(22)dat verwijst naar het schema in artikel 9 van de planvoorschriften niet het perceel en het bedrijf van appellant aan de [locatie sub 17] betreffen. Voorts hebben zij goedkeuring onthouden, omdat de vestiging van het dierenpension is voorzien in een gebied met de aanduiding “Peelrandbreuk” dat bovendien deel uitmaakt van het primaire buitengebied en niet van een bebouwingsconcentratie. Hergebruik van het agrarische bouwblok voor dit soort activiteiten achten verweerders niet aanvaardbaar. 2.18.
- Het perceel van appellant is in het plan de bestemming “Agrarisch verwant bedrijf” toegekend. Daarmee is op deze gronden blijkens artikel 9, lid A, onder 1, van de planvoorschriften uitsluitend de bedrijfsvorm toegestaan, welke in de bijbehorende kolommen voor die locatie is aangegeven. Het bestemmingsvlak is voorzien van de aanduiding “22”. Het schema in artikel 9 van de voorschriften vermeldt bij dit nummer het adres “Ravensgat 8” en de bedrijfsvorm “Loonwerkbedrijf”. Derhalve niet het adres en de bedrijfsvorm die op appellant betrekking hebben. Uit de overwegingen van verweerders kan niet worden afgeleid dat verweerders bezwaar hebben tegen het als zodanig bestemmen van de ter plaatse sinds 1987 plaatsvindende meubelrestauratie werkzaamheden. De bezwaren van verweerders richten zich tegen de vestiging van een dierenpension op dit perceel. 2.18.2.
- Verweerders merken een dierenpension aan als een aan de agrarische sector verwante bedrijvigheid. Het provinciaal beleid staat de vestiging van aan de agrarische sector verwante bedrijvigheid toe in een vrijkomende, in een bebouwingsconcentratie liggende, agrarische bedrijfsbebouwing, indien deze bebouwing vrijkomt door bedrijfsbeëindiging, sanering in redelijkheid niet kan worden verlangd en herbezetting met een agrarisch bedrijf of een andere aan het buitengebied gebonden functie niet mogelijk is. Daarbij gelden onder meer de voorwaarden dat de cultuurhistorische, landschappelijke of natuurlijke waarden geen geweld mogen worden aangedaan en de agrarische ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen bedrijven niet mogen worden beknot. Onder bebouwingsconcentratie verstaan verweerders een door een besluit van de gemeenteraad aangegeven kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster met een historisch gegroeide menging van kleinschalige buitengebied- en niet-buitengebied functies. De Afdeling ziet geen aanleiding dit beleid onredelijk te achten. 2.18.2.
- Onbestreden is dat appellant tot 1987 ter plaatse een varkenshouderij heeft uitgeoefend en dat sindsdien een groot deel van de agrarische bebouwing leeg staat. De vertegenwoordiger van de gemeenteraad heeft ter zitting onweersproken verklaard dat het perceel in een bebouwingsconcentratie ligt, buiten de groene hoofdstructuur. De landschappelijke en natuurlijke waarden van het gebied worden volgens het deskundigenbericht door de vestiging van een dierenpension niet aangetast, nu slechts een inpandige verbouwing van de voormalige varkensstal nodig is en geen uitbreiding van de bebouwing. Voorts is gesteld noch gebleken dat de agrarische ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen bedrijven door de vestiging van een dierenpension kunnen worden beknot. 2.18.2.
- Nu bovendien reeds jarenlang activiteiten in de vorm van meubelrestauratie op dit perceel worden verricht, die niet aan het buitengebied zijn gebonden, hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende onderzocht of – zo de vestiging van een dierenpension al in strijd is met het provinciaal beleid – afwijking van het beleid in dit geval niet in de rede kan liggen. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, in zoverre aan de onthouding van goedkeuring ook de motivering ten grondslag is gelegd dat de vestiging van een dierenpension ter plaatse niet is toegestaan, in strijd is met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 17] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Nu de onthouding van goedkeuring voor het overige – doordat zij niet is bestreden - in stand kan blijven, ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring aan dit plandeel te onthouden. 2.
- Handelsonderneming Intracoat en [appellant sub 7] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan het plan, in zoverre het betreft het zuidelijk gedeelte van hun gronden [locatie sub 7], achter de burgerwoning, waaraan in het plan de bestemming “Niet-agrarisch bedrijf” is toegekend. Zij bestrijden dat daar bos aanwezig is. Zij hebben dit deel ook in gebruik voor bedrijfsdoeleinden. 2.19.
