RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/5314 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.E. Bogaards), en Dienst Toeslagen, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 12 december 2024. In die uitspraak staat dat verweerder uiterlijk 6 mei 2025 moet beslissen op de bezwaarschriften van eiser. Eiser stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens hem niet heeft gedaan. 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond? 3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in haar uitspraak van 12 december 2024 al een termijn heeft gesteld waarbinnen verweerder een beslissing op de bezwaarschriften moest nemen. 4. Verweerder heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op de bezwaarschriften van eiser. Welke beslistermijn wordt aan verweerder opgelegd? 5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 5.1. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025. 5.2. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is. 5.3. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 15 juli 2024 is verstreken. De rechtbank stelt ook vast dat meer dan 60 weken zijn verstreken sinds het einde van de beslistermijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak alsnog een of meerdere besluit(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.