Raad van State E01.97.
(1)" ter hoogte van paal 20,5 op het Noordzeestrand nabij [woonplaats F]. Appellant sub 13 is eigenaar van een aantal strandhuisjes op dit deel van het strand en wil in de nabijheid van deze huisjes een strandpaviljoen oprichten. In dit verband voert hij aan dat ter plaatse vanaf 1966 tot 1970 en tussen 1970 en 1974 een strandpaviljoen respectievelijk een consumptiekiosk stond. Voorts voert hij aan dat bij vergelijkbare strandslagen ter hoogte van paal 19 en 19,5 wel strandpaviljoens staan. Tevens betoogt hij dat exploitatie van een strandpaviljoen gelet op het consumentengedrag en het vergrote achterland thans weer lonend is en ook voor de continuering van zijn bedrijf en de kwaliteitsverbetering van de toeristische dienstverlening noodzakelijk is. Verder stelt hij dat op dit deel van het strand nauwelijks natuur- en landschapswaarden aanwezig zijn. 2.5.1.
- Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Strand" bestemd voor waterkering, recreatie en doeleinden van landschaps- en natuurbescherming. Ingevolge het tweede lid van dit artikel mogen de gronden met deze bestemming uitsluitend worden gebruikt en ingericht voor dagrecreatieve activiteiten, in de vorm van baden, sport en spel, en strandpaviljoens, kustverdediging alsmede het beheer, herstel en de uitbouw van de aan de gronden eigen landschappelijke en natuurlijke waarden en de daarbij behorende andere bouwwerken. Ingevolge het derde lid van dit artikel, voorzover hier van belang, is op de gronden met deze bestemming het oprichten van gebouwen, anders dan voor een strandpaviljoen en/of strandkiosk, verboden en mag het aantal niet voor bewoning bestemde gebouwen ten behoeve van strandrecreatie en duinbezoek in de onmiddellijke nabijheid van het desbetreffende strandslag niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven. Nabij het bestreden plandeel liggen gronden met de bestemming "Duingebied". Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor waterstaatkundige doeleinden in de vorm van waterkering en voor doeleinden van landschaps- en natuurbescherming en recreatieve doeleinden. In de plantoelichting wordt over strandpaviljoens opgemerkt dat er enerzijds ruimte dient te zijn voor een verdere ontwikkeling van de strandrecreatie op Texel en er anderzijds voor dient te worden gewaakt dat het eigen karakter van de strandrecreatie niet verloren gaat of teveel wordt aangetast. Blijkens de plantoelichting wordt het karakter van het Texelse strand gekenmerkt door drukke gedeelten bij de strandslagen en relatief rustige gedeelten op grotere afstand van de slagen en is de bebouwing kleinschalig en ondergeschikt aan de totale strandbeleving. Voorts wordt in de plantoelichting verwezen naar de nota strandbeheer en strandexploitatie. Deze nota is op 9 mei 1995 door de gemeenteraad van Texel vastgesteld. Blijkens deze nota mag bebouwing alleen nabij officiële, verharde strandslagen plaatsvinden en gelden voor bebouwing van de niet officiële strandslagen bij palen 19 en 19,5 dezelfde bebouwingsmogelijkheden als voor de officiële strandslagen. Volgens deze nota mogen verder per strandslag niet meer dan twee gebouwen, zijnde paviljoens en/of kiosken, voorkomen. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat strandpaviljoens slechts ter hoogte van de op de plankaart aangeduide strandslagen mogen worden gebouwd. De bouw van strandpaviljoens bij willekeurige paden door de duinen wordt ongewenst geacht. Wat betreft de bouw van strandpaviljoens bij palen 19, 19,5 en 20,5 is hierop een uitzondering gemaakt. Hierbij heeft de gemeenteraad overwogen dat sprake is van reeds bestaande strandpaviljoens en dat de situatie bij paal 20,5 vergelijkbaar is met de situatie bij palen 19 en 19,
- Aan de gronden ter hoogte van paal 20,5 is in het plan derhalve de bestemming "Strand" en de aanduiding "strandslag
(1)" toegekend. Blijkens de stukken kunnen verweerders gelet op de natuur- en landschapswaarden instemmen met het terughoudende gemeentelijke beleid inzake nieuwe ontwikkelingen in het duingebied. De Afdeling komt dit beleid niet onredelijk voor. Van de zijde van verweerders is in dit verband evenwel overwogen dat een strandpaviljoen bij paal 20,5 niet aanvaardbaar is. Op het Noordzeestrand nabij [woonplaats F] staan zeven strandpaviljoens en strandkiosken. De strandslag nabij paal 20,5 is een zogeheten niet-officiële strandslag wat betekent dat deze slag via een onverhard pad door de duinen is te bereiken. Volgens het beleid ter zake is de bouw van een strandpaviljoen ter plaatse niet toegestaan. Zoals reeds is overwogen heeft de gemeenteraad desondanks omstandigheden aanwezig geacht om hiervan af te wijken. Anders dan bij palen 19 en 19,5 staat bij paal 20,5 echter reeds sedert jaren geen strandpaviljoen of strandkiosk. De gemeenteraad is er derhalve ten onrechte van uitgegaan dat de situatie bij paal 20,5 overeenkomt met de situatie bij palen 19 en 19,
- In verband hiermee en gelet op het terughoudende beleid inzake nieuwe ontwikkelingen in het duingebied kon van de zijde van verweerders in redelijkheid het standpunt worden ingenomen dat het in het plan voorziene nieuwe strandpaviljoen niet aanvaardbaar is. De Afdeling is ook anderszins niet gebleken dat zich in dit geval zodanige omstandigheden voordoen dat een afwijking van het beleid is gerechtvaardigd. In hetgeen appellant sub 13 naar voren heeft gebracht vindt de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat bij het bestreden besluit in redelijkheid geen goedkeuring aan het bestreden plandeel had mogen worden onthouden. Dit beroepsonderdeel van appellant sub 13 treft dan ook geen doel. 2.5.1.
