(1996)”. Het perceel van appellant is daarin bestemd tot “Agrarisch gebied”. Op de bij dit plan behorende ontwikkelingskaart heeft het perceel de aanduiding “ecologische hoofdstructuur + bufferzone”. Ingevolge artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften zijn op deze gronden nieuwbouw van agrarische bedrijfsbebouwing ten behoeve van veehouderij, en het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte daarvan, niet toegestaan. Ingevolge artikel 5, twaalfde lid, van planvoorschriften, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders, indien de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond, vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 5, onder d. 2.
- Vast staat dat het bouwplan in strijd is met artikel 5, vijfde lid, onder d, voornoemd, nu nieuwbouw van agrarische bedrijfsbebouwing ten behoeve van veehouderij binnen een op de ontwikkelingskaart als zodanig aangeduide “ecologische hoofdstructuur + bufferzone” niet is toegestaan. 2.
- De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat burgemeester en wethouders in redelijkheid tot het oordeel zijn kunnen komen dat de (nieuwbouw) schuur niet noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Dat appellant in die schuur in plaats van caravans schapen zou kunnen en willen stallen, of daarin een ziekenboeg voor zijn varkens zou willen onderbrengen doet daaraan niet af, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat deze plannen enige relatie hebben met de doelmatigheid van de bestaande agrarische bedrijfsvoering. Dat een milieuvergunning verleend is, leidt evenmin tot een ander oordeel. Derhalve was het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 5, twaalfde lid, van de planvoorschriften niet mogelijk. 2.4.
- Nu de strijdigheid met het bestemmingsplan niet kon worden opgeheven, konden burgemeester en wethouders de gevraagde bouwvergunning, gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Woningwet, dan ook slechts weigeren en de bezwaren daartegen ongegrond verklaren. De voorzieningenrechter heeft dit met juistheid overwogen. 2.
- Vast staat voorts dat de schuur is gebouwd zonder de daartoe vereiste bouwvergunning. Burgemeester en wethouders waren derhalve bevoegd daartegen handhavend op te treden. 2.
- Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen een illegale situatie. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering daarvan. 2.
- Vast staat dat het geldende bestemmingsplan zich verzet tegen het gebouwde en dat legalisering ervan, zoals hiervoor onder overweging 2.4 is overwogen, op korte termijn ook anderszins niet in de rede ligt. 2.
- Ook overigens levert hetgeen appellant naar voren heeft gebracht en hetgeen daaromtrent uit de stukken is gebleken geen bijzonder geval op, op grond waarvan moest worden afgezien van handhavend optreden. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat. w.g. Claessens w.g. Van Roosmalen Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2002 52-387.