(1991)", uitgebracht door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, waarin onder meer een (hoge) stedebouwkundige en architectonische waardering aan dit gebied is gegeven. Gelet hierop dient aan de handhaving van de stedebouwkundige kwaliteit van het gebied uit het oogpunt van ruimtelijke ordening een zodanig gewicht te worden toegekend dat de opneming in het plan van een regeling ter bescherming hiervan gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft dit miskend en artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b.3, van de planvoorschriften derhalve ten onrechte buiten toepassing gelaten. 2.
- Zoals in rechtsoverweging 2.5 is overwogen sluit het bepaalde in voormeld artikel het verlenen van een vergunning voor de hier in het geding zijnde bouwaanvraag uit, nu deze geen betrekking heeft op een interne verbouwing en evenmin sprake is van een verbouwing die in samenhang is ontworpen en zal worden gerealiseerd binnen de op de kaart IB aangegeven architectonische en stedebouwkundige eenheid. Het bouwplan is dan ook in strijd met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid om een vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de WRO te verlenen. Aangezien er ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar geen voorbereidingsbesluit van kracht was of een ontwerpbestemmingsplan ter inzage was gelegd, kon voor het bouwplan evenmin een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO worden verleend. Hetgeen [aanvrager] verder in beroep nog heeft aangevoerd met betrekking het gelijkheidsbeginsel kan, wat daar ook van zij, er niet toe leiden dat burgemeester en wethouders in strijd met de wet aan hem een bouwvergunning dienden te verlenen. Burgemeester en wethouders hebben de bouwvergunning derhalve terecht geweigerd. 2.
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal doen, hetgeen de rechtbank had behoren te doen en het bij de rechtbank door [aanvrager] ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 30 november 2000, reg.nr. AWB 99/4008; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat. w.g. Boll w.g. Van Roosmalen Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2001 17-
- Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,