200105168/2. Datum uitspraak: 19 juni 2002 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: Upperton Ltd., gevestigd te Mauritius, appellante, en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2001 heeft verweerder appellant onder aanzegging van bestuursdwang belet het vaartuig Sandrien uit te laten varen vanuit Nederland naar India. Bij besluit van 7 september 2001, kenmerk IMH/HI/HH/AD/1b/070901001L, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 18 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen per telefaxbericht van 18 oktober 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 12 maart 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van Greenpeace Nederland. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.M.A.W. Flendrie-van der Schoot, mr. E.F. Mortagne, mr. A.P. Dijkstra, ing. C.H.M. Luttikhuizen en A.J.M. Post, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de stichting “Stichting Greenpeace Nederland”, vertegenwoordigd door [gemachtigde]. 2. Overwegingen 2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn besluit van 23 maart 2001 gehandhaafd. Verweerder heeft aan de aangezegde bestuursdwang ten grondslag gelegd dat appellante zonder dat daartoe een kennisgeving was gedaan zoals vereist in de EG-verordening 259/93, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de EVOA), doende was met het begin van overbrenging van het schip Sandrien (hierna: het schip) vanuit Nederland naar India. Nu het hierbij volgens verweerder gaat om afvalstoffen heeft appellante in strijd gehandeld met artikel 26, eerste lid, van de EVOA, hetgeen verboden is op grond van artikel 10.44e van de Wet milieubeheer. Verweerder heeft door toepassing van bestuursdwang appellante belet het schip uit te laten varen naar India. 2.2. Volgens appellante beschouwt verweerder het schip ten onrechte als afval en is de EVOA niet van toepassing. Voorzover de EVOA wel van toepassing is, behoeft volgens appellante voor de overbrenging van het schip naar India geen kennisgeving te worden gedaan omdat het schip moet worden beschouwd als een zogeheten groene lijst-stof in de zin van de EVOA. Daartoe voert zij aan dat het schip geen ladingrestanten bevat die als (gevaarlijk) afval aangemerkt kunnen worden. Zij is van mening dat het schip valt onder rubriek GC 030 van de groene lijst. Volgens appellante valt het in de constructie van het schip verwerkt asbest niet onder de in deze rubriek opgenomen zinsnede “andere bij het gebruik van het schip vrijkomende materialen”. 2.2.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de EVOA wordt onder afvalstoffen verstaan de afvalstoffen die als zodanig in de Richtlijn 75/442/EEG, artikel 1, onder a (hierna te noemen: de Richtlijn), zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG. In artikel 1, aanhef en onder a, van de Richtlijn wordt onder afvalstof verstaan: elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Ingevolge artikel 1, onder c, van de Richtlijn wordt de houder omschreven als de producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 15 juni 2000, gevoegde zaken nrs. C-418/97 en C-419/97 (AB 2000, 311) voor recht verklaard, dat de vraag of sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van die Richtlijn en er voor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan. 2.2.2. Verweerder heeft voor zijn standpunt dat het schip als afvalstof moet worden aangemerkt doorslaggevend geacht dat uit onderzoek is gebleken dat het schip naast ladingrestanten en overige (vermoedelijk gevaarlijke) afvalstoffen een substantiële hoeveelheid asbest bevat. Uit verschillende verklaringen, verhoren en documenten is verweerder voorts gebleken dat het schip bestemd is voor de sloop in India en dat het schip van de Scheepvaartinspectie slechts toestemming heeft voor vertrek met het oog op die bestemming. Ten tijde van de eigendomsoverdracht van het schip op 14 september 2000 en ook ten tijde van het nemen van het besluit in primo en het bestreden besluit verkeerde het schip volgens de minister in slechte staat, zodanig dat het gebruik overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming (motortankschip) dan wel als vrachtschip niet mogelijk was en is zonder ingrijpende en kostbare reparaties. Gelet hierop heeft verweerder aangenomen dat de oorspronkelijke eigenaar zich op 14 september 2000 heeft ontdaan van een afvalstof. Aan de omstandigheid dat een aantal eerder gedane verklaringen omtrent de aard en bestemming van het schip later is ingetrokken heeft verweerder geen doorslaggevende betekenis toegekend. 2.2.3. Appellante heeft het schip op 14 september 2000 in eigendom verkregen. Niet in geschil is dat appellante op 1 november 2000 met Hatimi Steels te Alang (India) een overeenkomst is aangegaan tot verkoop van het schip aan laatstgenoemde partij ten behoeve van sloop. Hieruit maakt de Afdeling op dat appellante destijds voornemens was zich van het schip te ontdoen in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de Richtlijn. Het schip heeft hiermede het karakter van een afvalstof verkregen. Appellante heeft aangevoerd niet (langer) het voornemen te hebben zich van het schip te ontdoen, maar dit in te zetten als vrachtschip. In dit verband wijst zij erop dat zij het contract met Hatimi Steels bewust heeft laten verlopen door het schip niet te leveren en dat op 8 november 2000 een contract is gesloten met Shiva marketing Ltd. om in de eerste week van maart 2001, later verlengd tot uiterlijk de eerste week van april 2001, het schip aan de westkust van India in te zetten als ‘floating vessel’. Zij wijst ook op de mails uit januari/februari 2001 van de door Upperton ingeschakelde ‘ladingbroker’ Andrew Southwood betreffende de verhuur van het schip om dit met lading uiteindelijk richting India te laten varen en op de samenstelling van de bemanning die uitdrukkelijk niet zag op een ‘demolition crew’. Voorts voert appellante aan dat zij kort na de aankoop van het schip heeft besloten reparaties te laten verrichten en het geschikt te maken voor de inzet als vrachtschip en dat inmiddels een begin is gemaakt met de noodzakelijke reparaties. Appellante heeft echter naar het oordeel van de Afdeling haar stelling dat ten tijde van het bestreden besluit reeds een aanvang was gemaakt met de in dit verband noodzakelijke reparaties, noch haar stelling dat het schip elders zal worden gerepareerd, zodat het weer kan worden ingezet als vrachtschip, voldoende aannemelijk gemaakt. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het schip ten tijde van het nemen van het bestreden besluit diende te worden aangemerkt als afvalstof. 2.2.4. Artikel 1, derde lid, van de EVOA bepaalt onder andere dat het overbrengen van afvalstoffen, die alleen bestemd zijn voor nuttige toepassing en in bijlage II van de EVOA, gewijzigd bij beschikking 1999/816/EG van de Commissie van 24 november 1999, worden genoemd niet onder de bepalingen van de EVOA vallen. Bijlage II is de zogeheten groene lijst van afvalstoffen. In deze bijlage staat onder rubriek GC 030 vermeld: ”Schepen en ander drijvend materieel bestemd voor de sloop, waaruit eventuele lading en andere bij het gebruik van het schip vrijkomende materialen, die als gevaarlijke stof of afvalstof geclassificeerd zijn, naar behoren zijn verwijderd”. In het chapeau bij de groene lijst staat vermeld: ”Of afvalstoffen nu op deze lijst zijn opgenomen of niet, zij mogen niet als afvalstoffen van de groene lijst worden vervoerd indien zij dermate met andere stoffen verontreinigd zijn dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.