(1996)" is het aantal bedden in het jaar 1975 als uitgangspunt genomen. De verblijfsrecreatieve capaciteit is vanaf dat jaar gedaald en, hoewel de laatste jaren weer van een stijging sprake is, is het niveau van 1975 nog steeds niet bereikt. In het deskundigenbericht is ter zake berekend dat in 2001 het aantal bedden in hotels en pensions nog met ongeveer 600 zou mogen toenemen, waarbij een deel van deze capaciteit is te realiseren of wordt gerealiseerd op grond van bestaande bestemmingsplannen. In het provinciale rapport is de op dat moment bestaande planologische ruimte bepaald op 311 bedden. Blijkens de ter zitting namens de gemeenteraad vermelde cijfers is voor het jaar 2002 een beddencapaciteit van 1702 berekend hetgeen ten opzichte van het jaar 1975 nog steeds een tekort van 574 bedden betekent. Dat deze cijfers onjuist zouden zijn is niet gebleken. De Afdeling acht dan ook voldoende aannemelijk dat met het plan niet een uitbreiding van de capaciteit wordt mogelijk gemaakt die uitgaat boven de nog beschikbare ruimte op Terschelling. Verweerders hebben zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat een toename van het aantal bedden als met het plan mogelijk wordt gemaakt niet in strijd is met het in het streekplan en het rapport verwoorde beleid, gericht op stabilisatie van het aantal bedden in verblijfsrecreatieve voorzieningen, welk beleid de Afdeling niet onredelijk voorkomt. Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit beleid in strijd is met het consoliderende Rijksbeleid voor het recreatief-toeristisch gebied de Waddeneilanden zoals neergelegd in het Structuurschema Groene Ruimte en de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra. 2.8.
- Het plan maakt een aanzienlijke uitbreiding van de oppervlakte van het bestaande hotel mogelijk. Deze uitbreiding zal voornamelijk plaatsvinden op gronden die nu in gebruik zijn als parkeerterrein. In de nieuwe situatie zal het parkeren vooral onder het hotel gaan plaatsvinden. Voorts zijn de bebouwingsmogelijkheden dichter bij de strandweg neergelegd en is het bebouwingsvlak ten opzichte van het geldende plan aanzienlijk verkleind. Dit heeft tot gevolg dat het huidige plan zowel in vergelijking met de bestaande situatie als in vergelijking met het vigerende plan, gelijk ook in het deskundigenbericht is vermeld, een groter aaneengesloten terrein vrijmaakt voor natuur. Verder heeft de verschuiving van het bouwvlak tot gevolg dat de feitelijke afstand van de nieuwbouw tot de bestaande zomerwoningen van appellanten met ongeveer 20 meter wordt vergroot. Voor appellante sub 1 betekent dit een vergroting van de afstand tot haar woning van 60 tot 80 meter. De aanvoerweg naar het hotel is blijkens het deskundigenbericht op minstens 150 meter van de zomerwoningen gelegen. In de toelichting bij het plan is ter zake van het gebruik van die weg vermeld dat in de bestaande situatie weinig hotelgasten de auto naar het eiland meenemen. Er is een openbaar vervoers-verbinding vanaf de boot naar het hotel en er bestaat het voornemen hoteltaxi’s/busjes in te zetten. De aanvoerweg wordt ook gebruikt door strandgangers en bewoners en gasten van de zomerwoningen. Hoewel in verband met de capaciteitsuitbreiding van het hotel een toename van het verkeer mag worden verwacht, hebben verweerders in redelijkheid mogen aannemen dat die niet aanzienlijk zal zijn. In aanmerking genomen voorts de vergrote afstand van de woning van appellante tot het toekomstige hotel is een aantasting van haar privacy niet aannemelijk. De hoogte van de zijvleugels van de in het plan voorziene nieuwbouw is blijkens het deskundigenbericht ongeveer 1,80 meter hoger dan de bestaande bouw en 2,70 meter lager dan het bestaande hoogte-accent. Gegeven de ligging van het bestaande hotel, dat vanwege de hoogte vanuit verschillende gezichtspunten vanuit de omgeving goed zichtbaar is, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders de in het plan voorziene bebouwings-mogelijkheden voor zover het betreft de maximale hoogte van de zijvleugels, in aanmerking genomen dat de goothoogte daarvan aanzienlijk lager is en de dakhelling maximaal 50°kan bedragen, in redelijkheid niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening hebben kunnen achten. 2.8.
- Het voorgaande geldt evenwel niet het in het plan mogelijk gemaakte zogenoemde hoogte-accent. Dit heeft door de gegeven maximale hoogte en de beschikbare oppervlakte een zodanige massa dat niet kan worden gesteld dat dit deel van de bouwmogelijkheden, waar het gaat om de visuele inpasbaarheid in het duinlandschap, op enigerlei wijze met het bestaande hotel op één lijn is te stellen. Ook ten opzichte van de maten gegeven bij het geldende plan is sprake van een aanzienlijke vergroting. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders zich dan ook, in aanmerking genomen dat zij blijkens het bestreden besluit het overheidsbeleid onderschrijven dat naast de toelaatbaarheid van een beperkte toename van recreatieve voorzieningen uit oogpunt van kwaliteitsverbetering ook de beheersing van de druk op het duingebied voorstaat, bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel dat voorziet in de bouw van een onderdeel van het hotel met een bouwhoogte van maximaal 17 meter niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerders, door dat plandeel goed te keuren, hebben gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd. Uit het voorgaande volgt tevens dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het hiervoor bedoelde plandeel. 2.
- Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 4 te worden veroordeeld. Ten aanzien van appellanten sub 1, 2 en 3 is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de beroepen van appellanten gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Friesland van 6 juni 2000, kenmerk: 377583, voor zover hierbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Horecadoeleinden” en de aanduiding “17”, nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart; III. onthoudt goedkeuring aan het onder II genoemde plandeel; IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd; V. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond; VI. veroordeelt gedeputeerde staten van Friesland in de door appellanten sub 4 in verband met de behandeling van hun beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, dat geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de provincie Fryslân te worden betaald aan appellanten; VII. gelast dat de provincie Fryslân aan appellanten sub 1, 3 en 4, afzonderlijk, het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 102,10) en aan appellante sub 2 het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat. w.g. Lauwaars w.g. Van Meurs-Heuvel Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002 176-47.