(2)volgt dat de onderhavige vergunningverlening daaraan - uitsluitend of tezamen met het derde lid - moet worden getoetst - rechtstreeks werkt. 2.21.5.2. In overweging 2.20.2. is reeds opgemerkt dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn niet in het nationale recht is geïmplementeerd. Ook wat betreft het derde lid rijst derhalve de vraag naar de rechtstreekse werking. Gelet op het bovenstaande legt de Afdeling als laatste vraag aan het Hof voor: 5. Werkt artikel 6, tweede, respectievelijk derde lid, van de Habitatrichtlijn rechtstreeks, in die zin dat particulieren zich daarop voor de nationale rechter kunnen beroepen en die rechter, zoals onder meer beslist in de zaak Peterbroeck (reeds aangehaald), de rechtsbescherming moet verlenen die voor de justitiabelen uit de rechtstreekse werking voortvloeit? 2.22. Resumerend komt de Afdeling op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de slotsom dat aan het Hof de volgende vragen moeten worden voorgelegd: 1a. Dienen de begrippen “plan of project” in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn aldus te worden uitgelegd dat daaronder ook valt een activiteit die al vele jaren wordt uitgeoefend maar waarvoor in beginsel elk jaar voor een beperkte periode een vergunning wordt verleend, waarbij telkens opnieuw wordt beoordeeld of en zo ja, in welke gedeelten van het gebied de activiteit mag worden uitgeoefend? 1b. Ingeval vraag 1a ontkennend wordt antwoord: dient de desbetreffende activiteit wel als een “plan of project” te worden beschouwd, indien de intensiteit van die activiteit in de loop der jaren is toegenomen, respectievelijk een toename daarvan in de bestreden besluiten mogelijk wordt gemaakt? 2a. In geval uit het antwoord op vraag 1 voortvloeit dat er sprake is van een “plan of project” in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn: Dient artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn te worden gezien als een verbijzondering van de regels die zijn opgenomen in het tweede lid of als een bepaling met een afzonderlijke, zelfstandige strekking, zulks in die zin dat bijvoorbeeld: (
- i)het tweede lid betrekking heeft op bestaand gebruik en het derde op nieuwe plannen of projecten, of (
- ii)het tweede lid betrekking heeft op beheersmaatregelen en het derde op andere besluiten, of (iii) het derde lid betrekking heeft op plannen of projecten en het tweede op overige activiteiten? 2b. Kunnen in het geval artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn als een verbijzondering van de regels die zijn opgenomen in het tweede lid moet worden gezien, beide leden cumulatief van toepassing zijn? 3a. Dient artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn aldus te worden uitgelegd dat er reeds sprake is van een “plan of project” als een bepaalde activiteit gevolgen voor het desbetreffende gebied kan hebben (en daarna een “passende beoordeling” moet worden gemaakt om te weten of die gevolgen “significant” zijn) of betekent deze bepaling dat er pas een “passende beoordeling” behoeft te worden gemaakt indien (voldoende) aannemelijk is dat een “plan of project” significante gevolgen kan hebben? 3b. Aan de hand van welke criteria moet worden beoordeeld of een plan of project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied? 4a. Aan de hand van welke criteria dient in het kader van de toepassing van artikel 6 van de Habitatrichtlijn te worden beoordeeld of sprake is van “passende maatregelen” als bedoeld in het tweede lid van die bepaling, respectievelijk een “passende beoordeling” in samenhang met de vereiste zekerheid voor het geven van toestemming voor een plan of project als bedoeld in het derde lid? 4b. Hebben de begrippen “passende maatregelen”, respectievelijk “passende beoordeling” een zelfstandige betekenis of dient bij het oordeel daarover ook rekening te worden gehouden met artikel 174, tweede lid, van het EG-Verdrag en met name het in dat artikellid genoemde voorzorgsbeginsel? 4c. Ingeval rekening dient te worden gehouden met het in artikel 174, tweede lid, van het EG-Verdrag genoemde voorzorgsbeginsel: houdt dat in dat een bepaalde activiteit, zoals de onderhavige kokkelvisserij, mag worden toegestaan als over de afwezigheid van mogelijke significante gevolgen geen duidelijke twijfel bestaat of mag dat alleen als geen twijfel bestaat over de afwezigheid van zulke gevolgen, respectievelijk die afwezigheid met zekerheid kan worden vastgesteld? 5. Werkt artikel 6, tweede, respectievelijk derde lid, van de Habitatrichtlijn rechtstreeks, in die zin dat particulieren zich daarop voor de nationale rechter kunnen beroepen en die rechter, zoals onder meer beslist in de zaak Peterbroeck (reeds aangehaald), de rechtsbescherming moet verlenen die voor de justitiabelen uit de rechtstreekse werking voortvloeit? 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven geformuleerde vragen; II. schorst de behandeling en houdt iedere verdere beslissing aan. Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Voorzitter, en mr. R.J. Hoekstra en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Z.N. Kammeraat, ambtenaar van Staat. w.g. Lauwaars w.g. Kammeraat Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2002 12-295. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,