RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Tilburg Zaaknummer: 11942264 \ CV EXPL 25-5466 Vonnis van 11 februari 2026 in de zaak van STICHTING TBV, H.O.D.N. TBV WONEN, te Tilburg, eisende partij, hierna te noemen: TBV Wonen , gemachtigde: [gemachtigde] , tegen [gedaagde] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. De zaak in het kort Deze zaak gaat over de vraag of de huurovereenkomst tussen verhuurder TBV Wonen en [gedaagde] als huurder moet worden ontbonden en de huurwoning moet worden ontruimd als gevolg van een huurachterstand. Partijen hebben, na hierover overeenstemming te hebben bereikt tijdens de zitting, gevraagd om een vonnis met een voorwaardelijke ontbinding waarin de afspraken staan die partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben gemaakt. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 9 oktober 2025; - de conclusie van antwoord; - de brief waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de akte van TBV Wonen met een specificatie van de actuele huurachterstand; - de mondelinge behandeling van 27 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. TBV Wonen verhuurt met ingang van 16 oktober 2020 aan [gedaagde] de woning aan het [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 653,96 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. 2.2. [gedaagde] heeft (een deel van) de huur niet betaald. TBV Wonen heeft [gedaagde] aangemaand op 8 september 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. 2.3. TBV Wonen heeft [gedaagde] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [gedaagde] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. TBV Wonen heeft [gedaagde] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering. 3De beoordeling 3.1. Na bespreking van de zaak verklaren partijen het eens te zijn geworden over het volgende:
- a)De huurachterstand berekend tot en met de maand februari 2026 bedraagt € 4.577,72
- b)[gedaagde] dient de proceskosten te betalen, vastgesteld op € 146,14 voor de dagvaarding, € 385,00 voor griffierecht en € 408,00 voor gemachtigdensalaris (2 punten á € 204,00 voor de dagvaarding en voor de mondelinge behandeling), dit betekent dus in totaal € 939,14;
- c)Partijen spreken af dat de totale schuld wegens huurachterstand en proceskosten wordt vastgesteld op een bedrag van € 5.516,86 welk bedrag [gedaagde] op uiterlijk 30 januari 2026 zal aflossen door overboeking op [rekeningnummer] ten name van [naam 1], onder vermelding van [dossiernummer];
- d)[gedaagde] dient te blijven voldoen aan de lopende huurverplichtingen aan TBV Wonen , te betalen steeds uiterlijk op de eerste dag van de maand, aan deze afspraak is een termijn gekoppeld voor in ieder geval zes maanden na datum vonnis;
- e)[gedaagde] ruimt zijn tuin en woning op voor 13 februari 2026 en houdt zijn tuin en woning hierna opgeruimd (door onder andere zijn tuin hondenpoep vrij te houden en vrij van spullen die niet gebruikelijk zijn om te hebben in een tuin);
- f)[gedaagde] spreekt met mevrouw [naam 2] af om op 13 februari 2026 de woning (en tuin) te laten controleren; 3.2. TBV Wonen verzoekt de gevorderde ontbinding en ontruiming voorwaardelijk uit te spreken. [gedaagde] verzet zich niet tegen toewijzing van de gewijzigde vordering tot voorwaardelijke ontbinding en ontruiming. 3.3. Gehoord de standpunten van partijen, overweegt de kantonrechter dat de onvoldoende betwiste vorderingen, zoals tijdens de mondelinge behandeling gewijzigd, toewijsbaar zijn, met inachtneming van het volgende. 3.4. Voor zover de overeenkomst wordt ontbonden doordat één van de voorwaarden intreedt, zal de ontruimingstermijn worden bepaald op veertien dagen. Hierbij wordt overwogen, dat [gedaagde] , indien hij door de betekening van het vonnis kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan, de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn tot ontruiming van het gehuurde over te gaan, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn wordt gezien. Ambtshalve toetsing van de voorwaarden 3.5. De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst. 3.6. Tijdens de gehouden mondelinge behandeling is besproken dat [gedaagde] ook een minderjarige dochter heeft. Echter, zij staat niet ingeschreven op het vorenstaande adres. Zij is ergens anders woonachtig. Zij wordt door het onderhavige vonnis derhalve niet rechtstreeks getroffen in haar belang. 3.7. [gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten zoals hiervoor onder 3.1.
- b)vastgesteld. 4De beslissing De kantonrechter 4.1. veroordeelt [gedaagde] om aan TBV Wonen te betalen een bedrag van € 5.516,86 aan achterstallige huurpenningen tot en met de huur over de maand februari 2025 en proceskosten; 4.2. ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning te [plaats] aan de [adres] en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van TBV Wonen zijn, en de sleutels af te geven aan TBV Wonen , indien en zodra [gedaagde] zich niet houdt aan tenminste één van de volgende afspraken: [gedaagde] betaalt de gehele huurachterstand en proceskosten op uiterlijk 30 januari 2026 als bedoeld onder 3.1. c); [gedaagde] blijft voldoen aan de lopende huurverplichtingen aan TBV Wonen , te betalen steeds uiterlijk op de eerste dag van de maand, aan deze afspraak is een termijn gekoppeld voor in ieder geval zes maanden na datum vonnis; [gedaagde] ruimt zijn tuin en woning op voor 13 februari 2026 en houdt zijn tuin en woning voortaan opgeruimd (door onder andere zijn tuin hondenpoepvrij te houden en vrij van spullen die niet gebruikelijk zijn in een tuin); [gedaagde] spreekt met mevrouw [naam 2] af om op 13 februari 2026 de woning (en tuin) te laten controleren; - een bedrag van € 653,96 aan schade/gebruikersvergoeding voor iedere maand of gedeelte daarvan dat de gedaagde partij het gehuurde na de ontbinding van de huurovereenkomst feitelijk in gebruik houdt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de eerste dag van de desbetreffende huurperiode tot de dag der algehele voldoening, indien gedaagde het bedrag niet- of niet tijdig voldoet; 4.3. verklaart het vorenstaande uitvoerbaar bij voorraad; 4.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Van Sprundel-Jansen en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.