(6)bepaald. Voorts is bepaald dat uitsluitend gestapelde woningen zijn toegestaan. Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de doelstellingen voor het uit te werken plan op zodanige wijze worden aangegeven dat voldoende inzicht wordt verkregen in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van het plangebied. De Afdeling is dan ook van oordeel dat verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat de uitwerkingsregels niet in strijd zijn met artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening of artikel 13, tweede lid, van het Bro
- 2.
- [Appellanten sub 2], de Vereniging Watersnood Herten e.a. en [appellanten sub 4] stellen dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan artikel 1, onder v, waarin het begrip aanlegniveau is omschreven. Appellanten zijn van mening dat uitgegaan moet worden van 0,85 m boven de hoogste grondwaterstand, zulks vanwege mogelijk kwelwater. 2.9.
- Verweerders hebben in het bezwaar van appellanten geen aanleiding gezien goedkeuring te onthouden aan artikel 1, onder v. Zij zijn van mening dat in dit artikel terecht is aangesloten bij de hoogste grondwaterstand die eenmaal in de 1250 jaar voorkomt. 2.9.
- Ingevolge artikel 1, onder v, wordt onder aanlegniveau verstaan: het niveau dat gelegen is op 0,1 meter boven de hoogste grondwaterstand, die eens in de 1250 jaar voorkomt. Deze hoogste grondwaterstand is berekend op basis van de Maaswaterstand die eens in de 1250 jaar voorkomt, overeenkomstig de onherroepelijke beschikking van de minister van Verkeer en Waterstaat ingevolge de Rivierenwet ten behoeve van de ophoging van (delen van) het plangebied. Ingevolge artikel 1, onder y, wordt onder de beschikking van de minister van Verkeer en Waterstaat verstaan: de onherroepelijke beschikking van de minister van Verkeer en Waterstaat ingevolge de Rivierenwet ten behoeve van de ophoging van het plangebied en de aanleg en ophoging van de kades. 2.9.
- De Afdeling stelt vast dat in artikel 1, onder v en y, niet nader is gepreciseerd welke onherroepelijke beschikking van de minister van Verkeer en Waterstaat wordt bedoeld. Ter zitting is gesteld dat de beschikking waarnaar bedoeld is te verwijzen na de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2001, 200005039/1 onherroepelijk is geworden en dat het element 'onherroepelijk' is opgenomen omwille van de rechtszekerheid. Nu een precieze beschrijving van de bedoelde beschikking met datum en kenmerk in artikel 1, onder v en y, ontbreekt en op het moment van de vaststelling van deze bepaling geen zekerheid bestond omtrent het onherroepelijk karakter van welke beschikking dan ook, kan uit deze begripsbepalingen niet eenduidig worden afgeleid welk aanlegniveau in acht moet worden genomen. De Afdeling acht deze voorschriften dan ook in strijd met de rechtszekerheid. Door artikel 1, onder v en y, niettemin goed te keuren hebben verweerders gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen van [appellanten sub 2], de Vereniging Watersnood Herten e.a. en [appellanten sub 4] zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om alsnog goedkeuring te onthouden aan artikel 1, onder v en y. 2.
- [appellanten sub 2], de Vereniging Watersnood Herten e.a. en [appellanten sub 4] stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de mogelijkheid die het plan biedt gestapelde woningbouw op te richten. Gestapelde woningbouw leidt tot visuele hinder. Zij vinden dit met name bezwaarlijk in de omgeving van de Oolderplas. 2.10.
- De gemeenteraad heeft overwogen dat slechts op enkele plaatsen in het plangebied gestapelde woningbouw is toegestaan. De situering is zodanig gekozen dat enkele markante punten in het plangebied worden geaccentueerd. Mede door de beperkte hoogte van vier tot zes bouwlagen is volgens de gemeenteraad geen sprake van horizonvervuiling en visuele hinder. Verweerders hebben ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad. 2.10.