- Appellant sub 18 is eigenaar van perceel [straat 10] 36 in [woonplaats D] en kan zich niet verenigen met de onthouding van goedkeuring aan de vrijstellingsbepaling van artikel 24, vierde lid, van de planvoorschriften. Hij is onder meer van mening dat deze onthouding van goedkeuring onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. 2.5.1.
- Op perceel [straat 10] 36 staan een stolpboerderij met schuur, een dienstwoning en een zomerwoning. Dit perceel is bestemd voor agrarische doeleinden en kent een bebouwingsvlak klasse a (bedrijfsgebouwen, dienstwoningen en bijgebouwen). Aan het perceel van de zomerwoning is de bestemming "Recreatief opstal" toegekend. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de op de plankaart voor agrarisch gebied aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering. Ingevolge artikel 11, eerste lid, zijn de op de plankaart aangeduide bestaande recreatieve opstallen uitsluitend bestemd voor verblijfsrecreatieve doeleinden. Ingevolge het eerste lid van artikel 24, dat het opschrift heeft "Regeling inzake kamperen op erven, uitgezonderd bij dienstwoningen als bedoeld in paragraaf 3 van Hoofdstuk 2 van deze voorschriften", voorzover hier van belang, mag bij een woning of dienstwoning gedurende de periode van 15 maart tot en met 31 oktober één tent op het erf worden geplaatst. Ingevolge artikel 24, vierde lid, voorzover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid ten behoeve van maximaal twee inpandige appartementen in de bestaande bebouwing. Op de plankaart is één recreatief opstal aangeduid. De zomerwoning is derhalve als zodanig is het plan opgenomen. In de stolpboerderij en schuur bevinden zich twee appartementen. Voorts mag op het erf bij de dienstwoning gedurende de periode van 15 maart tot en met 31 oktober één tent worden geplaatst. Van de zijde van verweerders is het standpunt ingenomen dat recreatie-appartementen in agrarische bebouwing een andere planologische relevantie en betekenis hebben dan kamperen van beperkte omvang gedurende een beperkte periode bij een agrariër. Voorts is overwogen dat de bestemmingsplanregeling niet uitsluit dat inpandige appartementen niet zullen verdwijnen bij beëindiging van het agrarische bedrijf. In verband hiermee is bij het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan artikel 24, vierde lid, van de planvoorschriften. De Afdeling is van oordeel dat toepassing van de vrijstellingsbepaling van artikel 24, vierde lid, van de planvoorschriften de betekenis heeft van een afwijking van een op de plankaart aangegeven bestemming. Deze bepaling is dan ook in strijd met artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. In dit verband is van belang dat artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voorziet in de mogelijkheid om in een bestemmingsplan een wijzigingsbepaling op te nemen voor een afwijking als evenbedoeld. Gelet hierop is bij het bestreden besluit terecht goedkeuring onthouden aan artikel 24, vierde lid, van de planvoorschriften. Dit beroepsonderdeel van appellant sub 18 treft derhalve geen doel. 2.5.1.
- Appellanten sub 19 voeren allereerst aan dat het bestreden besluit en het plan niet gedurende de wettelijk vereiste termijn ter inzage hebben gelegen. Voorts hebben zij bezwaren tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Recreatieterreinen, klasse z (Rv(z)" met de aanduiding "z-2" voorzover betrekking hebbende op perceel [straat 11] 63-65 in [woonplaats P]. Zij zijn van mening dat in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is gehandeld nu in het bestreden besluit wordt volstaan met een verwijzing naar de in het kader van een beroep tegen een met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleende bouwvergunning gewezen uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 23 augustus 1996, nos. R03.94.0298 en R03.94.
