(1999)(verder: de Brochure) en bedrijfsbebouwing met een hoogte van 8 meter mogelijk tot op een afstand van 60 à 70 meter van de grenzen van de woonpercelen langs de Rillaersebaan. Vestiging van bedrijven behorende tot categorie 3 van de Brochure en bedrijfsbebouwing met een hoogte van 12 meter is mogelijk tot op een afstand van 100 à 110 meter van deze percelen. In artikel 8, tweede lid, van de planvoorschriften is bepaald dat bij de uitwerking van de desbetreffende bestemming als uitgangspunt geldt dat de nadruk ligt op representatieve bedrijvigheid zonder vanaf de openbare weg zichtbare opslag. Uit het deskundigenbericht blijkt verder dat zich aan weerszijden van de Rillaersebaan brede groenstroken met begroeiing bevinden die het zicht vanuit de betrokken woningen op het voorziene bedrijfsterrein goeddeels wegnemen. De Afdeling acht niet onaannemelijk dat de aanleg van het bedrijfsterrein een negatieve invloed zal hebben op de kwaliteit van de omgeving van en het uitzicht vanuit de betrokken woningen. Gelet op de hiervoor aangegeven voorwaarden die het plan met betrekking tot deze bedrijven stelt en de feitelijke situatie ter plaatse, acht de Afdeling evenwel niet aannemelijk dat sprake zal zijn van onaanvaardbare hinder ten gevolge van de vestiging van bedrijven op de genoemde afstanden. De bezwaren zijn niet zo ernstig dat niet in redelijkheid aan de met de aanleg van het bedrijventerrein gediende belangen meer gewicht kon worden toegekend. 2.5.
- Aangaande de bezwaren met betrekking tot het verkeer op de Rillaersebaan overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens de planvoorschriften dient, wat betreft de ontsluiting van de voorziene bedrijfsterreinen, het plan aldus te worden uitgewerkt dat de ontsluiting voor het autoverkeer zal plaatsvinden op de Turnhoutsebaan. Voor het betoog van appellanten dat niet is gewaarborgd dat de bedrijfsterreinen op deze wijze ontsloten zullen worden heeft de Afdeling geen grond kunnen vinden. De in het plan voorziene woonbuurt zal worden ontsloten op de Rillaersebaan. In het deskundigenbericht is ten aanzien van de verkeersintensiteit op de Rillaersebaan als conclusie vermeld dat deze weliswaar zal toenemen, doch dat dit niet in hoofdzaak is te wijten aan de ontwikkeling van het onderhavige bestemmingsplan. Deze conclusie is gebaseerd op voormeld feit dat volgens het plan de verkeersontsluiting van de bedrijfsterreinen op de Turnhoutsebaan zal plaatsvinden en voorts op een rapport van een door DHV Milieu en Infrastructuur BV verricht onderzoek naar de verkeersafwikkeling in het gebied Surfplas-Boschkens-Bakertand. De Afdeling ziet geen reden om bovenstaande conclusie in twijfel te trekken. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd, noch hetgeen overigens uit de stukken is gebleken, biedt daartoe aanknopingspunten. Op grond van het bovenstaande komt de Afdeling tot het oordeel dat niet aannemelijk is dat het plan de verkeersintensiteit op de Rillaersebaan ter hoogte van de betrokken woningen en daarmee de geluidshinder voor die woningen en de luchtkwaliteit ter plaatse wezenlijk zal beïnvloeden. Dit in aanmerking genomen bestaat voorts geen grond om te oordelen dat er ten onrechte van is afgezien om met betrekking tot dit plan onderzoek naar deze aspecten te verrichten. Overigens merkt de Afdeling op dat ten behoeve van het deskundigenbericht door het gemeentebestuur van Tilburg een berekening is gemaakt betreffende de bijdrage aan de luchtverontreiniging door het verkeer over de Rillaersebaan. In het deskundigenbericht is op basis hiervan de conclusie getrokken dat van een onaanvaardbare luchtverontreiniging geen sprake zal zijn. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie. 2.
- De Afdeling komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. De beroepen zijn ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat. w.g. Cleton w.g. De Rooy Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002 59-411.