- De Afdeling overweegt dat het plan voorziet in de bouw van gestapelde woningen op gronden met de bestemmingen "Woongebied 2", "Groengebied 1" en "Woongebied 5". Met de situering van de gestapelde woningbouw op gronden met de bestemming "Woongebied 2" wordt beoogd het toekomstige woongebied de Veste een eigen karakter te geven. De gestapelde woningbouw die op gronden met de bestemming "Groengebied" is voorzien is gesitueerd ter accentuering van de westelijke entree van de centrale as die van west naar oost door het plangebied zal worden aangelegd. De gestapelde woningen op de als "Woogebied 5" bestemde gronden zal volgens de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 8, tweede lid, als blikvanger fungeren. Verweerders konden naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid oordelen dat de enigszins hoger geplande bebouwing zal bijdragen aan de herkenbaarheid van het gebied en aan de stedenbouwkundige kwaliteit daarvan. Appellanten hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat de bouwmogelijkheden die het plan in de nabijheid van de Oolderplas biedt zullen leiden tot een ernstige aantasting van het landschap en ernstige visuele hinder. Het standpunt van verweerders dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening acht de Afdeling dan ook niet onredelijk. 2.
- [Appellanten sub 2], de Vereniging Watersnood Herten e.a. en [appellanten sub 4] vinden het bezwaarlijk dat goedkeuring is verleend aan de bestemming "Woondoeleinden 1" voor delen van de percelen met de kadastrale nummers 3247, 2894, 2344 en
- Deze gronden hadden in het ontwerpplan de bestemming "Groengebied 1" en maakten daarmee onderdeel uit van de Groene Slenk die een waterafvoerende functie voor het plangebied heeft. De woningbouwmogelijkheden die bij de vaststelling van het plan zijn gecreëerd doen naar de mening van appellanten afbreuk aan het waterbergend vermogen van de Groene Slenk. 2.11.
- De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan voor delen van deze percelen de bestemming "Woongebied 1" opgenomen. De gemeenteraad kwam hiermee deels tegemoet aan de wensen van de eigenaren van deze percelen. Na onderzoek is volgens de gemeenteraad bovendien gebleken dat de groenvoorziening hier minder groot kan zijn, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de waterafvoerende functie van de Groene Slenk. Verweerders hebben ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad. 2.11.
- De bestemming "Woongebied 1" is toegekend aan de bestaande, te handhaven, woonbebouwing in het plangebied. Ingevolge artikel 4, eerste lid, zijn de op de plankaart voor "Woongebied 1" aangewezen gronden, voor zover relevant, bestemd voor woondoeleinden, met dien verstande dat een woning uitsluitend is toegestaan in de hoofdbebouwing, die als zodanig bestaat ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan. Het plan staat derhalve ter plaatse geen nieuwe woningbouw toe, zodat het bezwaar van appellanten dat nieuwe woningbouw op deze percelen zal leiden tot noodzakelijke ophogingen en om die reden een groot nadelig effect zal hebben op de bergingscapaciteit van de Groene Slenk, feitelijke grondslag mist. Verweerders hebben dan ook in dit bezwaar van appellanten in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. 2.
- [Appellanten sub 2], de Vereniging Watersnood Herten e.a. en [appellanten sub 4] zijn van mening dat de ter hoogte van de Molenweg liggende steilrand en de gronden grenzend daaraan ten onrechte in het plangebied zijn opgenomen. Het betreft volgens appellanten de bestemming "Woongebied 1" langs de Molenweg. 2.12.
- Verweerders hebben overwogen dat de steilrand de bestemming "Groengebied 1" heeft en onderdeel uitmaakt van de Groene Slenk. De steilrand is daarmee gevrijwaard van bebouwing. De door appellanten voorgestelde bebouwingsvrije zone grenzend aan de steilrand is volgens verweerders niet realistisch vanwege de noodzakelijke capaciteit van het plan en ook niet noodzakelijk voor de herkenbaarheid en bescherming van de steilrand. 2.12.
- Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. De steilrand ter hoogte van de Molenweg heeft de bestemming "Groengebied 1". Ingevolge artikel 11, eerste lid, zijn gronden met deze bestemming onder meer bestemd voor de instandhouding van de landschappelijk waardevolle steilrand, ter plaatse waar deze aanwezig is. De gronden met de bestemming "Groengebied 1" hebben voorts een waterbergende functie voor het plangebied en dienen ter afscherming van de bestaande woonbebouwing aan de Molenweg en de nieuwe woningen in Oolder Veste. De Afdeling is, gezien het voorgaande, van oordeel dat in dit geval verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat zij deze ook overigens terecht hebben goedgekeurd. 2.