- In dit verband wijzen zij erop dat in het bestreden besluit voorbij is gegaan aan door hen aangevoerde omstandigheden betreffende het ontbreken van samenhang tussen perceel [straat 11] 63-65 en recreatiepark [recreatiepark]. Voorts betogen zij dat het perceel, nu dit geen relatie heeft met het recreatiepark, gelet op de plansystematiek niet in aanmerking komt voor een recreatieterreinenbestemming. Verder voeren zij aan dat de bouw van twee zomerhuizen ter plaatse in strijd is met het vorige bestemmingsplan. Ook vrezen zij voor aantasting van hun vrije uitzicht, woongenot, privacy en van de aanwezige landschappelijke waarden. Voorts zijn zij van mening dat door de bouw van twee zomerhuizen hun woningen in waarde zullen dalen en de verhuurmogelijkheden van zomerhuizen op perceel [straat 11] 56 zullen verminderen. Tot slot stellen zij dat de verkeersonveiligheid ter plaatse zal toenemen en vrezen zij voor geluids- en windoverlast. 2.5.1.
- Ingevolge artikel 28, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier van belang, wordt het besluit van gedeputeerde staten met het bestemmingsplan voor een ieder ter inzage gelegd voor de duur van zes weken. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet wordt een in een wet gestelde termijn die op zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet, voorzover hier van belang, is tweede Pinksterdag een algemeen erkende feestdag in de zin van deze wet. Gelet op het voorgaande moeten het bestreden besluit en het plan in verband met tweede Pinksterdag van 7 april 1997 tot en met 20 mei 1997 ter inzage hebben gelegen. Niet is gebleken dat de wettelijk vereiste termijn van terinzagelegging niet in acht is genomen. Dit beroepsonderdeel treft derhalve geen doel. 2.5.1.
- Een groot deel van de door appellanten sub 19 bij verweerders ingebrachte bedenkingen komt in verregaande mate overeen met de bezwaren die zij kenbaar hebben gemaakt in het kader van eerdergenoemde procedure inzake de met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleende vergunning voor de bouw van twee zomerhuizen. De Afdeling acht het niet onjuist dat in het bestreden besluit in dit geval in zoverre is verwezen naar hetgeen de Afdeling reeds in die procedure heeft overwogen. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan het bestreden besluit geen volledige belangenafweging ten grondslag ligt of dat dit besluit anderszins onzorgvuldig tot stand is gekomen of niet berust op een deugdelijke en kenbare motivering. 2.5.1.
- Appellanten sub 19 wonen op en/of zijn eigenaar van de percelen [straat 11] 56 onderscheidenlijk
- Op perceel [straat 11] 56 staan tevens zomerhuizen. Aan het tegenover de gronden van appellanten gelegen perceel [straat 11] 63-65 is de bestemming "Recreatieterreinen, klasse z (Rv(z))" met de aanduiding "z-2" toegekend. Ten zuiden van dit perceel ligt recreatiepark [recreatiepark]. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de gronden met de bestemming "Recreatieterreinen, klasse z (Rv(z))" bestemd voor verblijfsrecreatieve doeleinden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voorzover hier van belang, mogen klasse z-gronden uitsluitend worden gebruikt en ingericht als terrein voor zomerhuizen, waarbij het aantal zomerhuizen niet meer mag bedragen dan het op de plankaart aangegeven cijfer achter de letter z. In artikel 8, derde lid, is onder meer aangegeven dat met de bestemming "Recreatieterreinen" wordt beoogd te komen tot een zo groot mogelijke kwaliteit van de verblijfsrecreatie, zowel voor het terrein op zichzelf als voor wat betreft het terrein in relatie met zijn omgeving. Dit kwaliteitsoogmerk houdt onder meer in dat binnen de gegeven omstandigheden, het terrein grotendeels in zijn eigen behoefte aan recreatieve opvangmogelijkheden moet kunnen voorzien, zodat de recreant voor de ontspanning niet geheel of grotendeels op voorzieningen buiten het terrein is aangewezen. Hiertoe dient ten minste 40% van het terrein ingericht te worden ten behoeve van centraal-recreatieve voorzieningen, groenvoorzieningen, sport- en speelvoorzieningen, wandel- en uitloopmogelijkheden en verkeersvoorzieningen. Het aantal parkeerplaatsen op het terrein dient voldoende te zijn, hier geldt de norm van 1,1 plaats per recreatieve verblijfseenheid als een minimum. Voor het bereiken van dit doel kunnen meerdere terreinen van de klasse z of k die een geografische- c.q. beheertechnische samenhang vertonen, als een eenheid worden beoordeeld. Gelet op het vorenstaande mogen op perceel [straat 11] 63-65 maximaal twee zomerhuizen worden gebouwd. Voor wat betreft de centrale voorzieningen is de Afdeling van oordeel dat dit perceel en het aangrenzende recreatiepark [recreatiepark] als een eenheid kunnen worden beschouwd. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat de zomerhuizen op het recreatiepark [recreatiepark] onder vele eigenaren, waaronder particulieren, zijn verdeeld en het afzonderlijk aanduiden van de zomerhuizen op perceel [straat 11] 63-65 niet meer dan een grafische oplossing is, daar de twee terreinen door een fietspad worden gescheiden. De Afdeling kan appellanten derhalve niet volgen in hun betoog dat het voor zomerhuizen bestemmen van perceel [straat 11] 63-65 niet in overeenstemming is met de plansystematiek. 2.5.1.
