(1982), gepubliceerd in BR 1984, p. 591, waarnaar ook in de uitspraak van de president van 22 juni 1998 is verwezen, moet bij de toetsing van een bouwplan aan het van toepassing zijnde bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het beoogde bouwwerk kan worden gebruikt overeenkomstig de bestemming die rust op het betrokken perceel, maar mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. In de uitspraak van de president van 22 juni 1998 is voorts overwogen dat redelijkerwijs niet valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet en burgemeester en wethouders om die reden de gehele bouwvergunning wegens strijd met het bepaalde in artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet hadden moeten weigeren. Voorts is daarin overwogen dat het in geding zijnde bouwplan niet ziet op het realiseren van een supermarkt en dat de vraag of een supermarkt in het pand mag worden gevestigd derhalve bij de beoordeling van het onderhavige bouwplan niet kan worden betrokken maar in een afzonderlijke procedure zal dienen te worden beantwoord. 2.
- Uit de vorenstaande overwegingen volgt dat ten tijde van het besluit van 13 oktober 1998 het betrokken pand overeenkomstig artikel 4, eerste en derde lid, van de planvoorschriften beoogd werd te gebruiken. Nu destijds voor het onderhavige gedeelte van de begane grond van het pand een bouwvergunning is verleend waarvan het beoogde gebruik in overeenstemming is met de op het perceel rustende bestemming “Handel en Nijverheid”, komt aan het overgangsrecht waarop appellante thans een beroep doet geen betekenis meer toe. In een zodanig geval is het overgangsrecht, gelet op de aard en strekking daarvan, uitgewerkt. Dat de president in de uitspraak van 22 juni 1998 het beroep op het overgangsrecht niet heeft betrokken, maakt dit niet anders. Blijkens die uitspraak stond appellante op dat moment immers een gebruik voor dat in overeenstemming was met de bestemming “Handel en Nijverheid” als bedoeld in artikel 4 van de planvoorschriften. 2.
- Hieruit volgt dat burgemeester en wethouders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat voor het door appellante voorgestane gebruik een vrijstelling van het plan is vereist. De president is, zij het op andere gronden, tot een zelfde oordeel gekomen. 2.
- Gelet op het voorgaande komt de Afdeling niet meer toe aan gronden die in het hoger beroep voor het overige zijn aangevoerd. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. C.A. Terwee-van Hilten en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat. w.g. van Angeren w.g. Huijben Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002 313.