(1994)van Rijkswaterstaat, op grond waarvan een maximale verkeersintensiteit van 6.000 motorvoertuigen per etmaal als aanvaardbaar wordt aangemerkt. De totale belasting op de Afrikalaan blijft onder deze grens. Het standpunt van verweerders dat sluipverkeer via de Afrikalaan niet op voorhand is te verwachten en overigens met verkeerstechnische maatregelen kan worden geregeld, acht de Afdeling voorts niet onjuist. Van ernstige geluidsoverlast is naar het oordeel van de Afdeling niet gebleken. 2.
- Voorzover appellanten hebben gewezen op een ontsluiting via de Archeonlaan, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.
- is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat van zodanige bezwaren in dit geval geen sprake is. 2.
- Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerders hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht hadden moeten toekennen. 2.
- Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat. w.g. Cleton w.g. van Onselen Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2002 178-418.