeft te gelden als ondergrens, en dat zij ervan uitgaat dat de rechtbank een lagere bijdrage dan € 340,= per maand per kind oplegt als tot het oordeel wordt gekomen dat de man een lagere bijdrage dient te betalen. 4De beoordeling Grondslag verzoek wijziging alimentatie 4.
  14. De vrouw voert als grond voor haar verzoek aan dat sinds voormelde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Zij gaat ervan uit dat de man vanwege zijn werk inmiddels een hoger inkomen geniet. Daarnaast heeft de vrouw in de loop van deze procedure een baan gekregen, waardoor zij niet langer is aangewezen op een Participatiewet-uitkering. 4.
  15. In het geval de rechtbank het verzoek van de vrouw niet afwijst of de beslissing op het verzoek niet aanhoudt, betwist de man dat hij gehouden is om de door de vrouw verzochte onderhoudsbijdrage te voldoen. 4.
  16. Uit de overgelegde stukken volgt dat zich sinds het wijzen van de beschikking van 10 september 2021 verschillende wijzigingen in de zin van art. 1:401 lid 1 BW hebben voorgedaan, waaronder het feit dat het inkomen van de man is gestegen en het gegeven dat de vrouw per 15 november 2025 niet langer een Participatiewet-uitkering heeft, maar een inkomen uit dienstverband. Dit maakt dat de rechtbank grond ziet om te onderzoeken of op grond van gewijzigde omstandigheden de eerder vastgestelde bijdrage heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal in dat kader onderzoek doen naar de behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage en de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtige ouders. Ingangsdatum 4.
  17. De vrouw verzoekt de onderhoudsbijdrage te wijzigen met ingang van 1 mei
  18. In april 2025 heeft zij de man al aangeschreven met het verzoek om inkomensgegevens over te leggen, zodat een herberekening kon worden gemaakt en kon worden bezien of in onderling overleg tot eventuele aanpassing van de kinderalimentatie gekomen kon worden. De man wilde hier echter niet aan meewerken. 4.
  19. De man verzet zich tegen wijziging van de bijdrage met terugwerkende kracht en stelt zich op het standpunt dat aangesloten moet worden bij de datum van afgifte van de beschikking. Uitgangspunt is immers dat terughoudend dient te worden omgegaan met vaststelling van een alimentatieverplichting in het verleden als sprake is van een wijzigingsverzoek. Als de rechtbank toch met terugwerkende kracht de alimentatie wijzigt, dan vindt de man het belangrijk om te benoemen dat hij de afgelopen jaren naast de kinderalimentatie ook andere kosten voor de kinderen heeft betaald. 4.
  20. Uitgangspunt is dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum voor een (gewijzigde) onderhoudsbijdrage. Drie data liggen hierbij voor de hand, te weten de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, de datum van indiening van het verzoekschrift of de datum van de beschikking. Vast staat dat zich op verschillende momenten wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan. In aanmerking nemend dat volgens vaste jurisprudentie de rechter terughoudendheid moet betrachten bij het wijzigen van een onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht, ziet de rechtbank hierin aanleiding om een eventuele wijziging van de onderhoudsbijdrage in te laten gaan per de datum van deze beschikking. Behoefte 4.
  21. Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen. 4.
  22. Tussen partijen staat vast dat de behoefte van de minderjarigen € 878,72 per maand bedraagt in 2021, zoals vastgelegd in de beschikking van 10 september
  23. Rekening houdend met de wettelijke indexering is de behoefte per 1 januari 2026 € 1.095,34 per maand, zijnde € 547,67 per maand per kind. Draagkracht van partijen 4.
  24. Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.430,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.430,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing. De vrouw 4.
  25. Door de vrouw is een berekening gemaakt van haar draagkracht vanaf 1 januari 2026, overgelegd bij brief van 12 januari
  26. Deze berekening is tijdens de zitting met partijen besproken. Uit de berekening volgt dat de vrouw een NBI heeft van € 3.263,= per maand en een draagkracht van € 643,= per maand. De man heeft verklaard dat hij kan instemmen met deze berekening en de uitkomst daarvan. De rechtbank stelt de draagkracht van de vrouw daarom vast op € 643,= per maand. De man 4.
  27. Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van het volgende. Partijen zijn het erover eens dat de man een basisloon heeft van € 4.742,= bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, en een arbeidsmarkttoelage van € 369,88 bruto per maand. Daarnaast zijn zij het erover eens dat de man een eindejaarsuitkering ontvangt. 4.
  28. Tussen partijen is in discussie of er vakantietoeslag wordt berekend over de arbeidsmarkttoelage. De vrouw stelt dat dit het geval is, maar volgens de man is dat niet zo. Aan de hand van de door de man overgelegde loonstroken heeft de rechtbank becijferd of de stelling van de vrouw juist is en zij komt tot de conclusie dat er, zoals gesteld, over deze toelage 8% vakantietoeslag wordt toegekend. De rechtbank houdt hier dus ook rekening mee. 4.
