ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE Sector Bestuursrecht Enkelvoudige Kamer Reg.nr.: WAZ 00/9017 UITSPRAAK in het geschil tussen: A, echtgenote van B, wonende te C, eiseres, en Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), gevestigd te Amsterdam, verweerder, uitvoeringsinstelling GUO, regiokantoor Heerenveen. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder d.d. 18 oktober 2000, nummer RBB/WAZ/1999-414/3.959.150140, waarbij het besluit van 26 november 1999, is gehandhaafd. 2. Ontstaan en loop van de procedure Bij besluit van 26 november 1999 heeft verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de WAZ per 1 januari 2000 beëindigd. Tegen dit besluit is op 24 december 1999 een bezwaarschrift ingediend. De gronden van het bezwaar zijn op 22 februari 2000 ingediend door de toenmalig gemachtigde van eiseres. Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Op 27 november 2000 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden. Het beroep is op 21 maart 2001ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen. 3. Motivering In geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van het antwoord op de vraag of verweerder terecht de WAZ-uitkering van eiseres ingaande 1 januari 2000 heeft ingetrokken. De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze laatste vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres, geboren in 1940, dreef samen met haar echtgenoot een melkveebedrijf. Zij had sedert 2 januari 1995 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar 80 tot 100 % arbeidsongeschiktheid in verband met rug- en liesklachten, veroorzaakt door een HNP en coxarthrosis beiderzijds. Eiseres werd op medische gronden volledig arbeidsongeschikt geacht voor arbeid in loondienst. In het eigen bedrijf verrichtte zij nog voor 3,5 uur per week administratieve werkzaamheden. Haar uitkering kwam tot 1 januari 1996 niet tot uitbetaling, gelet op het winstaandeel van eiseres uit het bedrijf. Daarna werd haar uitkering onverkort betaalbaar gesteld. In 1999 vond de vijfjaarlijkse herbeoordeling plaats. Eiseres had inmiddels in februari 1997 twee heupoperaties ondergaan, welke naar het oordeel van de verzekeringsarts op 11 oktober 1999 maakten dat eiseres weer benutbare mogelijkheden heeft. Een belastbaarheidspatroon werd voor eiseres opgesteld, waarbij rekening werd gehouden met beperkingen ten aanzien van voortgezette bewegingen en belasting van de heupen, de rug en de rechter knie. Vervolgens is door de arbeidsdeskundige op 26 oktober 1999 gerapporteerd dat voor eiseres een aantal functies is te duiden. Gelet op de mogelijke verdienste in de drie hoogstbetaalde functies, resteert voor eiseres een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25 %. Bij besluit d.d. 26 november 1999 is daarop de WAZ-uitkering van eiseres ingetrokken ingaande 1 januari 2000. In bezwaar is door de bezwaarverzekeringsarts M.A.F.M. Peerden op 13 maart 2000 rapport uitgebracht. Vervolgens is door de toenmalige gemachtigde van eiseres ingebracht: - een schrijven d.d. 8 maart 2000 van de behandelend orthopaedisch chirurg H. Mencke; - een schrijven d.d. 13 april 2000 van diezelfde specialist. Op 30 juni 2000 heeft de bezwaarverzekeringsarts een commentaar gegeven op laatstgenoemd schrijven. Vervolgens zijn bij brief d.d. 25 augustus 2000 nadere gronden van bezwaar ingezonden, waarbij als bijlage is overgelegd een verklaring van de huisarts van eiseres d.d. 18 juli 2000. Ook na deze verklaring heeft de bezwaarverzekeringsarts weer gerapporteerd, en wel op 3 oktober 2000. Vervolgens is het thans bestreden besluit genomen. 3.1. Wettelijk / juridisch kader. Geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) is ingevolge het bepaalde in artikel 2 van die wet, degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Ingevolge het zevende lid van artikel 2 van de WAZ kunnen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld. Het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong (AMvB van 24 december 1997, Stb. 1997, 801, verder te noemen: het Schattingsbesluit) geeft deze nadere regels. Artikel 3, lid 1 van het Schattingsbesluit bepaalt dat bij de berekening van hetgeen betrokkene met arbeid kan verdienen, wordt uitgegaan van de urenomvang van de door de in artikel 2 bedoelde gezonde persoon uitgeoefende arbeid. Ingevolge het tweede lid van artikel 3 onder a wordt bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 2 van de WAZ uitgegaan van die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen. Ingevolge het tweede lid van artikel 3 onder b blijft bij de toepassing van onderdeel a de functie die niet of nauwelijks arbeidsplaatsen vertegenwoordigt buiten beschouwing. Artikel 4, lid 1 van het Schattingsbesluit bepaalt dat de in artikel 3 onder a bedoelde arbeid nader dient te worden omschreven in de vorm van ten minste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies waarmee het hoogste inkomen per uur kan worden verworven. Deze functies dienen tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen te vertegenwoordigen. Bij Besluit uurloonschatting 1999 (Lisv-besluit van 11 februari 1999, Stcrt. 1999, 40) heeft verweerder nader aangegeven op welke wijze bij de berekening van de verdiencapaciteit rekening wordt gehouden met de urenomvang van de zogenaamde maatman. 