- Verweerders hebben goedkeuring onthouden aan dit plandeel met de bestemming “Niet-agrarisch bedrijf”, omdat op dit deel van het bestemmingsvlak bos staat. 2.19.
- Ter zitting hebben verweerders verklaard dat zij zich hebben vergist en dat zij ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan dit plandeel. Nu verweerders zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gevormd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel van het plan betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van Handelsonderneming Intracoat en [appellant sub 7] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op de verklaring van verweerders ter zitting en op de omstandigheid dat tegen dit plandeel geen bedenkingen waren ingediend, ziet de Afdeling aanleiding alsnog goedkeuring te verlenen aan dit plandeel. 2.
- [appellanten sub 11] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan een gedeelte van het plandeel met de bestemming “Niet–agrarisch bedrijf” met de aanduiding “autosloperij annex garagebedrijf” betreffende het noordelijke deel van hun perceel [locatie sub 11]. Zij stellen dat de binnen het bestemmingsvlak staande loodsen niet illegaal zijn gebouwd en dat het bedrijfscomplex met medewerking dan wel medeweten van de overheid tot stand is gekomen, zodat hun met het oog op een rendabel voortbestaan van hun bedrijf een reële uitbreidingsmogelijkheid moet worden geboden. 2.20.
- Verweerders hebben dit plandeel in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben overwogen dat het bestemmingsvlak overeenkomt met dat in een eerder plan, waaraan zij in maart 1989 goedkeuring hebben onthouden, omdat het een ruime verdubbeling van het bedrijf inhield. Deze uitbreiding strookt nog steeds niet met hun beleid. Verweerders stellen zich op het standpunt dat appellanten met de twee loodsen, die illegaal zijn gebouwd maar met dit plan als zodanig worden bestemd, een voldoende uitbreidingsmogelijkheid is gegeven. Nu een deel van het bestemmingsvlak niet voor bedrijfsdoeleinden wordt benut, dit deel onbebouwd is en in het gebied met de medebestemming “Archeologisch waardevol gebied” ligt, hebben verweerders aan dit deel van het bestemmingsvlak goedkeuring onthouden. 2.20.
- De bedrijfsgronden van appellanten zijn in het plan opgenomen met de bestemming “Niet-agrarisch bedrijf” met de aanduiding “autosloperij annex garagebedrijf”. Met deze bestemming is het bedrijf als zodanig opgenomen in het plan. Verweerders hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat het bedrijf niet kan worden aangemerkt als een bedrijf dat functioneel aan het buitengebied gebonden is. Uit het streekplan volgt dat het provinciaal beleid erop is gericht verdere verstening van het buitengebied te voorkomen door uitbreiding en nieuwvestiging van niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing tegen te gaan. Niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijven horen gezien uitstraling en milieuhygiënische overwegingen thuis op een bedrijventerrein. Het beleid is er dienaangaande primair op gericht dat niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid wordt gesaneerd. Slechts indien dat niet mogelijk is gebleken en een positieve bestemming tot de mogelijkheden behoort, gezien de ligging ten opzichte van de andere functies en waarden in de omgeving, kan voor een bestaand bedrijf een positieve bestemming worden opgenomen waarbij tevens een redelijke uitbreidingsmogelijkheid kan worden geboden. In zijn algemeenheid wordt voor een redelijke uitbreiding een percentage van 10-15% gehanteerd. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. 2.20.2.
