← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2026:939

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummers: BRE 25/5039 en 25/5040 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die belanghebbende heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 20 juni
  2. In die uitspraak is de inspecteur opgedragen het beroepschrift van 19 maart 2025 in behandeling te nemen als bezwaarschriften tegen de beslissingen van 26 maart 2025 en de dwangsombeschikking van 2 april
  3. Belanghebbende heeft nu beroepen ingesteld wegens het uitblijven van beslissingen op bezwaar.
  4. Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank
  5. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Zijn de beroepen ontvankelijk en gegrond?
  6. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 20 juni 2025 geen termijn genoemd waarbinnen de inspecteur is opgedragen de bezwaarschriften in behandeling te nemen en uitspraken op bezwaar te doen. Dit betekent dat moet worden aangesloten bij de wettelijke beslistermijn voor bezwaren van zes weken. De rechtbank ziet in de gedane uitspraak geen aanleiding om af te wijken van de wettelijke beslistermijn. De termijn begint na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep kan worden ingesteld. Dat betekent dat de inspecteur tot uiterlijk 12 september 2025 de tijd had de uitspraken op bezwaar te doen.
  7. Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen. In dit geval heeft belanghebbende de inspecteur op 11 augustus 2025 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken en is de ingebrekestelling prematuur.
  8. De beroepen zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de beroepen tegen het niet tijdig beslissen niet kan beoordelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Voorgaande neemt niet weg dat de inspecteur gehouden is om een beslissing op de bezwaren te nemen. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 13 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:
  9. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Dit staat in artikel 7:10, eerste lid van de Awb. Zie ook uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:
  10. Dit staat in artikel 8:55, derde lid van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.