ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE Sector Bestuursrecht Meervoudige Kamer Reg.nr.: AWB 99/7003 WW UITSPRAAK in het geschil tussen: [eiseres] wonende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde: mr A.A.M. van der Zandt, regiojurist bij de ABVAKABO/FNV regio Oost te Apeldoorn, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam (uitvoeringsinstelling: Gak Nederland B.V., kantoor Apeldoorn), verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder d.d. 27 juli 1999. 2. Verloop van de procedure Bij beschikking van 1 februari 1999 is de arbeidsovereenkomst van eiseres per diezelfde datum ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan haar ten laste van haar werkgeefster. Eiseres heeft verweerder op 11 februari 1999 verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (verder te noemen: de WW) in verband met haar ingetreden werkloosheid. Bij besluit van 17 maart 1999 heeft verweerder gelet op de ontbinding van eiseresses arbeidsovereenkomst een fictieve opzegtermijn vastgesteld van 2 februari 1999 (de dag na die van de ontbindingsbeschikking) tot 1 april 1999. Eiseres heeft bij brief van 25 april 1999 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Eiseres is terzake van haar bezwaar niet gehoord, omdat zij - naar verweerder aangeeft - daarop geen prijs stelde. Bij het bestreden besluit van 27 juli 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen bij brieven van 30 augustus en 9 september 1999 beroep aangetekend bij deze rechtbank. Verweerder heeft op 25 oktober 1999 schriftelijk verweer gevoerd. Het beroep van eiser is ter zitting behandeld op 5 april 2000. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Voor verweerder is verschenen M.J. Gerritsen, beambte bezwaar en beroep van het Gak-kantoor in Apeldoorn. 3. Motivering 3.1 Het geschil betreft de duur van de "fictieve opzegtermijn" die voor de toepassing van de WW in acht genomen dient te worden wegens de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van eiseres. 3.2 De rechtbank stelt op basis van de gedingstukken vast dat eiseres op 15 maart 1995 als [functie] in dienst is getreden van de [werkgever]. Op 18 januari 1999 heeft de werkgeefster van eiseres aan de kantonrechter te Harderwijk verzocht om de arbeidsovereenkomst met eiseres te ontbinden. Bij beschikking van 1 februari 1999 heeft de kantonrechter te Harderwijk eiseresses arbeidsovereenkomst per 1 februari 1999 ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan eiseres ten laste van haar werkgeefster van fl. 30.000,-. 3.3 Voor de beoordeling van dit geding zijn met name van belang artikel 16 WW jo. artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 16 WW luidt voor zover van belang: 1. Werkloos is de werknemer die: a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren. 2. (....) 3. Met het recht op onverminderde loondoorbetaling van zijn loon, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd. (...) Onder de rechtens geldende termijn, bedoeld in de eerste zin, wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek ieder voor zich bij de opzegging in acht behoort te nemen. (...) Het in de eerste zin bedoelde bedrag wordt: a. (...) b. indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding, toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum van de beschikking tot ontbinding; c. (...) Indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding op verzoek van de werkgever, is artikel 672, lid 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing. (...) Artikel 7:672 van het BW luidt (voorzover van belang): 1. Opzegging geschiedt tegen het einde van de maand tenzij (...) 2. De door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging a. korter dan vijf jaar heeft geduurd: een maand; b. vijf jaar of langer maar korter dan tien jaar heeft geduurd: 2 maanden; c. tien jaar of langer maar korter dan vijftien jaar heeft geduurd: 3 maanden; d. vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden. 3. (...) 4. Indien de toestemming, bedoeld in artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 is verleend, wordt de termijn van opzegging, bedoeld in lid 2, verkort met een maand, met dien verstande dat de resterende termijn van opzegging ten minste een maand bedraagt. (...) Het derde lid van artikel 16 WW is gewijzigd bij de invoering van de Wet Flexibiliteit en zekerheid (wet van 14 mei 1998, Stb. 1998, 300, in werking getreden op 1 januari 1999, verder te noemen: de Flexwet). Bij de Flexwet is tevens met ingang van 1 januari 1999 artikel 672 van Boek 7 BW gewijzigd. Hierboven is weergegeven hoe dit artikel sedert 1 januari 1999 luidt. 3.4 Verweerder heeft, gelet op de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van eiseres, bij de toepassing van artikel 16, derde lid, WW een fictieve opzegtermijn vastgesteld van 2 februari 1999, zijnde de dag na die van de beschikking tot ontbinding, tot 1 april 1999. Verweerder heeft eerst op basis van artikel 7:672, tweede lid onder a, BW een fictieve opzegtermijn voor de werkgever van één maand vastgesteld. Gelet hierop is er volgens verweerder geen ruimte om toepassing te geven aan de verkorting van de opzegtermijn als bedoeld in de artikelen 16, derde lid WW jo. 7:672, vierde lid BW. Vervolgens heeft verweerder met toepassing van het eerste lid van artikel 7:672 BW bepaald dat de "fictieve opzegging" tegen het einde van de maand maart zou moeten plaatsvinden. Verweerder is van mening dat het eerste en het tweede lid van artikel 7:672 BW onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn ook bij toepassing van artikel 16, derde lid, WW. Verweerder baseert zijn mening met name op de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de Flexwet, waaruit volgens verweerder de bedoeling van de wetgever is af te leiden dat in geval van ontbinding op verzoek van de werkgever zoveel mogelijk aangesloten dient te worden bij de termijn(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.