- De Afdeling overweegt verder dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften in een plan opnemen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. Verder blijkt uit het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak dat de in het plan op het perceel [straat 11] 63-65 voorziene zomerhuizen door de hoogopgaande en dichte begroeiing langs de [straat 11] grotendeels uit het zicht van de woningen van appellanten blijven. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat in de jaargetijden waarin de begroeiing minder dicht is, de bouw van twee zomerhuizen met zich zal brengen dat het uitzicht vanuit hun woningen op onaanvaardbare wijze zal worden aangetast. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat het woongenot en de privacy van appellanten en de landschappelijke waarden van perceel [straat 11] 63-65 door de in het plan opgenomen zomerhuizen onaanvaardbaar zullen worden aangetast. Wat betreft de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van appellanten, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat hieraan in het bestreden besluit in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend. De Afdeling acht evenmin aannemelijk dat de bouw van twee zomerhuizen op perceel [straat 11] 63-65 zal leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van de verkeerssituatie. Naar het oordeel van de Afdeling kunnen verkeersonveilige situaties, indien nodig, door het treffen van verkeersmaatregelen worden voorkomen. Blijkens het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak zal, in aanmerking genomen dat de [straat 11] wordt gebruikt door verkeer van [woonplaats P] naar het strand en door bezoekers van een aan de [straat 11] gelegen vakantiepark, het verkeer van en naar de twee zomerhuizen nauwelijks bijdragen aan de geluidhinder ter plaatse. Tot slot hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat het plan een onaanvaardbare toeneming van de windoverlast ter plaatse met zich brengt. 2.5.1.
- Uit het voorgaande volgt dat het beroepsonderdeel van appellanten sub 19 dat is gericht tegen de goedkeuring van het plan betreffende het perceel [straat 11] 63-65 in [woonplaats P], geen doel treft. 2.
- Overige bezwaren 2.6.
- Bezwaren met betrekking tot de plaatsing van windmolens 2.6.1.
- Appellanten sub 14 hebben bezwaar tegen de onthouding van goedkeuring aan de vrijstellingsbepaling ten behoeve van het plaatsen van windmolens. Zij zijn van mening dat deze onthouding van goedkeuring onvoldoende is gemotiveerd en dat aan het bestreden besluit een onvolledige belangenafweging ten grondslag ligt. In dit verband voeren zij aan dat windmolens ter plaatse landschappelijk kunnen worden ingepast zodat voor aantasting van landschappelijke waarden niet hoeft te worden gevreesd. Voorts wijzen zij op het grote maatschappelijke belang dat is gelegen in windenergie. 2.6.1.
