(1981), aangehecht, stelt de Afdeling vast dat een pand, indien het de uit de eertijds verleende bouwvergunning of bij gebreke daarvan uit de constructie en inrichting blijkende hoedanigheid van een dienstwoning heeft, deze hoedanigheid niet verliest door de enkele omstandigheid dat de bewoning is gestaakt, noch door de omstandigheid dat de woning onbewoonbaar is verklaard. Ter zitting is gebleken dat appellant de huidige dienstwoning wil vervangen door een nieuwe burgerwoning. Gelet daarop wordt het aantal woningen binnen het bebouwingsvlak niet vergroot, zodat ook dit op zichzelf niet aan toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in de weg staat. Voorts is ter zitting gebleken dat gebruik zou zijn gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid indien naar de mening van burgemeester en wethouders aan de vereisten daarvoor zou zijn voldaan. 2.
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. 2.
- De Afdeling zal voorts doen, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren. 2.
- Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 26 juni 2001, Awb 01/25; II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; III. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Oostburg van 5 december 2000, U 2000/11127; IV. gelast dat de gemeente Oostburg aan [appellant het voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 102,10 respectievelijk € 154,29) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat. w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2002 398-378.