- [Appellanten sub 2], de Vereniging Watersnood Herten e.a. en [appellanten sub 4] stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de bestemming "Verkeersdoeleinden" voor de aanleg van de Structuurweg. Zij bestrijden de noodzaak van de aanleg van de weg en zijn van mening dat alternatieve ontsluitingsroutes uit een oogpunt van verkeersveiligheid en geluidsoverlast de voorkeur verdienen. [Appellanten sub 4], bewoners van de woning [locatie], voeren voorts aan dat hun woon- en leefklimaat door de aanleg van de Structuurweg ernstig zal worden aangetast door toeneming van geluid- en trillinghinder. Zij wijzen erop dat in strijd met het bepaalde in de Wet geluidhinder de voor hun woning en enkele andere woningen benodigde hogere grenswaarde pas na de vaststelling van het plan is verleend. Zij menen verder dat de geluidsbelasting voor hun woning onvoldoende kan worden gereduceerd door het treffen van maatregelen. Het akoestisch onderzoek ter zake vinden zij niet juist. Verder vrezen zij voor verkeersonveilige situaties ter hoogte van de ontsluiting van hun perceel op de Structuurweg. 2.13.
- De gemeenteraad heeft voor de hoofdontsluiting van de woonwijk gekozen voor de aanleg van de Structuurweg, een nieuwe verbinding aan de noordzijde van de wijk die de Offerkamp met de Broekveeweg verbindt. De gemeenteraad heeft daartoe overwogen dat dit tracé als beste variant uit een onderzoek naar de ontsluitingsmogelijkheid van het plangebied op de Rijksweg N271 naar voren komt. Met de aanleg van de Structuurweg en maatregelen in de kernen wordt het uitgangspunt dat de verkeersoverlast in de kernen Merum en Herten tot een minimum wordt beperkt, gerealiseerd, aldus de gemeenteraad. De Structuurweg vormt verder voor het recreatieve verkeer naar de Oolderplas een directe ontsluitingsroute. Voorts heeft de gemeenteraad overwogen dat uit nader onderzoek was gebleken dat met een kleine verschuiving van het tracé het pand Offerkamp 5 kan worden gehandhaafd. Bij de vaststelling van het plan werd in afwijking van het ontwerp aan dit pand alsnog de bestemming "Woongebied 1" toegekend. Verweerders hebben ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad. 2.13.
- Uit de stukken blijkt dat de kernen Herten en Merum sinds jaren te maken hebben met een toeneming van het verkeer dat van en naar de recreatieve voorzieningen in de omgeving van Herten rijdt. Dit bestaande probleem en het gegeven dat de aanleg van een nieuwe woonwijk tot extra verkeersbewegingen op deze bestaande infrastructuur zal leiden, zijn voor het gemeentebestuur aanleiding geweest in het kader van de planvorming de ontsluiting van het plangebied te laten onderzoeken. De ontsluiting diende zodanig vormgegeven te worden dat een verbetering van de bereikbaarheid van de kernen Herten, Ool en Merum en van de verschillende recreatieve voorzieningen wordt bereikt. Verder zou de leefbaarheid en de veiligheid kunnen worden verhoogd door het onttrekken van verkeer aan de kernen. De Afdeling is gezien het vorenstaande en mede gelet op het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, waarin is gesteld dat de huidige infrastructuur niet voldoet om het extra verkeer van de woonwijk te verwerken, van oordeel dat aannemelijk is gemaakt dat de aanleg van een nieuwe weg ter ontsluiting van het gebied nodig is. Voor de keuze van het tracé van de ontsluitingsweg zijn twee varianten onderzocht: het Offerkamptracé en het Scheperswegtracé. De gemeenteraad heeft mede op basis van het onderzoek Structuurweg Herten/Ool, vergelijkend onderzoek Tracé-alternatieven (Arcadis Heidemij Advies, 18 juni 1999), gekozen voor het Offerkamptracé. Het Offerkamptracé loopt aan de noordzijde van het plangebied door de Groene Slenk. De Groene Slenk en de weg zullen een zekere barrière vormen tussen de kern Herten en de nieuwe woonwijk. Niet aannemelijk is echter dat deze barrière zodanig is dat het gebied Oolder Veste als een geïsoleerd, niet bij de kern Herten behorend, gebied zal worden ervaren. In dat kader is onder meer van belang dat de wijk Oolder Veste en de kern Herten via de Merumerkerkweg, die vanuit beide gebieden op de Structuurweg uitkomt, met elkaar worden verbonden. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. 2.13.