- Aan de gronden langs de dijk tussen de Polder het Noorden en de Polder Eijerland is de bestemming "Agrarisch gebied, categorie 1 " met de aanduiding "vrijstellingsgebied windmolens" toegekend. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied, categorie 1 bestemd voor de agrarische bedrijfsvoering en hebben deze gronden landschappelijke waarden. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, voorzover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders op verzoek van een belanghebbende vrijstelling verlenen ten behoeve van het plaatsen van windmolens binnen de op de plankaart aangegeven gebieden voor geclusterde molens (lijnopstelling) tot een masthoogte van 40 m, waarbij de maximale tiphoogte niet meer dan 65 m mag zijn, mits wordt aangetoond dat bij het plaatsen van de molens de ornithologische belangen niet onevenredig worden geschaad, de molens geen onevenredige inbreuk maken op de landschappelijke waarden van het omringende gebied en de molens een functie krijgen ten behoeve van de algemene energievoorziening. De desbetreffende gronden ten noorden van de Slufterweg hebben een lengte van ongeveer 1 km en de gronden ten noorden en ten zuiden van de Genteweg zijn ongeveer 1,5 km lang. De aanduiding "vrijstellingsgebied windmolens" heeft betrekking op de gronden aan weerszijden van de dijk. Blijkens de stukken wordt de Polder Eijerland gekenmerkt door een weids en open landschap. De polder bestaat uit vrij omvangrijke kavels die worden doorsneden door rechte wegen en watergangen. De agrarische bedrijven in het gebied liggen op een afstand van minimaal 100 m van elkaar. Verder kent de polder geen bebouwing. De gronden zijn als weiland en voor akkerbouw in gebruik. In de planvoorschriften is geen minimum of maximum opgenomen wat betreft het aantal windmolens dat ter plaatse mag worden opgericht. Derhalve is niet geheel duidelijk hoeveel windmolens ter plaatse precies kunnen worden geplaatst en in welke mate de windmolens aan de energievoorziening zullen gaan bijdragen. Mede gezien het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak is de Afdeling van oordeel dat de opvatting van verweerders niet onredelijk is, erop neerkomende dat de in het plan voorziene plaatsing van windmolens, gelet op het aantal dat ter plaatse kan worden opgericht en op de maximaal toegestane tiphoogte, de openheid van het gebied kan doorbreken en verstoren, dat de windmolens een grote inbreuk kunnen maken op de landschappelijke waarden en dat de bijdrage aan de energievoorziening in verhouding hiermee te gering is. Verder is de Afdeling van oordeel dat in het bestreden besluit redelijkerwijs het standpunt kon worden ingenomen dat een vrijstellingsbepaling een te licht instrument is om de plaatsing van windmolens mogelijk te maken en dat het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in dit verband meer in de rede ligt. Gelet op het voorgaande treft dit beroepsonderdeel van appellanten sub 14 geen doel. 2.6.
- Bezwaren met betrekking tot de voor militair gebruik bestemde plandelen 2.6.2.
- De Landelijke Vereniging tot behoud van de Waddenzee, de Werkgroep Landschapszorg Texel, de Milieufederatie Noord-Holland en de Vogelwerkgroep Texel (verder: de Landelijke Vereniging tot behoud van de Waddenzee e.a.) hebben bezwaren tegen het militair gebruik van het plandeel met de bestemming "Militair terrein (Md)". Appellanten sub 16 hebben bezwaren tegen het militair gebruik van de gronden met de bestemming "Strand". Appellanten betogen onder meer dat het militair gebruik van de door hen bestreden plandelen in strijd is met de Vogelrichtlijn. Zij vrezen dat het militair gebruik van deze gronden schadelijk is voor de biotoop van meerdere vogelsoorten. In dit verband wijzen zij erop dat de Waddenzee bij besluit van 8 november 1991 is aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn en op de voorgenomen aanwijzing van Texel als speciale beschermingszone zoals bekend gemaakt op 15 februari
- 2.6.2.
- Met het plan wordt beoogd voor de gebieden waarin militair gebruik plaatsvindt een actuele planologische regeling te geven. Aan het kazerneterrein van de Joost Dourleinkazerne, het oostelijke deel van de Mokbaai en een deel van De Hors is de bestemming "Militair terrein” toegekend. Het grootste gedeelte van De Hors is bestemd tot "Strand". Een deel van deze gronden is op de plankaart aangeduid als "zone militair gebruik". Grote delen van de bestreden plandelen zijn sedert jaren voor militaire doeleinden in gebruik. Bij het bestreden besluit is goedkeuring onthouden aan onderdelen van artikel 18 van de planvoorschriften betreffende plandelen met de bestemming "Militair terrein (Md)". Verweerders achten het militair gebruik van gronden met deze bestemming evenwel aanvaardbaar. Het beroep van de Landelijke Vereniging tot behoud van de Waddenzee e.a. is gericht tegen dit militair gebruik. Bij het bestreden besluit is tevens goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Strand" en de aanduiding "zone militair gebruik". Hierbij hebben verweerders onder meer overwogen dat blijkens nader onderzoek de zone waarbinnen het plan voorziet in militair medegebruik niet overeenkomt met de werkelijkheid. Nu verweerders goedkeuring hebben onthouden aan evengenoemd plandeel waartegen de inhoudelijke bezwaren van appellanten sub 16 zijn gericht, is in zoverre aan deze bezwaren tegemoet gekomen. In deze procedure kan niet slechts de onthouding van goedkeuring zelf maar evenzeer de hieraan ten grondslag liggende motivering ter beoordeling staan. De Afdeling vat het beroep van appellanten sub 16 betreffende het plandeel met de bestemming "Strand" en de aanduiding "zone militair gebruik" daarom aldus op dat niet volledig op hun bedenkingen inzake hun vrees voor aantasting van het leefmilieu van vogels is gereageerd en dat zij zich ertegen verzetten dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd. 2.6.2.