  29. Partijen verschillen verder van mening over de manier waarop de eindejaarsuitkering moet worden becijferd. De man gaat uit van het cumulatieve bedrag dat uit de loonstrook van december 2025 blijkt, te weten € 4.109,= (na aftrek van de vermindering EJU in verband met uitruil reiskosten ad € 340,17). De vrouw stelt dat de eindejaarsuitkering 8,33% bedraagt van het basisloon en € 4.740,= bruto per jaar is. 4.
  30. De rechtbank overweegt als volgt. Een eindejaarsuitkering die een werkgever uitkeert kan een vast bedrag zijn of een percentage van het bruto basisloon. Uit de loonstrook van december 2025 leidt de rechtbank af dat deze uitkering 8,33% van het bruto basissalaris bedraagt. De maandelijkse opbouw van de uitkering is dan € 395,= bruto. Dat komt neer op een eindejaarsuitkering van in totaal € 4.740,= bruto. Dit sluit aan bij de berekening die door de vrouw is gemaakt. De rechtbank volgt derhalve op dit punt ook het standpunt van de vrouw. 4.
  31. Tussen partijen is niet in geschil dat de man een pensioenpremie (NP) van € 312,98 per maand en een premie AOP van € 9,13 per maand voldoet. 4.
  32. De man stelt dat rekening moet worden gehouden met de aflossing op een studieschuld bij DUO, door middel van het verhogen van zijn draagkrachtloos inkomen met het maandelijkse aflossingsbedrag van € 45,
  33. Tijdens de relatie met de vrouw is hij gestart met een opleiding. Om die opleiding te kunnen financieren, is hij een lening aangegaan. Na het afronden van de opleiding is hij gestart met het afbetalen van de lening. Partijen waren op dat moment nog bij elkaar. De man stelt over onvoldoende middelen te beschikken om de schuld ineens af te betalen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de schuld buiten beschouwing moet worden gelaten. 4.
  34. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet bij het bepalen van de draagkracht rekening worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige, ook met schulden die na het tijdstip van de onderhoudsplicht zijn ontstaan en ook met schulden waarop niet wordt afgelost. Dit kan anders zijn, als een schuld verwijtbaar of vermijdbaar is. Een schuld is vermijdbaar als de onderhoudsplichtige zich geheel of gedeeltelijk van de schuld kan bevrijden. Een schuld is verwijtbaar als de onderhoudsplichtige de schuld niet had mogen aangaan gelet op zijn onderhoudsverplichting. Bij de beantwoording van de vraag of de schuld vermijdbaar is, neemt de rechtbank in aanmerking dat de omvang van de schuld op dit moment € 1.222,31 bedraagt. De man heeft de rechtbank niet geïnformeerd over zijn vermogen, maar niet uitgesloten kan worden dat de man zich van de schuld kan bevrijden door deze met spaargeld af te lossen. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de maandelijkse aflossing van € 45,41 van dermate beperkte omvang is, dat de man geacht kan worden die uit zijn vrije draagkracht ruimte te betalen, zeker gelet op de hoogte van zijn inkomen. Gelet op het voorgaande, en mede in aanmerking nemend de hoge prioriteit die aan de onderhoudsverplichting ten opzichte van kinderen wordt toegekend, houdt de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening met de schuld bij DUO. 4.
  35. Tijdens de mondelinge behandeling is de draagkracht van de man (onder meer) besproken aan de hand van een door de vrouw op 12 januari 2026 overgelegde berekening, waarin de tarieven van 2026-1 zijn toegepast. Deze berekening is in overeenstemming met alle uitgangspunten die de rechtbank hanteert voor de bepaling van de draagkracht van de man, zoals hiervoor onder 4.
  36. tot en met 4.
  37. weergegeven. De rechtbank heeft daarom geen eigen berekening gemaakt, maar neemt bij haar beoordeling de berekening van de vrouw tot uitgangspunt. Hieruit blijkt dat de man een NBI heeft van € 4.221,= per maand en een draagkracht van € 1.113,= per maand. 4.
  38. De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel: het aandeel van de man (per kind) bedraagt: € 1113 / € 1756 x € 547,67 = € 347,= het aandeel van de vrouw (per kind) bedraagt: € 643 / € 1756 x € 547,67 = € 201,= Dit volgt ook uit de berekening van de vrouw. Zorgkorting 4.
  39. Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 35%. Nu de behoefte van de minderjarigen € 547,67 per maand per kind bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van (afgerond) € 192,= per maand per kind. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 155,= per maand per kind. Dit bedrag volgt ook uit voormelde berekening van de vrouw. Conclusie 4.
  40. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de huidige bijdrage niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven en moet worden aangepast. De rechtbank zal de door de man te betalen bijdrage met ingang van de datum van deze beschikking wijzigen in € 155,= per maand per kind. 5De beslissing De rechtbank 5.
  41. wijzigt voormelde beschikking van 10 september 2021 als volgt: 5.
  42. bepaalt dat de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:
  43. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2015,
  44. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2025; met ingang van de datum van deze beschikking nader wordt vastgesteld op € 155,= (honderdvijfenvijftig euro) per maand per kind, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen; 5.
  45. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
  46. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en in tegenwoordigheid van mr. Maas-Klink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 februari
  47. Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.