(1996)” (hierna: Provinciaal geurhinderbeleid). De Afdeling overweegt dat in de bijbehorende bijlage 10, van welke bijlage verweerders ter zitting uitdrukkelijk hebben betoogd dat deze door eenieder kan worden ingezien, uiteen wordt gezet hoe het begrip indicatieve geurdrempelwaarde door hen wordt ingevuld. De indicatieve gemiddelde hinderdrempel wordt gedefinieerd als het gevalideerd klachtenaantal per kwartaal als functie van de omvang van de populatie en het aantal klagers. De populatie-omvang wordt gedefinieerd als het aantal inwoners binnen het aandachtsgebied. In de in de bijlage opgenomen tabel worden ter bepaling van de indicatieve gemiddelde hinderdrempel aantallen gevalideerde klachten en aantallen klagers afgezet tegen vier onderscheiden populatiegroottes. De validiteit van een klacht wordt beoordeeld aan de hand van vijf criteria, waaronder de historie van de klager in relatie tot eerdere (geverifieerde) klachten. Per criterium kan een score behaald worden van +1, 0 of -
- Deze scores, voorzover voorhanden, worden bij elkaar geteld. Indien het aldus bereikte totaal tenminste +1 is, is de klacht gevalideerd. De Afdeling is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat niet met vrucht kan worden gesteld dat de invulling van het begrip indicatieve geurdrempelwaarde onduidelijk is. Voorts is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van een ondeugdelijke beoordeling van klachten van freqente klagers, mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat de historie van de klager slechts een van de vijf criteria is op grond waarvan de validiteit van de klacht wordt beoordeeld. 2.
- Appellanten sub 1 vrezen dat verweerders onvoldoende handhavend zullen optreden. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. 2.
- De beroepen dienen ongegrond te worden verklaard. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep van appellanten sub 1 en dat van appellante sub 2 ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.J. Overdijk, ambtenaar van Staat. w.g. Boll w.g. Overdijk Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2002 320.