- Wat betreft het beroepsonderdeel van appellanten dat het militair gebruik van de bestreden plandelen in strijd is met de Vogelrichtlijn, overweegt de Afdeling het volgende. 2.6.2.
- Ingevolge artikel 4, eerste lid, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103; verder: Vogelrichtlijn) dienen de Lid-Staten voor de leefgebieden van de in Bijlage 1 van de richtlijn genoemde vogelsoorten speciale beschermingsmaatregelen te treffen, met name door het aanwijzen van de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten meest geschikte gebieden als speciale beschermingszone. Ingevolge artikel 4, tweede lid, dienen de Lid-Staten soortgelijke maatregelen te nemen ten aanzien van de niet in bijlage 1 genoemde en geregeld voorkomende trekvogels ten aanzien van hun broed-, rui- en overwinteringsgebieden en rustplaatsen in hun trekzones. Ingevolge artikel 7 van de richtlijn 92/431 EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; verder: Habitatrichtlijn) komen de uit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, voortvloeiende verplichtingen in de plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, vierde lid, eerste zin, van de Vogelrichtlijn, voor wat betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van die richtlijn zijn aangewezen of bij analogie overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van die richtlijn zijn erkend, zulks vanaf de datum van toepassing van de onderhavige richtlijn, dan wel vanaf de datum van de aanwijzing of erkenning door een Lid-Staat overeenkomstig de Vogelrichtlijn, indien deze datum later valt. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 18 maart 1999 in de zaak C-1 66/97 (Commissie tegen Frankrijk, AB 1999, 274) kan worden opgemaakt dat artikel 7 ook geldt voor gebieden die hadden moeten worden aangewezen als speciale beschermingszones. In artikel 6, tweede lid, is bepaald dat de Lid-Staten passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voorzover die factoren, gelet op de doelstellingen van de richtlijn, een significant effect zouden kunnen hebben. In artikel 6, derde lid, is bepaald dat voor plannen of projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een speciale beschermingszone een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. De bevoegde instanties mogen slechts toestemming voor het plan of project geven, nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten. In artikel 6, vierde lid, is - voorzover hier van belang - bepaald dat indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, de Lid-Staat alle nodige compenserende maatregelen neemt om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. 2.6.2.
- De bestreden plandelen zijn gedeeltelijk bij besluit van 8 november 1991 van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4 van de Vogelrichtlijn. Texel, waaronder de bestreden plandelen die niet zijn aangewezen als speciale beschermingszone, is vermeld in de “Inventory of Important Bird Areas in the European Community" (verder: IBA 89). Het Hof heeft in zijn arrest van 19 mei 1998 in de zaak C-3/96 (Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het Koninkrijk der Nederlanden, AB 1998, 403) overwogen dat de IBA 89 het enige document met wetenschappelijk bewijsmateriaal is aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of Nederland zijn verplichting is nagekomen de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van de beschermde soorten meest geschikte gebieden als speciale beschermingszone aan te wijzen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de bewijskracht van de IBA 89 in dit geval teniet doen. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat Texel wat betreft de bestreden plandelen had moeten worden aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4 van de Vogelrichtlijn. Overigens is op 15 februari 1999 het voornemen bekendgemaakt Texel als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4 van de Vogelrichtlijn aan te wijzen. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn mede ziet op bestaand gebruik, stelt de Afdeling vast dat de bestreden plandelen binnen de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn vallen. 2.6.2.
- Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet ter bepaling van de werking van een richtlijn een onderscheid worden gemaakt tussen een correcte en een incorrecte implementatie van die richtlijn. In geval van correcte implementatie bereikt de werking van een richtlijn de particulieren via de door de betrokken Lid-staat getroffen uitvoeringsmaatregelen. Slechts indien een richtlijn, na afloop van de implementatieperiode, niet, niet-tijdig of onjuist is geïmplementeerd kan een particulier een rechtstreeks beroep op die richtlijn doen en dan nog alleen op de bepalingen van de richtlijn die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn bepaald (arrest 8181, Becker, Jur. 1992, Pp. 59 e.v. op pp. 70-71). Volgens vaste jurisprudentie van het Hof dienen de rechterlijke instanties van de Lid-Staten de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen uit de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht voortvloeit (arrest C-312/93, Peterbroeck, 14 december 1995). Uit het vorenstaande blijkt, dat de vraag naar de rechtstreekse werking van de bepalingen van de richtlijn alleen kan rijzen in geval van incorrecte implementatie. 2.6.2.