- In artikel 76, eerste lid, van de Wet geluidhinder is, voor zover hier van belang, bepaald dat bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen de waarden in acht worden genomen die ingevolge de artikelen 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Ingevolge artikel 77 van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, wordt vanwege burgemeester en wethouders bij het voorbereiden van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74 van die wet, een akoestisch onderzoek ingesteld naar de geluidsbelasting die door woningen vanwege die weg zou worden ondervonden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsoverdracht beperken. Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, van het Bro 1985, geeft het bestemmingsplan, voor zover de uitvoering van de Wet geluidhinder zulks vereist, de functie van de voornaamste wegen, alsmede het dwarsprofiel dan wel het aantal rijstroken daarvan, aan. 2.13.
- De gevolgen van de aanleg van de Structuurweg en de reconstructie van de Offerkamp en de Merumerkerkweg/Bergstraat voor de geluidsbelasting op de gevels van bestaande en nieuwe woningen zijn onderzocht in het "Akoestisch onderzoek wegverkeer bestemmingsplan Oolder Veste te Roermond (eindrapport)" (Grontmij, 11 juli 2000). Ten behoeve van dit onderzoek is onder meer uitgegaan van de aanleg van een weg met twee rijstroken. Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van de aanleg van de Structuurweg en de reconstructies van de Offerkamp en de Merumerkerkweg/Bergstraat bij twintig nieuwe woningen en enkele bestaande woningen aan de Offerkamp en de Merumerkerkweg/Bergstraat en een school in Herten, na het treffen van bronmaatregelen (dubbellaags ZOAB) de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) als bedoeld in de artikelen 82 en 100 van de Wet geluidhinder zal worden overschreden. Voor deze woningen dient op grond van de Wet geluidhinder een hogere grenswaarde te worden verleend. 2.13.
- De Structuurweg en het deel van de Offerkamp dat onderdeel gaat uitmaken van de Structuurweg hebben in het plan de bestemming "Verkeersdoeleinden" gekregen. Ingevolge artikel 14, eerste lid, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor verkeersdoeleinden in de vorm van een wijkontsluitingsweg/structuurweg en fiets- en voetpaden. Anders dan in artikel 15 van het Bro 1985 is aangegeven is in het plan niet het aantal rijstroken bepaald of een dwarsprofiel opgenomen. De Structuurweg kan derhalve ook op een andere wijze worden aangelegd dan waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan. Het aan het plan ten grondslag gelegde akoestisch onderzoek geeft dan ook geen goed inzicht in de te verwachten geluidbelasting bij de nieuwe en bestaande woningen, waaronder die van [appellanten sub 4]. Verweerders konden zich dan ook bij de beoordeling van de te verwachten geluidsbelasting en de gevolgen van de aanleg van de weg voor het woon- en leefklimaat van [appellanten sub 4] niet baseren op dit onderzoek. Gelet op het vorenstaande is het plan in strijd met artikel 15, eerste lid, onder b, van het Bro
- Door het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" voor de Structuurweg en de Offerkamp niettemin goed te keuren, hebben verweerders in zoverre gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" voor de Offerkamp en de Structuurweg, te worden vernietigd. Uit het voorgaande volgt dat er rechtens in zoverre nog maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om tevens goedkeuring te onthouden aan het zojuist genoemde plandeel. Het bezwaar van appellanten over de verlening van de hogere grenswaarden behoeft gezien het voorgaande geen bespreking meer. 2.
- [Appellanten sub 2], de Vereniging Watersnood Herten e.a. en [appellanten sub 4] stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de bestemming "Recreatieve doeleinden", voor zover deze bestemming niet voorziet in het behoud dan wel de aanleg van 25 parkeerplaatsen, een oefenmuur, een materialenberging, ontsluitingspaden en de uitbreiding van het aantal tennisbanen naar tien. Voorts stellen appellanten dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de bestemming "Woongebied 3", voor zover gelegen op een kleinere afstand dan 50 meter van het tennispark. Appellanten zijn van mening dat deze afstand nodig is voor het voorkomen van hinder en vinden de in het plan opgenomen regeling ontoereikend. 2.14.