- Het deel van het bestemmingsvlak waaraan verweerders goedkeuring hebben verleend, omvat de bestaande bedrijfsbebouwing, maar dat biedt blijkens het deskundigenbericht, vanwege de omvang en situering van de gebouwen, geen uitbreidingsmogelijkheid. De stelling van verweerders dat appellanten met het opnemen in het plan van de twee, illegaal gebouwde loodsen een voldoende uitbreidingsmogelijkheid is geboden, acht de Afdeling niet aannemelijk. Deze loodsen zijn reeds in 1986 gebouwd, waarvan overigens in elk geval één met vergunning, zodat van een uitbreidingsmogelijkheid voor de komende planperiode geen sprake is. Voorts blijkt uit het deskundigenbericht en de verklaring van het gemeentebestuur dat, anders dan verweerders stellen, het deel waaraan verweerders goedkeuring hebben onthouden al jarenlang voor bedrijfsdoeleinden (stalling van autowrakken) in gebruik is en dat daartegen niet zal worden opgetreden. Toekenning van de bestemming “Niet-agrarisch bedrijf” als voorzien in dit plan, zal bovendien blijkens het deskundigenbericht gelet op dit jarenlange gebruik, geen aantasting van de aanwezige waarden opleveren. Derhalve hebben verweerders onvoldoende gemotiveerd waarom appellanten niet overeenkomstig het provinciale beleid een redelijke uitbreidingsmogelijkheid in dit plan kan worden toegekend en zijn verweerders bovendien – wat betreft het gebruik van het terrein – uitgegaan van een onjuiste feitelijke situatie. 2.20.2.
- Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering en bovendien is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellanten sub 11] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 en met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd 2.
- [locatie sub 16] heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte niet tevens aan de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied” betreffende het perceel [locatie sub 16] de motivering ten grondslag hebben gelegd dat zijn loodgietersbedrijf en de aanwezige loodsen voor dit loodgietersbedrijf als zodanig moeten worden bestemd. Appellant heeft betoogd dat de toegekende bestemming niet uitvoerbaar zal zijn. 2.21.
- Verweerders stellen zich op het standpunt dat appellant op dit perceel geen loodgietersbedrijf uitoefent. Zij baseren zich op een tweetal verkenningen ter plaatse, op de omstandigheid dat appellant niet over een milieuvergunning beschikt, een vestiging op het bedrijventerrein Hilakker heeft en niet als loodgietersbedrijf staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken. Niettemin hebben verweerders goedkeuring onthouden aan de bestemming “Agrarisch gebied”, omdat zij van mening zijn dat de gemeenteraad wat betreft de op het perceel aanwezige burgerwoning onzorgvuldig tewerk is gegaan door zich niet op de hoogte te stellen van alle in het geding zijnde belangen. 2.21.
- Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat op het perceel drie, bouwvallige, voormalige agrarische bedrijfsgebouwtjes staan, die gebruikt worden voor de opslag van loodgietersmaterialen. In de woning is een kantoortje ingericht. Op het perceel vinden geen loodgieterswerkzaamheden plaats. Onder deze omstandigheden konden verweerders het standpunt innemen dat ter plaatse geen loodgietersbedrijf is gevestigd. Voorts is, naar hiervoor onder 2.20.2 is overwogen, het provinciale beleid om niet aan het buitengebied gebonden functies zoveel mogelijk daaruit te weren en nieuwvestiging tegen te gaan, niet onredelijk. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, behoefden verweerders geen aanleiding te zien van hun beleid af te wijken. Verweerders hebben ter zitting verklaard dat appellant ook zonder bedrijfsbestemming de vervallen opstallen mag vervangen en dat enige opslag van materiaal, als ondergeschikt aan het wonen, een eventuele woonbestemming niet in de weg behoeft te staan. 2.21.
- Gezien het vorenstaande behoefden verweerders aan de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Agrarisch gebied” betreffende het perceel van appellant niet ook de motivering ten grondslag leggen dat ter plaatse de vestiging van een loodgietersbedrijf dient te worden toegestaan. Het beroep van [locatie sub 16] is derhalve ongegrond. 2.
- [appellant sub 4] heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, in zoverre haar woning aan de [locatie sub 4] niet als zodanig is bestemd. Appellante doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en verwijst daartoe naar een brief van het gemeentebestuur van 16 september
- 2.22.
- Verweerders hebben geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening. Zij stellen zich op het standpunt dat sprake is van een voormalige agrarische opstal die voor woondoeleinden wordt aangewend, maar die niet voldoet aan de eisen die aan een woning gesteld moeten worden en ook wat verschijningsvorm betreft niet geschikt is voor bewoning. 2.22.
- Binnen het op de plankaart aangegeven vlak met de bestemming “Burgerwoning” staan blijkens de stukken een voormalige, agrarische bedrijfswoning op het adres [locatie sub 4] en een zonder bouwvergunning, in de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gerealiseerde woning [locatie sub 4]. Laatstgenoemde woning omvat blijkens het deskundigenbericht een huiskamer met keuken, twee slaapkamers, sanitair en een opslagruimte. Het heeft een eigen oprit en tuin. In artikel 1, onder 69, van de planvoorschriften wordt een woning gedefinieerd als een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden. Gelet hierop acht de Afdeling het standpunt van verweerders dat op het adres [locatie sub 4] geen volwaardige woning aanwezig is onjuist. 2.22.2.