- Volgens vaste jurisprudentie van het Hof (arrest 14/83, Von Colson en Kamann, 10 april 1984, Jur.1984, p. 1891; arrest 106/89, Marleasing, 13 november 1990, Jur. 1990, p. 1-4135) moet bij de toepassing van nationaal recht, de nationale rechter dit recht zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken. Alvorens de Afdeling toekomt aan de vraag of artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn rechtstreekse werking heeft, moet worden nagegaan of het van toepassing zijnde nationale recht richtlijnconform kan worden geïnterpreteerd. 2.6.2.
- Blijkens de stukken zijn gedeelten van de bestreden plandelen niet als staatsnatuurmonument aangewezen. Met betrekking tot deze plandelen overweegt de Afdeling het volgende. 2.6.2.8.
- Niet is gebleken dat op deze plandelen algemeen verbindende voorschriften van toepassing zijn die bedoeld zijn als implementatie van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn in zoverre niet is omgezet in het Nederlandse recht. Reeds nu niet is gebleken van algemeen verbindende voorschriften die zijn bedoeld als implementatie van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, is in dit geval richtlijnconforme interpretatie van het nationale recht om het implementiegebrek te helen niet mogelijk. Derhalve dient de Afdeling na te gaan of artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn rechtstreeks werkt, dat wil zeggen of op dat artikellid voor de nationale rechter een rechtstreeks beroep kan worden gedaan. 2.6.2.8.
- Een gemeenschapsregeling is onvoorwaardelijk, indien de verplichting die zij oplegt, van geen enkele voorwaarde en haar uitvoering of werking van generlei handeling van de instellingen der Europese Gemeenschappen of van de Lid-Staten afhankelijk is gesteld. De in artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn opgenomen verplichting om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten niet verslechtert en er geen storende factoren optreden, voorzover die factoren gelet op de doelstellingen van de Habitatrichtlijn een significant effect zouden kunnen hebben, zijn in ieder geval wat betreft de grenzen van de aan de Staat gelaten beoordelingsvrijheid onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig, zodat voor de nationale rechter in zoverre een rechtstreeks beroep kan worden gedaan op dit artikellid (vergelijk arrest van het Hof inzake C-72/95, Kraaijeveld, 24 oktober 1996, Jur. 1996, p. I-5403 en arrest van het Hof inzake C-435/97, Bozen, 16 september 1999, AB 2000,39). 2.6.2.8.
- In het bestreden besluit is met betrekking tot de onderhavige plandelen niet nadrukkelijk ingegaan op de bedenkingen van appellanten sub 16 dat het militair gebruik van de bestreden plandelen het leefmilieu van vogels aantast en is in het geheel niet getoetst of het militair gebruik zich verdraagt met artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn wat betreft de verzekering van de nakoming van de in artikel 6, tweede lid, vervatte verplichtingen. In zoverre berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering, thans neergelegd in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en is in strijd gehandeld met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. 2.6.2.
- Bij besluit van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (thans: Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) van 15 mei 1991 is het noordwestelijk deel van de Mokbaai ingevolge artikel 21 van de Natuurbeschermingswet aangewezen als staatsnatuurmonument. Bij besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 17 november 1993 is De Hors aangewezen als staatsnatuurmonument. Met betrekking tot de plandelen die als staatsnatuurmonument zijn aangewezen, overweegt de Afdeling als volgt. 2.6.2.9.
- Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet, is het verboden zonder vergunning van de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (thans: Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke betekenis van een beschermd natuurmonument of die een beschermd natuurmonument ontsieren. Ingevolge artikel 16, eerste lid, is het verboden een beschermd natuurmonument te verontreinigen, daarin planten, bloemen of takken uit te steken, te plukken, af te snijden of te vervoeren, dieren te verontrusten, te vangen of te doden of zulks te pogen of in het algemeen daarin schade aan de natuur toe te brengen. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, bevat een uitzonderingsbepaling op het verbod. Artikel, 16, tweede lid, aanhef en onder c, voorziet in de mogelijkheid van een ontheffing van het verbod. Ingevolge artikel 21, vierde lid, van de Natuurbeschermingswet is - voorzover hier van belang - het bepaalde in artikel 16, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder b en c, van overeenkomstige toepassing op staatsnatuurmonumenten. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is artikel 12 van de Natuurbeschermingswet ook van toepassing op staatsnatuurmonumenten. 2.6.2.9.
