(1987)deel uitmaakt van een centrumgebied. De Afdeling kan appellant sub 2 in zoverre dan ook niet volgen wanneer hij stelt dat het plangebied formeel niet tot het centrumgebied behoort. Blijkens onder meer de plantoelichting ligt het gebied ingeklemd tussen kantoorgebouwen, de Hogeschool Holland en wegen met een bovenlokale functie. In breder perspectief ligt Bergwijkpark in de Amsterdamse agglomeratie op de kruising van de zuidas en de zuidoost-lob. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders in redelijkheid het standpunt hebben kunnen innemen dat het plangebied ook materieel behoort tot een centrumgebied en, uitgaande van het streekplanbeleid, in aanmerking komt als plek voor een megabioscoop.. 2.
- De Afdeling stelt vast dat het plangebied reeds in aanvang als bouwlocatie is aangewezen en dat het gemeentebestuur het gebied in plaats van braak te laten liggen zolang heeft ingeplant om de omgeving aantrekkelijker te maken. De Afdeling is niet gebleken dat de beplanting zo waardevol is dat in verband hiermee het park zonder meer behouden moet blijven. Dat de architectuur van het gebouw van de Hogeschool is afgestemd op de aanwezigheid van het park kan evenmin tot deze conclusie leiden. 2.
- In het BRO-rapport is gesteld dat een groei van het bioscoopbezoek van 30 tot 50% over een periode van 5 jaar voor de Amsterdamse regio realistisch geacht mag worden. Blijkens tabel 3.5 op bladzijde 29 van het BRO-rapport zou het bioscoopbezoek bij deze groei kunnen stijgen van 4,18 miljoen in 1999 tot 6,33 miljoen in
- De conclusie luidt dat de komst van de in het plan voorziene megabioscoop geen wegzuigend effect heeft op de bioscopen in de Amsterdamse binnenstad. Uit het DHV-rapport kan worden geconcludeerd dat de opening van de megabioscoop in Amsterdam Zuidoost relatief gezien een verlies aan bezoekers in de binnenstad tot gevolg heeft gehad, maar dat dit verlies wordt gecompenseerd door de autonome groei in het bioscoopbezoek. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders bij de beoordeling van het plan niet van deze onderzoeken hebben kunnen uitgaan. De omstandigheid dat in het BRO-rapport onder meer gebruik wordt gemaakt van aannames is inherent aan een rapport dat zich richt op een toekomstige activiteit. Voor zover appellante sub 1 heeft gewezen op fouten die het BRO-rapport zou bevatten, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken van zodanige fouten dat het rapport daardoor als ondeugdelijk dient te worden aangemerkt. 2.12.
- De Afdeling overweegt voorts dat de ontwikkeling van een megabioscoop in Diemen van invloed zal zijn op het voorzieningenniveau in de bioscoopbranche in Amsterdam. Echter is niet aannemelijk gemaakt dat deze zal leiden tot een duurzame ontwrichting daarvan. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat er blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting plannen bestaan voor de bouw van nog meer megabioscopen in de Amsterdamse regio. 2.
- Blijkens het bestreden besluit wil het gemeentebestuur met de bouw van de megabioscoop de sociale veiligheid van de omgeving verhogen. In de plantoelichting staat dat door de aanwezigheid van bezoekers van de bioscoop ook in de stille avonduren en in het weekend het gebied door meer mensen zal worden bezocht. De Afdeling acht dit niet onaannemelijk. Bovendien zal zowel in als rond het gebouw beveiliging komen en zal de looproute, ingevolge artikel 3, eerste lid, onder g, van de planvoorschriften, goed worden verlicht. Verweerders hebben er verder terecht op gewezen dat de toegevoegde voorzieningen als horecagelegenheden, gelet op artikel 3 van de planvoorschriften, functiegericht en niet algemeen van aard zullen zijn. Bovendien is het totale bruto vloeroppervlak van horecagelegenheden ingevolge dit artikel gebonden aan een maximum van 2500 m
- Voorts zullen de voorstellingstijden in de regel worden afgestemd op de reismogelijkheden die het openbaar vervoer biedt. Nog daargelaten of een en ander planologisch relevant is, acht de Afdeling gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat de verwezenlijking van het plan zal leiden tot een sociaal onveilige omgeving dan wel tot ernstige overlast. 2.
- Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder d, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn ter plaatse maximaal 1380 parkeerplaatsen toegestaan. Volgens de plantoelichting is dit aantal gebaseerd op de raming zoals die is gemaakt in het milieueffectrapport (hierna te noemen: MER). Hierin staat dat op piekmomenten, met name op zaterdagavond, 1528 parkeerplaatsen nodig zijn. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat verweerders hiervan niet hebben mogen uitgaan. Naast de 1380 parkeerplaatsen onder en op het terrein van de megabioscoop zijn, aldus de plantoelichting, 227 parkeerplaatsen beschikbaar op het aangrenzende P+R terrein. De Afdeling stelt gelet hierop vast dat is voorzien in het volgens het MER vereiste aantal parkeerplaatsen. 2.
- Blijkens de plantoelichting zal de hoofdontsluiting voor autoverkeer primair via de Bergwijkdreef plaatsvinden. Via de Daalwijkerdreef en de Diemerdreef zal het autoverkeer zich verspreiden waarbij een groot deel gebruik zal maken van de Gooiseweg. Daarnaast voorziet het plan, naar aanleiding van de in het MER gehanteerde prognoses, in een extra ontsluiting aan de zuidwestzijde van het gebied, die aansluit op de Gooiseweg. De Gooiseweg sluit direct aan op de ringweg A
- In het deskundigenbericht wordt gesteld dat het aantal motorvoertuigen op piekmomenten weliswaar aanzienlijk zal vermeerderen maar dat dit in absolute zin niet zal leiden tot een onaanvaardbare verkeerssituatie. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen reden in afwijking daarvan aan te nemen dat de voorziene ontsluitingswegen het verkeer niet op een veilige wijze zullen kunnen verwerken. 2.
- Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van appellant sub 2 betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerders hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht hadden moeten toekennen. 2.
- Mede in aanmerking genomen hetgeen de Afdeling in haar uitspraak van 23 maart 2000 heeft overwogen, hebben verweerders, gezien al het vorenstaande, zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. De beroepen zijn ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Klein Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 15 mei
- 176-290.