3.2. Standpunt eiseres. In haar beroepschrift heeft eiseres, kort samengevat, gesteld dat ten onrechte geen aandacht is geschonken aan het feit dat haar door haar specialist en huisarts met klem is afgeraden om aan het arbeidsproces deel te nemen. Het belastbaarheidspatroon is vastgesteld zonder dat dat met haar is doorgesproken, de verzekeringsarts heeft totaal geen inzicht. Eiseres acht zich niet in staat om arbeid in loondienst te verrichten. Ter zitting heeft eiseres daaraan toegevoegd dat zowel de arbeidsdeskundige als haar huisarts en haar boekhouder de schatting te gek voor woorden vinden. Op haar leeftijd is het onmogelijk nog aan het werk te komen. 3.3. Standpunt verweerder. Blijkens het bestreden besluit is verweerder van oordeel dat voor eiseres wel degelijk de juiste arbeidsbeperkingen zijn vastgesteld. Verweerder baseert zich vooral op hetgeen door de bezwaarverzekeringsarts terzake is gerapporteerd. 3.4. Beoordeling van het beroep Partijen zijn in het bijzonder verdeeld over de vraag of door de (bezwaar)verzekeringsarts al dan niet voor eiseres de juiste arbeidsbeperkingen zijn vastgesteld. De rechtbank overweegt terzake als volgt. Gelet op het bepaalde in artikel 2 van de WAZ zijn bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is in de zin van deze wet, twee aspecten van belang, te weten: - of de betrokkene beperkingen heeft, die een rechtstreeks en medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebreken (de medische component); - of en in hoeverre hij als gevolg daarvan geheel of gedeeltelijk buiten staat is zich met gangbare arbeid een inkomen te verwerven (de arbeidsdeskundige component). Voor wat betreft het medische gedeelte van de beoordeling geldt het volgende. Uit de gedingstukken blijkt, dat de voor eiseres bij de opstelling door de verzekeringsarts van voor eiseres geldende arbeidsbeperkingen rekening is gehouden met het feit dat eiseres is aangewezen op voornamelijk zittend werk. Uit de arbeidskundige rapportage d.d. 26 oktober 1999 met bijlagen -de zogenaamde "verwoordingen functiebelasting" d.d. 15 oktober 1999- blijkt, dat voor eiseres inderdaad zodanig werk is geselecteerd. Eiseres beroept zich op de informatie die van de kant van haar huisarts en behandelend specialist is ingebracht; eiseres zou met klem zijn aangeraden niet aan het arbeidsproces deel te nemen. De rechtbank kan dit advies echter niet afleiden uit de overgelegde brieven noch geeft de inhoud van die brieven aanleiding om te veronderstellen dat er grond zou zijn voor een dergelijke visie. Uit de brief van de behandelend specialist van eiseres d.d. 13 april 2000 blijkt dat deze van oordeel is dat staand, bukkend, tillend en lopend werk sterk wordt afgeraden. In de brief van de specialist d.d. 8 maart 2000 stelt de specialist zelfs met zoveel woorden dat eiseres "uiteraard wel zittend werk mag doen", maar dat het hem zeer onverstandig lijkt om haar staand, lopend, bukkend en tillend werk na te laten streven. Aan deze opmerkingen gaat de opmerking vooraf dat het de specialist "niet reëel lijkt dat ze weer zou moeten werken". Waarom dat niet zo lijkt, geeft de specialist niet aan, doch die opmerking acht de rechtbank niet relevant gelet op het duidelijk uitgesproken oordeel dat eiseres in staat is -zelfs "uiteraard"- om zittend werk te verrichten. Voor wat betreft de verklaring van de huisarts moet worden geconstateerd dat deze zich niet uitlaat omtrent het al dan niet juist zijn van de voor eiseres aangenomen beperkingen en mogelijkheden. Nu vastgesteld moet worden dat er ook van de zijde van de behandelaren van eiseres geen bezwaar bestaat tegen het verrichten van zittend werk, heeft verweerder terecht beoordeeld of er voor eiseres dergelijke functies zijn te duiden. Voorzover het eiseres in de praktijk niet zou lukken ook inderdaad een baan in loondienst te vinden gaat het om een factor die niet verzekerd is in het kader van de arbeidsongeschiktheidswetgeving, te weten de arbeidsmarktsituatie. Dat aspect kan dan ook niet in de beoordeling worden betrokken. Met betrekking tot de vervolgens aan de orde zijnde arbeidskundige component van de schatting, overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens het rapport van de arbeidsdeskundige d.d. 26 oktober 1999 heeft de arbeidsdeskundige voor eiseres vijf functies geduid. Op basis van de verdiensten per uur in de middelste van de drie hoogst betaalde functies, afgezet tegen het per uur berekende maatgevende inkomen van de meewerkend echtgenote op een melkveehouderij, is door de arbeidsdeskundige een arbeidsongeschiktheid berekend van 15,3%. In het Schattingsbesluit wordt in artikel 3, eerste lid voorgeschreven dat bij de berekening van hetgeen betrokkene met arbeid kan verdienen, wordt uitgegaan van de urenomvang van de maatman. In de toelichting op het Schattingsbesluit wordt dit enigszins genuanceerd: uitgangspunt is ongeveer de urenomvang van de maatmanfunctie. Gelet op deze nuancering hanteert verweerder, blijkens de toelichting in de Bijlage bij het Besluit uurloonschatting 1999, een zekere "bandbreedte". Dit betekent dat verweerder, al naar gelang de urenomvang van de maatmanfunctie, functies duidt, die drie, vier of vijf uren meer bevatten dan de omvang van de maatman. Verweerder onderzoekt aan de hand van een aantal "stappen" in hoeverre sprake is van voldoende te duiden functies met voldoende arbeidsplaatsen, indien binnen een bepaalde functiecode onvoldoende -dat wil zeggen minder dan 7- arbeidsplaatsen te vinden zijn in de omvang van de "bandbreedte". Bij beoordeling volgens "stap 1" is sprake van de situatie waarin wel één of meer functies binnen een functiecode zijn te vinden die de omvang hebben van de "bandbreedte" doch welke functie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.