(1993). Appellanten hebben niet bestreden dat verweerder van deze richtlijnen mocht uitgaan. Blijkens evenbedoelde berekeningen zal tijdens de bouwfase, indien gebruik wordt gemaakt van een trillingsarme funderingstechniek, de SBR-streefwaarde niet worden overschreden en zal ook geen schade aan de bouwconstructie ontstaan. De trillingsarme funderingstechniek is, zoals uit de uitspraak van 29 oktober 1998 blijkt, reeds tijdens de behandeling van de beroepen tegen het tracébesluit Kortsluitroute toegezegd. Naar uit de stukken blijkt hebben appellanten deze oplossing geaccepteerd. Wat betreft de gebruiksfase is uit meergenoemde berekeningen gebleken dat bij de voorgenomen uitvoeringswijze met funderingspalen tot de eerste zandlaag bij het bedrijfsgebouw de SBR-streefwaarde wordt gehaald, met uitzondering van een gedeelte van de ruimte waarin de showroom is gevestigd. De berekeningen wijzen verder uit dat bij een dieper funderingsniveau, tot de tweede zandlaag, in het gehele gebouw aan de SBR-streefwaarde wordt voldaan. Op basis hiervan heeft verweerder besloten ter hoogte van het bedrijfsgebouw gebruik te maken van funderingspalen tot de tweede zandlaag. Ook verder is gebleken dat in de gebruiksfase de trillingen geen schade zullen veroorzaken aan de bouwconstructie en het functioneren van de gebruikelijke apparatuur in garages niet zullen beïnvloeden. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk dat appellanten onaanvaardbare trillinghinder zullen ondervinden als gevolg van de aanleg dan wel het gebruik van de Kortsluitroute. Zichtlocatie 2.2.
- Wat betreft de zichtlocatie heeft verweerder in de toelichting bij het tracébesluit Kortsluitroute 2001 opgemerkt dat de zichtlocatie vrij kort na de oplevering van het gebouw, waarvoor de bouwvergunning is verleend in 1993, is verminderd door de bouw van twee andere bedrijfsgebouwen, waarvoor bouwverguningen zijn verleend in 1995 en
- Door deze bebouwing wordt het pand van appellanten voor het verkeer dat uit oostelijke richting over de A15 rijdt deels aan het zicht onttrokken. Door het 1 meter hoge geluidscherm respectievelijk het kunstwerk zal de voor een deel nog aanwezige zichtlocatie worden aangetast. Deze aantasting heeft echter niet tot gevolg dat een rendabele bedrijfsvoering niet meer mogelijk is, aldus de toelichting. Niet aannemelijk is geworden dat verweerder niet in redelijkheid tot dit standpunt heeft kunnen komen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het bedrijf van appellanten op een kwalitatief hoogwaardig ingericht bedrijventerrein is gelegen met een hoge mate van publieksaantrekkende werking. Er zitten meerdere bedrijven die geheel zijn gelieerd aan het gemotoriseerd verkeer. Indien appellanten menen dat zij als gevolg van de aanleg van de Kortsluitroute schade zullen lijden als gevolg van waardevermindering van het object alsmede door een vermindering van de winstpotentie door achterblijvende omzetten en extra hoge (reclame)kosten zullen ondervinden, kunnen zij een beroep doen op de in het tracébesluit genoemde schadevergoedingsregelingen. In haar meergenoemde uitspraak van 29 oktober 1998 heeft de Afdeling overwogen dat met deze schaderegelingen op aanvaardbare wijze tegemoet kan worden gekomen aan de belangen van hen die schade lijden als gevolg van de aanleg of het gebruik van de Kortsluitroute. De Afdeling ziet geen reden thans tot een ander oordeel te komen. Veiligheid 2.2.
- Verweerder heeft zijn onderzoek naar de externe veiligheid gebaseerd op de Nota risico-normering vervoer gevaarlijke stoffen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van februari 1996 (hierna te noemen: de Nota risico-normering). Zoals reeds in de uitspraak van 29 oktober 1998 is overwogen heeft verweerder de Nota risico-normering en de daarop gebaseerde berekeningen tot uitgangspunt kunnen nemen. De Afdeling ziet geen reden thans tot een ander oordeel te komen. 2.2.6.