- Ingevolge artikel 14, lid A, onder 1, van de planvoorschriften zijn de gronden die op de plankaart zijn aangewezen als “Burgerwoning” bestemd voor woondoeleinden in de vorm van instandhouding en herbouw van de aanwezige burgerwoningen. Voorts mag ingevolge lid B, onder 3, van dit artikel binnen elk op de plankaart afzonderlijk aangeduid bestemmingsvlak slechts één woning aanwezig zijn. Nu binnen het plandeel twee volwaardige woningen staan, is rechtsonzeker welke woning in het plan als zodanig is bestemd. Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door het plan niettemin goed te keuren, hebben verweerders gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding goedkeuring te onthouden aan dit plandeel. 2.
- De N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, in zoverre langs haar leidingen in het plangebied geen veiligheidszone is opgenomen als voorzien in de circulaire “Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie” van het ministerie van VROM. Voorts ontbreekt naar de mening van appellante in het plan de mogelijkheid schakelgebouwtjes te plaatsen. 2.23.
- Verweerders hebben geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening. Zij stellen zich op het standpunt dat in het plan een belemmeringszone is voorzien en dat het niet nodig is een toetsingszone in het plan op te nemen, omdat het plan geen ontwikkelingen mogelijk maakt als genoemd in de door appellante aangehaalde circulaire. Het recreatiebedrijf De Kanthoeve betreft een bestaande situatie, aldus verweerders. Wat het oprichten van schakelgebouwtjes betreft, stellen verweerders zich op het standpunt dat de planvoorschriften zich daartegen niet verzetten. 2.23.
- Appellante exploiteert twee olieleidingen van Rotterdam naar Venlo, die onder meer door het plangebied lopen. Aan deze leidingen is in het plan de medebestemming “Leidingen” en de aanduiding “leiding ondergronds” toegekend. Artikel 22, lid B, onder 1, bepaalt dat aan weerszijden van deze leidingen een belemmeringszone geldt van 10 m. Voor de gronden met deze aanduiding geldt met inbegrip van de belemmeringszone, een bouwverbod. Voorts dient blijkens de circulaire van het ministerie van VROM “Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie” een bebouwingsafstand in acht te worden genomen tussen het hart van een leiding en woonbebouwing, een bijzonder object (school, ziekenhuis of winkelcentrum), een recreatieterrein of een industrieterrein. Deze (voor de specifieke situatie te berekenen) afstand is volgens het deskundigenbericht voor een K1-leiding van 12 inch – als hier aanwezig –meer dan 16 m. Ook beveelt de genoemde circulaire van VROM een afstand tussen de leiding en woonbebouwing, bijzondere objecten, recreatieterreinen en industrieterreinen aan, waarbinnen getoetst dient te worden of genoemde bebouwing toelaatbaar is. Volgens het deskundigenbericht zal deze toetsingsafstand in het geval van de K1-leidingen van appellante groter zijn dan 55 respectievelijk 65 m die voor een K2- respectievelijk K3-leiding gelden. 2.23.
- Binnen genoemde afstanden van de leidingen van appellante ligt – zo is de Afdeling gebleken – de camping “De Kanthoeve”. Deze camping met recreatieve bebouwing ligt op minder dan 5 m van die leidingen. De gronden van deze camping zijn in het plan opgenomen met de bestemming “Recreatiebedrijf” en met de aanduiding “Recreatiepark met café-restaurant”. De in de planvoorschriften opgenomen bebouwingsregeling voor gronden met deze bestemming staat het (opnieuw) bouwen van recreatiewoningen binnen de bebouwingsafstand en de toetsingsafstand zonder meer toe in afwijking van de genoemde VROM circulaire. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat verweerders onvoldoende hebben gemotiveerd dat het opnemen van een bebouwingsvrije zone en een toetsingszone in artikel 22, lid B, onder 1, sub a, van de planvoorschriften niet nodig is. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. 2.23.