- De Afdeling overweegt dat de Natuurbeschermingswet geen regels bevat die uitdrukkelijk bedoeld zijn als implementatie van de verplichting om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten niet verslechtert en er geen storende factoren optreden, voorzover die factoren een significant effect zouden kunnen hebben. Voorts is de Afdeling niet gebleken dat op de bestreden plandelen anderszins algemeen verbindende voorschriften van toepassing zijn die bedoeld zijn als implementatie van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De Afdeling is echter van oordeel dat de artikelen 12 en 16 van de Natuurbeschermingswet in dit geval richtlijnconform kunnen worden geïnterpreteerd. Wat betreft de als staatsnatuurmonument aangewezen plandelen geldt derhalve het uit deze aanwijzing voortvloeiende richtlijnconform geïnterpreteerde rechtsregiem. 2.6.2.9.
- In het bestreden besluit is ook wat betreft onderhavige plandelen niet nadrukkelijk ingegaan op de bedenkingen van appellanten sub 16 dat het militair gebruik van de bestreden plandelen het leefmilieu van vogels aantast en is voorts niet getoetst of het militair gebruik van de onderhavige plandelen zich verdraagt met de aanwijzing van deze plandelen als staatsnatuurmonument en het uit deze aanwijzing voortvloeiende richtlijnconform geïnterpreteerde rechtsregiem. Gelet hierop berust het bestreden besluit ook in zoverre niet op een deugdelijk motivering, thans neergelegd in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, en is het bestreden besluit in zoverre tevens onzorgvuldig voorbereid en is in strijd gehandeld met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. 2.6.2.
- Gelet op al het voorgaande komen deze onderdelen van het bestreden besluit, afgezien van voormeld bevoegdheidsgebrek, dan ook overigens voor vernietiging in aanmerking, in verband waarmee de rechtsgevolgen van het bestreden besluit wat betreft de plandelen met de bestemming "Militair terrein (Md)" en de bestemming "Strand" en de aanduiding "zone militair gebruik" niet in stand kunnen worden gelaten. 2.
- Proceskosten 2.7.
- Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de beroepen van appellanten sub 1, 7, 9, 15 en 17 in hun geheel, het beroep van appellanten sub 16 wat betreft het militair gebruik van de gronden met de bestemming "Duingebied" opgenomen in artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften en het beroep van de Stichting Duinbehoud wat betreft het plandeel met de bestemming "Militair terrein (Md)" niet-ontvankelijk; II. verklaart de beroepen, voorzover ontvankelijk, gegrond; III. vernietigt het besluit van 25 februari 1997, no. 96-712836; IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, behoudens voorzover hierbij
- is bepaald dat het aanleggen van drainage in gronden die zijn bestemd voor agrarische doeleinden zonder of in afwijking van een vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders verboden is;
- goedkeuring is verleend aan: a. het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied, categorie 3” betreffende het bebouwingsvlak klasse b op perceel [straat 4] 26 in [woonplaats A]; b. het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied, categorie 3” betreffende het perceel van appellant sub 11 aan de [straat 1] in [woonplaats F]; c. het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" betreffende perceel [straat 1] 9 in [woonplaats F]; d. het plandeel met de bestemming "Militair terrein (Md)";
- goedkeuring is onthouden aan: a. het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied (A), categorie 3” betreffende een deel van perceel kadastraal bekend gemeente Texel, sectie […], no. […]; b. het plandeel met de bestemming "Strand" en de aanduiding "zone militair gebruik; deze plandelen zijn aangegeven op bij deze uitspraak behorende, gewaarmerkte kaarten; V. verleent goedkeuring aan het onder IV.3.a. vermelde plandeel; VI. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft het onder IV.3.a. genoemde plandeel in de plaats treedt van het onder III genoemde besluit; VII. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van totaal f. 12.574,36; dit bedrag dient door de provincie Noord-Holland als volgt te worden vergoed aan:
- appellante sub 2 f . 297,17;
- appellante sub 3 f. 117,17;
- appellante sub 4 f. 95,67;
- appellant sub 5 f. 297,17;
- appellanten sub 10 f. 1.695,67, waarvan f. 1.420,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- appellant sub 11 f. 710,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- appellant sub 12 f 95,67;
- appellant sub 13 f 1.775,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- appellanten sub 14 f. 710,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- appellanten sub 16 f. 115,17;
- appellant sub 18 f. 985,67, waarvan f. 710,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- appellanten sub 19 f. 1.775,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- appellante sub 20 f. 1.775,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (f. 420,00 voor appellanten sub 2, 3, 6, 14 en 16 afzonderlijk en f. 210,00 voor appellanten sub 4, 5, 8, 10, 11, 12, 13, 18, 19 en 20 afzonderlijk) vergoedt. Aldus vastgesteld door dr D. Dolman, Voorzitter, en mr R.J. Hoekstra en mr J.J. Vis, Leden, in tegenwoordigheid van mr R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat. w.g. Dolman w.g. Bindels Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 31 maart
- 177-
- Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,