(1994), die volgens hen dezelfde status hebben als het streekplan. De Afdeling verstaat dit, gelet op het ter zitting verhandelde, aldus dat verweerders hiermee willen betogen dat zij gehouden waren in het streekplan hetzelfde beleid neer te leggen als in de Interprovinciale Beleidsplannen. Die plannen zijn echter documenten die niet op enige wettelijke regeling berusten, en waarbij verweerders zich vrijwillig hebben gebonden jegens andere provinciebesturen. Zo daaruit al enige binding rechtens voortvloeit, kan die in elk geval niet worden ingeroepen jegens degenen die geen partij zijn bij deze documenten. Reeds hierom kan dit argument niet worden aanvaard." 2.
- Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat ook het in artikel 3.1.7 en artikel 4, lid F, aanhef en onder 1, van de voorschriften van het voorliggende bestemmingsplan neergelegde verbod van boringen ten behoeve van de opsporing en winning van diepe delfstoffen, in strijd is met het stelsel van de Wet Opsporing Delfstoffen, de Mijnwet 1810/1903 en de daarop berustende regelingen, alsmede het Besluit milieu-effectrapportage. Ook zijn artikel 3.1.7 en artikel 4, lid G, van de planvoorschriften, voor zover deze voorschriften een verbod van seismologisch onderzoek ten behoeve van de opsporing en winning van diepe delfstoffen met zich brengen, in strijd met dit wettelijk stelsel. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het seismologische onderzoek en de (proef)boringen naar diepe delfstoffen in onderlinge samenhang moeten worden bezien. 2.7.
- Gelet op het vorenstaande is de goedkeuring van artikel 3.1.7, artikel 4, lid F, aanhef en onder 1 en artikel 4, lid G, van de planvoorschriften in strijd met de wet. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht goedkeuring te onthouden aan deze planvoorschriften. De beroepen zijn gegrond. 2.
- De Afdeling acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling, nu niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de beroepen gegrond; II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Friesland van 2 juni 1999, kenmerk MO/99-17377 B3, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 3.1.7, artikel 4, lid F, aanhef en onder 1 en artikel 4, lid G, van de voorschriften van het op 12 april 1995 door de gemeenteraad van Nijefurd vastgestelde bestemmingsplan "IJsselmeer"; III. onthoudt goedkeuring aan de onder II genoemde voorschriften; IV. gelast dat de provincie Friesland aan appellanten het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (ieder f 450,-) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. A. Kosto en drs. G.A. Posthumus, Leden, in tegenwoordigheid van dr. E. Dijt, ambtenaar van Staat. w.g. Konijnenbelt w.g. Dijt Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 20 september
- Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,