- Omtrent het betoog van appellante dat het plan het oprichten van schakelgebouwtjes niet toestaat, stelt de Afdeling vast dat artikel 22, lid B, onder 2, sub a, burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft vrijstelling te verlenen van het binnen de aanduiding “leiding ondergronds” en de belemmeringszone geldende bouwverbod voor het bouwen van bouwwerken als toegestaan ingevolge de ter plaatse mede aangewezen bestemming, indien de belangen van de leiding(en) zich hiertegen niet verzetten en vooraf advies is ingewonnen van de beheersinstantie van de desbetreffende leidingen. Hoewel deze bepaling de indruk wekt dat vrijstelling alleen kan worden overwogen ten dienste van de medebestemming niet zijnde “Leidingen”, staat de redactie van deze bepaling naar het oordeel van de Afdeling niet in de weg aan het gebruik maken van deze bepaling ook voor het verlenen van vrijstelling voor het oprichten van schakelgebouwtjes ten behoeve van de medebestemming “Leidingen”. Dit heeft de gemeenteraad bij de vaststelling van dit planvoorschrift ook beoogd. Ook anderszins is de Afdeling niet gebleken dat het plan zich verzet tegen het oprichten van schakelgebouwtjes langs de leidingen van appellante. Gelet hierop hebben verweerders zich in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij is in zoverre ongegrond. Proceskostenveroordeling 2.
- Ten aanzien van [appellant sub 10], [appellant sub 18], [appellant sub 17], Handelsonderneming Intracoat en [appellant sub 7], [appellanten sub 11], [appellant sub 4], en [partij]k dienen verweerders op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel en de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart niet-ontvankelijk: - het beroep van [appellant sub 1] en - de beroepsgrond van [appellant sub 8] betreffende het aanlegvergunningvereiste voor het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen; II. verklaart de beroepen van [appellant sub 10], burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel, [appellant sub 17], Handelsonderneming Intracoat en [appellant sub 7], [appellanten sub 11], en [appellant sub 4] geheel en de beroepen van [appellant sub 18] en de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij gedeeltelijk gegrond; III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 28 september 1999, BG 601299, voorzover het betreft a. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Agrarisch bouwblok” betreffende het perceel [locatie]; b. de goedkeuring van het plandeel met de aanduiding “oude akker” betreffende een perceel aan de [locatie], als nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart A; c. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming Natuur- en bosgebied” betreffende het perceel in het bosgebied Stippelberg; d. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch verwant bedrijf” betreffende het perceel [locatie sub 17]; e. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Niet-agrarisch bedrijf” betreffende het zuidelijke gedeelte van het perceel [locatie sub 7]; f. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Niet-agrarisch bedrijf” met de aanduiding “autosloperij annex garagebedrijf” betreffende het noordelijke deel van het perceel [locatie sub 11]; g. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Burgerwoning” betreffende het perceel [locatie sub 4]; h. de goedkeuring van artikel 22, lid B, onder 1, sub a; IV. onthoudt goedkeuring aan - het plandeel met de bestemming “Agrarisch verwant bedrijf” betreffende het perceel [locatie sub 17]; - het plandeel met de bestemming “Burgerwoning” betreffende het perceel [locatie sub 4] en 4a; V. verleent goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Niet-agrarisch bedrijf” betreffende het zuidelijke gedeelte van het perceel [locatie sub 7]; VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de onder III, aanhef en onder d., e. en g vermelde onderdelen van het vernietigde besluit; VII. verklaart de beroepen van de Werkgroep Behoud de Peel/BMF, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 9], [appellant sub 12], [appellant sub 13], de maatschap [appellant sub 14], en van [locatie sub 16] geheel en van [appellant sub 8], [appellant sub 18], en de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij voor het overige ongegrond; VIII. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten ten aanzien van: - [appellant sub 10], [appellant sub 18], [appellant sub 17], Handelsonderneming Intracoat en [appellant sub 7], [appellanten sub 11], afzonderlijk tot een bedrag van € 644,00, dat geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - [appellant sub 4], tot een bedrag van € 128,46 en - [partij] tot een bedrag van € 203,28; deze bedragen dienen door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan genoemde (rechts)personen; IX. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellant sub 10], [appellant sub 18], [appellant sub 17], [appellanten sub 11], en [appellant sub 4], afzonderlijk het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt en aan burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel, Handelsonderneming Intracoat en [appellant sub 7], en de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij afzonderlijk het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt. Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen , Leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat. w.g. Dolman w.g. Nolles Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002 291-.