- Het staat voorts vast dat een gedeelte van het gebouw is gelegen binnen de individuele risicocontour die ter plaatse is vastgesteld op een afstand van 30 m van de as dan wel het hart van de spoorbaan. Met betrekking tot de veiligheidsrisico’s heeft verweerder in de evengenoemde uitspraak aanleiding gezien in een brief aan de Tweede Kamer van 15 december 2000 (TK vergaderjaar 2000-2001, 24 611, nr. 3) het begrip kwetsbare bestemmingen uit de Nota risico-normering te verduidelijken. In de brief wordt onder meer het volgende opgemerkt: ” In de nota wordt voor de betekenis van het begrip kwetsbare bestemmingen verwezen naar het beleid voor stationaire installaties (5.1.2., laatste zinsnede van de Nota RNVGS). Dit beleid is onder meer neergelegd in de regeling voor activiteiten met LPG op grond van de Wet milieubeheer, zoals het besluit LPG-tankstations milieubeheer, en in de door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ondertekende circulaires voor het transport van aardgas (“zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen”), 26 november 1984, kenmerk DGMH/B nr. 0104004 en brandbare vloeistoffen (“bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie”), VROM00621/491 (ISBN 8475/136). Steeds worden daarin bestemmingen als kwetsbaar beschouwd. …… Indien deze zijn bestemd voor vijftig of minder personen, dan moeten zij als minder kwetsbaar worden beschouwd. Zo is het begrip kwetsbaar in de Nota RNVGS ook bedoeld te gelden. De capaciteit van de vaste gebruikers (zoals werknemers) van (kantoor)bestemming is daarbij bepalend. Met incidentele aanwezigheid in een (kantoor)gebouw, zoals van bezoekers, wordt geen rekening gehouden.“ Naar het oordeel van de Afdeling is niet aannemelijk geworden dat verweerder niet op deze wijze het beleid ten aanzien van externe veiligheid heeft kunnen bijstellen dan wel verduidelijken. Verweerder is van mening dat op grond hiervan het gebouw van appellanten in het kader van het externe veiligheidsbeleid moet worden aangemerkt als een industriegebouw met een kantoorgedeelte. Dit kantoorgedeelte heeft een maximale capaciteit van niet meer dan 50 vaste gebruikers, zodat dan ook sprake is van een minder kwetsbare bestemming. De Afdeling ziet geen grond om dit standpunt van verweerder om het bedrijf van appellanten aan te merken als industriegebouw met een kantoorfunctie onjuist te achten. In dit verband is van belang dat het bedrijfscompex van appellanten bestaat uit een hoofdgebouw en een aantal bijgebouwen. In het hoofdgebouw is een bandenservice met een aparte audiohoek, de werkplaats, bestaande uit een montagewerkplaats en een magazijn, en een verkoopgedeelte met de receptie ondergebracht. Op de eerste verdieping van het gebouw is het kantoor gevestigd. In een van de bijgebouwen is een wasstraat met koffieruimte. Verder zijn er een aantal units waar auto’s door klanten zelf kunnen worden gewassen. Voorts blijkt uit de reactie van verweerder op de zienswijze van appellanten naar aanleiding van het ontwerp-tracébesluit dat in totaal 55 personen werkzaam zijn in de diverse gebouwen, waarvan 12 in het kantoorgedeelte. Gelet op de oppervlakte van het kantoorgedeelte van 560 m2, de kengetallen die gebruikelijk worden gehanteerd in de vastgoed- en facility services sector (per werknemer een bruto vloeroppervlak van minimaal 20 m2) en de NEN 1824 Ergonomie-Ergonomische eisen voor de oppervlakte van kantoorwerkplekken van april 2001 is het kantoorgedeelte maximaal geschikt voor 30 personen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerder niet van deze cijfers heeft kunnen uitgaan. Het vorenstaande in aanmerking genomen heeft verweerder het gebouw van appellanten als een minder kwetsbare bestemming in de zin van de Nota risico-normering kunnen aanmerken. 2.2.6.
- Wat betreft het groepsrisico heeft verweerder naar aanleiding van meergenoemde uitspraak van de Afdeling het ingenieurs/adviesbureau Save opnieuw berekeningen laten maken. Uit het rapport van 24 februari 1999 blijkt dat wanneer zich ter plaatse maximaal 25 personen binnen de individuele risicocontour van 10-6 zouden bevinden er geen overschrijding van de oriënterende waarde voor groepsrisico plaatsvindt. Nadien heeft verweerder naar aanleiding van de zienswijze van appellanten naar aanleiding van het ontwerp-tracébesluit opnieuw door het ingenieurs/adviesbureau Save een onderzoek laten doen. Uit het rapport van 4 december 2001 is gebleken dat zich gemiddeld 35 à 40 personen ter plaatse van het bedrijfsgebouw binnen de individuele risicocontour kunnen bevinden voordat de oriënterende waarde voor het groepsrisico wordt overschreden. Verweerder is van mening dat dat in de praktijk niet voorkomt. De Afdeling is niet gebleken dat verweerder dit standpunt niet heeft kunnen innemen. 2.2.
- Het vorenstaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleg en het gebruik van de Kortsluitroute geen zodanig nadelige consequenties zullen hebben voor appellanten dat de bedrijfsvoering in gevaar zal komen. 2.2.7.
- De bezwaren van appellanten kunnen niet leiden tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het tracébesluit Kortsluitroute 2001 heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en drs. G.A. Posthumus en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G.L. de Vette, ambtenaar van Staat. w.g. Cleton w.g. De Vette Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2002 196-363.