- De gemeenteraad heeft aan het tennispark de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de aanduiding "t" toegekend. Deze bestemming biedt naar zijn mening een toereikende regeling voor het bestaande tennispark. Verder heeft hij overwogen dat het, uitgaande van de vergunde geluidruimte, noodzakelijk is aan de noordkant van het tennispark een geluidswal op te richten van 3,5 meter hoog. De eerste rij te bouwen woningen langs het tennispark zal verder zodanig worden gebouwd dat op de verdieping van de woning aan de kant van het tennispark geen geluidgevoelige ruimte aanwezig is, aldus de gemeenteraad. In overleg met de tennisvereniging zal de verlichting zodanig worden aangepast dat voldaan kan worden aan het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Verweerders hebben ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad. 2.14.
- Ingevolge artikel 10, eerste lid, zijn de als "Recreatieve doeleinden", met de aanduiding "t" aangewezen gronden bestemd voor een tennisbaan. Ingevolge het tweede lid van artikel 10, mag de totale oppervlakte van gebouwen ten hoogste 200 m2 bedragen. De hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag ten hoogste 12 meter bedragen. De Afdeling stelt op grond van het vorenstaande vast dat het bestemmingsplan bouwmogelijkheden biedt voor bijvoorbeeld een materialenberging en een oefenmuur. Niet aannemelijk is gemaakt dat deze bouwmogelijkheden ontoereikend zouden zijn. Voorts hebben appellanten geen argumenten aangedragen voor de noodzaak van een verdere uitbreiding van parkeerplaatsen en tennisbanen. Verweerders hebben zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemming voor het tennispark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 2.14.
- Aan de noord- en westzijde van het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de aanduiding "t", zijn gronden bestemd tot "Woongebied 3". Ingevolge artikel 6, derde lid, onder c, kunnen woningen op een afstand van drie meter van het tennispark worden gebouwd. Ingevolge artikel 6, derde lid, onder g, mag zich, binnen een afstand van 50 meter tot de grens van de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de aanduiding "t", op de eerste bouwlaag van woningen geen geluidgevoelige ruimte aan de zijde van het tennispark bevinden. Het gemeentebestuur en verweerders zijn van mening dat met het bepaalde in artikel 6, derde lid, onder g, èn de aanleg van een geluidswal van 3,5 meter hoog, geluidhinder bij woningen in de nabijheid van het tennispark kan worden voorkomen. De Afdeling is van oordeel dat de handhaafbaarheid van de bepaling over het inrichten en het gebruik van geluidgevoelige ruimten op de eerste bouwlaag van woningen – welke begrippen overigens niet nader zijn omschreven in het plan – moet worden betwijfeld. Zij acht het in strijd met een goede ruimtelijke ordening een bestemmingsregeling waarvan de handhaafbaarheid bij voorbaat reeds moet worden betwijfeld vast te stellen. Het standpunt van verweerders dat het plan een toereikende regeling bevat ter voorkoming van hinder vanwege het tennispark bij de te bouwen woningen, deelt de Afdeling dan ook niet. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerders door het plan in zoverre goed te keuren hebben gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond zodat het bestreden besluit voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 6, derde lid, onder g, en de bestemming "Woongebied 3", zoals aangegeven op een bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart, dient te worden vernietigd. Uit het vorenstaande volgt dat er ten aanzien van de vernietiging van het besluit tot goedkeuring van artikel 6, derde lid, onder g, rechtens maar één besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan dit voorschrift. 2.
