RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/5311 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , eiser, en de minister van Defensie, verweerder. Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op het verzoek om rectificatie van de bps-mutatie van 24 februari 2020 met [nummer] .
- Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank
- Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een verzoek, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
- Verweerder heeft desgevraagd en na rappel geen stukken of een schriftelijke reactie ingediend in dit dossier. Uit de stelling van eiser en de tukken die door hem zijn ingediend, blijkt dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiser heeft zijn verzoek op 25 juni 2025 ingediend. De beslistermijn is op grond van artikel 28, derde lid, van de Wet Politiegegevens vier weken. Eiser heeft verweerder daarna op 24 juli 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan. Het beroep is dus kennelijk gegrond.
- Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Uit de dossierstukken blijkt dat verweerder meent in het besluit van 4 augustus 2025 met [kenmerk] al een beslissing te hebben genomen op het rectificatieverzoek van eiser. Dit standpunt acht de rechtbank onjuist. In het besluit van 4 augustus 2025 wordt de mutatie van 24 februari 2020 met [nummer] immers niet genoemd.
- Op grond van artikel 8:55d van de Awb moet verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak alsnog een beslissing nemen. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. De rechtbank ziet in dit geval geen reden om een andere termijn te geven.
- De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
- Eiser heeft verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.
- Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit nu alsnog. De rechtbank constateert dat uit de stukken blijkt dat de ingebrekestelling op 24 juli 2025 door verweerder is ontvangen en dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder het maximale bedrag van € 1.442,- aan dwangsommen heeft verbeurd. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder twee weken de tijd krijgt om alsnog een besluit op bezwaar te nemen en aan verweerder de onder
- genoemde dwangsom wordt opgelegd. Daarnaast moet verweerder de al verbeurde dwangsom van € 1.422,- aan eiser betalen.
- Eiser heeft geen griffierecht betaald vanwege betalingsonmacht. Hij heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het verzoek bekend te maken; bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ; - stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 16 februari 2026 en wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit staat in artikel 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.