- [Appellanten sub 2] exploiteren een boomkwekerij en hoveniersbedrijf aan de [locatie] in Herten. Appellanten betogen dat de voorschriften bij de bestemming "Woongebied 1" en de aanduiding "hoveniersbedrijf" nauwelijks voorzien in uitbreidingsmogelijkheden voor hun bedrijf. Zij stellen verder dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan de bestemming "Woongebied 3", voor zover gelegen op een afstand kleiner dan 50 meter van de grens van het bedrijfsperceel. Appellanten zijn van mening dat deze afstand in acht genomen moet worden ter voorkoming van hinder door geluidsoverlast en gebruik van bestrijdingsmiddelen. Verder vrezen appellanten dat de realisering van het plan zal leiden tot extra wateroverlast op hun perceel. Dit zal kunnen leiden tot een aantasting van de bedrijfsvoering, aangezien met name de boomkwekerij bijzonder gevoelig is voor wateroverlast. 2.15.
- Verweerders hebben overwogen dat het functioneren van het bebouwde deel van het bedrijf aan de [locatie] ten opzichte van de vigerende regeling niet wordt beperkt. Verder dient ter voorkoming van hinder bij de nieuwe woningen een afstand van 10 meter tussen het bedrijf en de woningen in acht genomen te worden. Deze afstand hebben verweerders ontleend aan de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Voorts hebben verweerders overwogen dat niet aannemelijk is dat de (kwel)watersituatie op het perceel van appellanten in negatieve zin zal wijzigen door de realisering van het plan. 2.15.
- Het perceel van appellanten heeft in het plan de bestemming "Woongebied 1" en de aanduiding "hoveniersbedrijf". Ingevolge artikel 4, eerste lid, zijn de als zodanig aangewezen gronden onder meer bestemd voor woondoeleinden en een hoveniersbedrijf. De totale bebouwde oppervlakte mag ingevolge artikel 4, tweede lid, onder h, 1000 m2 bedragen. In het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak is gesteld dat de huidige bebouwde oppervlakte op het perceel, in het geval dat een gedeeltelijk ommuurde verharding wordt meegerekend, ongeveer 717 m2 bedraagt. Het plan voorziet derhalve nog in een uitbreiding van het bebouwde oppervlak met ongeveer 283 m
- Het standpunt van appellanten dat het plan niet of nauwelijks uitbreidingsmogelijkheden biedt, deelt de Afdeling gezien het voorgaande niet. Appellanten hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat deze uitbreidingsmogelijkheden ontoereikend zouden zijn. Anders dan appellanten stellen worden de hierboven vermelde uitbreidingsmogelijkheden niet beperkt door het bepaalde in artikel 4, tweede lid, onder b en c, en artikel 4, vijfde lid, nu blijkens de voorschriften een onderscheid wordt gemaakt tussen hoofdgebouwen en bedrijfsgebouwen – de woning op het perceel is het hoofdgebouw – en de aanduiding "bebouwingsregeling", waarnaar in artikel 4, tweede lid, onder c, en artikel 4, vijfde lid, wordt verwezen op het perceel van appellanten niet van toepassing is. Voor zover appellanten vrezen voor een belemmering van hun bedrijfsvoering door extra wateroverlast als gevolg van de ophogingen van de gronden grenzend aan hun bedrijfsperceel overweegt de Afdeling het volgende. In het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak is op basis van de rapporten over de gevolgen van de ophogingen voor de watersituatie in het plangebied gesteld dat kan worden aangenomen dat geen wateroverlast op het perceel van appellanten hoeft op te treden als de in de rapporten voorgestelde maatregelen worden uitgevoerd. In dat geval zal volgens het deskundigenbericht de hydrologische situatie ter plaatse zelfs kunnen verbeteren. De Afdeling ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen. Verweerders hebben zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de bedrijfsvoering van appellanten zal worden belemmerd door de ophogingen in het plangebied. 2.15.
- Aan de noord- en oostzijde van het bedrijfsperceel van appellanten is aan gronden de bestemming "Woongebied 3" toegekend. Ingevolge artikel 6, derde lid, onder c, kunnen woningen op een afstand van drie meter van het perceel van appellanten worden gebouwd. Gelet hierop deelt de Afdeling het standpunt van verweerders dat in het plan is voorzien in een afstand van 10 meter tussen het bedrijf van appellanten en de nieuwe woningen, niet. Dat zoals verweerders in het verweerschrift stellen, bij de uiteindelijke inrichting van het gebied een afstand van 10 meter in acht kan worden genomen, doet hier niet aan af. Verweerders dienen immers bij de beoordeling van het plan de bouw- en gebruiksmogelijkheden die het plan biedt als uitgangspunt te nemen en niet de eventuele inrichtingsplannen voor het gebied. Het bestreden besluit berust derhalve in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat een aan te houden afstand van 10 meter onvoldoende is overweegt de Afdeling het volgende. Verweerders hebben de afstand van 10 meter ontleend aan de brochure "Bedrijven en milieuzonering", die een dergelijke afstand tussen een hoveniersbedrijf en woningen aanbeveelt. Uit de milieuvergunning die voor het bedrijf van appellanten bij besluit van 28 april 1993 is verleend blijkt echter dat het bedrijf een hoveniersbedrijf en een boomkwekerij omvat. In het deskundigenbericht wordt gesteld dat de bedrijfsgronden die het dichtst bij de nieuwe woningen liggen worden gebruikt voor kwekerijdoeleinden. Op deze gronden worden enkele keren per jaar bestrijdingsmiddelen gebruikt. Voorts wordt in het deskundigenbericht gesteld dat de werkzaamheden die op het perceel plaatsvinden geluidhinder kunnen veroorzaken. Op grond van de milieuvergunning dient het bedrijf aan de oostzijde van het bedrijfsperceel, waar geen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen lagen, op een afstand van 50 meter uit de inrichting aan de geluidvoorschriften te voldoen. Zoals hiervoor reeds is vermeld kan op grond van het plan een woning op 3 meter van het bedrijfsperceel worden gebouwd. In het deskundigenbericht wordt voorts gesteld dat de mogelijkheden tot het treffen van geluidwerende voorzieningen op het perceel van appellanten beperkt zijn vanwege de hogere ligging van de nieuwe woningen ten opzichte van het bedrijfsperceel van appellanten. Uit het besluit tot vaststelling van het plan, noch uit het bestreden besluit blijkt dat bij de bepaling van de aan te houden afstand tussen het bedrijfsperceel van appellanten en de nieuwe woningen rekening is gehouden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Evenmin blijkt uit deze stukken dat, mede gelet op de lagere ligging van het bedrijfsperceel, is bezien of en zo ja onder welke voorwaarden het bedrijf aan de geluidvoorschriften in de milieuvergunning kan voldoen, als een woning op een afstand van drie meter van het bedrijfsperceel wordt gebouwd. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming "Woongebied 3" zoals nader aangegeven op een bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. 2.
- Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de beroepen van [appellanten sub 2], de Vereniging Watersnood Herten e.a. en [appellanten sub 4] gedeeltelijk gegrond zijn. Het beroep van [appellant sub 1] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Behoudens voor zover hiervoor is geoordeeld dat het besluit van verweerders dient te worden vernietigd, hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten in zoverre hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. 2.
- Verweerders dienen op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellanten sub 2], de Vereniging Watersnood Herten e.a. en [appellanten sub 4]. Ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de goedkeuring van de bestemming "Groengebied 1"; verklaart het beroep van [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de goedkeuring van de bestemming "Woongebied 1" voor het perceel [locatie], artikel 4, eerste lid, derde gedachtestreepje, en artikel 4, vierde lid, onder 3; II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2], de Vereniging Watersnood Herten e.a. en [appellanten sub 4] gedeeltelijk gegrond; III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Limburg van 27 maart 2001, 2001/16460M, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 1, onder v en y, artikel 6, derde lid, onder g, het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" voor de Structuurweg en de Offerkamp, de plandelen met de bestemming "Woongebied 3" voor zover aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaarten; IV. onthoudt goedkeuring aan artikel 1, onder v en y, en artikel 6, derde lid, onder g; V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd en de Afdeling zelf in de zaak heeft voorzien; VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], de Vereniging Watersnood Herten e.a. en [appellanten sub 4] voor het overige ongegrond; VII. veroordeelt gedeputeerde staten van Limburg a. in de door appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 936,66, waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; b. in de door appellanten sub 3 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 936,66, waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; c. in de door appellanten sub 4 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 453,66, waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de totale bedragen dienen door de provincie Limburg te worden betaald aan appellanten; VIII. gelast dat de provincie Limburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20 voor appellanten sub 2, € 204,20 voor appellanten sub 3 en € 102,10 voor appellanten sub 4) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat. w.g. Cleton w.g. Broekman Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2002 388