(1992). Gezien het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aanleg van de weg niet zal leiden tot storende factoren met een significant effect in de als speciale beschermingszone aangewezen gebieden de Meinweg en Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald und Meinweg. Het plan is evenmin in strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Immers, ook als wordt aangenomen dat deze bepaling van toepassing is en rechtstreeks werkt, betekent de afwezigheid van storende factoren met een significant effect dat van strijd met dit lid geen sprake is. Voorts is, daargelaten of het vierde lid van artikel 6 van de Habitatrichtlijn rechtstreekse werking heeft, door het ontbreken van zodanige factoren, deze bepaling in dit geval hoe dan ook niet van toepassing. 2.3.3.4. Het gebied de Meinweg staat voorts op de lijst van Habitatgebieden die de Nederlandse regering op grond van artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn aan de Commissie heeft toegezonden. Verder staan er diverse gebieden in Duitsland op de lijst die de Duitse regering op grond van artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn aan de Commissie heeft toegezonden. Het dichtst bij het tracé gelegen aangemelde Duitse gebied ligt op ongeveer 1.300 meter van het tracédeel dat in het plangebied is opgenomen. Ten tijde van het bestreden besluit was de communautaire lijst als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn nog niet vastgesteld, zodat de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in zoverre nog niet golden. Gezien de afstand van het Meinweggebied en het dichtst bij gelegen Duitse habitatgebied tot het tracé van Rijksweg 73-zuid is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de aanleg van Rijksweg 73-zuid de verwezenlijking van het door de Habitatrichtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zal brengen. 2.3.3.5. Ten aanzien van het betoog van de Milieufederatie e.a. en Das & Boom e.a., dat het Swalmdal en het Roerdal, waarin onder meer de zeggekorfslak voorkomt, ten onrechte niet zijn aangemeld als Habitatgebied, overweegt de Afdeling het volgende. De zeggekorfslak (Vertigo moulinsiana) is als prioritaire soort opgenomen in bijlage 2 van de Habitatrichtlijn. In bijlage 2 zijn de dier- en plantensoorten van communautair belang opgenomen voor de instandhouding waarvan aanwijzing van speciale beschermingszones is vereist. Tussen partijen is niet in geding dat de zeggekorfslak voorkomt in het Swalmdal en het Roerdal. Het Swalmdal en het Roerdal staan niet op de lijst van Habitatgebieden die de Nederlandse regering op grond van artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn aan de Commissie heeft toegezonden. Uit de stukken kan echter worden afgeleid dat deze gebieden zich kunnen kwalificeren als habitatgebied en dat het geenszins is uitgesloten dat deze gebieden onder meer vanwege het voorkomen van de zeggekorfslak alsnog zullen worden aangemeld bij de Commissie. Onder deze omstandigheden en gelet op het bepaalde in artikel 4, vijfde lid, van de Habitatrichtlijn acht de Afdeling het juist dat verweerders in het bestreden besluit hebben bezien of de aanleg van de weg de verwezenlijking van het door de Habitatrichtlijn voorgeschreven resultaat niet ernstig in gevaar zal brengen. 2.3.3.6. Verweerders hebben overwogen dat de locaties waar de zeggekorfslak in het Swalmdal voorkomt op enige afstand van het tracé van Rijksweg 73 zijn gesitueerd. Bij de aanleg van de weg zal de plaatselijke abiotiek niet zodanig worden aangetast dat het voortbestaan van de zeggekorfslak ter plaatse in gevaar komt, zodat ook in geval van een mogelijke aanmelding van het Swalmdal als speciale beschermingszone, het door de Habitatrichtlijn voorgeschreven resultaat niet ernstig in gevaar wordt gebracht, aldus verweerders. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerders hun standpunt met name hebben gebaseerd op het onderzoek van IWACO (juni 2001) naar de invloed van de aanleg van de snelweg op de geohydrologische situatie ter plaatse. Op basis van dit onderzoek is geconstateerd dat het kwelsysteem onaangetast blijft, waardoor geen veranderingen in de abiotiek te verwachten zijn, welke op termijn de vegetatiestructuur en daarmee de habitat van de zeggekorfslak negatief zouden kunnen beïnvloeden. Verder is gesteld dat eventueel verontreinigd wegwater wordt gebufferd en niet wordt geloosd op het oppervlaktewater. Gezien de informatie die over de leefgebieden en de leefomstandigheden van de zeggekorfslak aanwezig was op het moment waarop verweerders dienden te beslissen, is de Afdeling van oordeel dat zij zich bij het nemen van het besluit in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de aanleg van de weg de verwezenlijking van het door de Habitatrichtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zal brengen. Het door Das & Boom e.a. overgelegde rapport "Gevolgen van de aanleg van Rijksweg 73-zuid voor de Zeggekorfslak en de kwaliteit van de Elzenbroekbossen in het Swalmdal" (Alterra november 2001, in opdracht van de Directie Zuid van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) was niet beschikbaar op het moment waarop verweerders dienden te beslissen, zodat zij daar geen rekening mee hebben kunnen houden. Voorts is ter zitting aannemelijk gemaakt dat anders dan waarvan in dit rapport is uitgegaan, de weg, de brug en de tunnel zonder bemaling zullen worden aangelegd. Het Roerdal ligt op enige afstand van het tracé van Rijksweg 73-Zuid en op grote afstand van het tracédeel dat in dit plan is opgenomen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aanleg van de weg de verwezenlijking van het door de Habitatrichtlijn voorgeschreven resultaat niet ernstig in gevaar zal brengen. 2.3.3.7. Das & Boom e.a. betogen voorts dat verweerders het plan hadden moeten toetsen aan de artikelen 4 en 9 van het Verdrag van Bern van 19 september 1979, inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke leefmilieu (hierna: het Verdrag van Bern). Op grond van het Verdrag van Bern dienen naar de mening van appellanten alle leefmilieus van beschermde planten- en diersoorten te worden beschermd. Het Verdrag van Bern verplicht naar de mening van appellanten tot onderzoek naar de op de bijlagen I, II en III vermelde soorten. Zij wijzen in dat kader in het bijzonder op het ontbreken van onderzoek naar het leefmilieu van de waterspitsmuis. 2.3.3.8. Ingevolge artikel 4, eerste lid, neemt iedere Verdragsluitende Partij passende en noodzakelijke maatregelen in de vorm van wetten en voorschriften om de leefmilieus van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten te beschermen, in het bijzonder van de soorten, genoemd in de bijlagen I en II, en om de bedreigde natuurlijke leefmilieus in stand te houden. Ingevolge artikel 4, derde lid, verbinden de Verdragsluitende Partijen zich ertoe bijzondere aandacht te besteden aan de bescherming van de gebieden die van belang zijn voor de in de bijlagen II en III genoemde trekkende soorten en die gunstig liggen ten opzichte van de trekroutes, zoals overwinterings-, rust-, voeder-, broed- of ruiplaatsen. Ingevolge artikel 9, eerste lid, voor zover relevant, mag iedere Verdragsluitende Partij afwijken van het bepaalde in artikel 4, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de afwijkingen geen aantasting met zich brengen van het voortbestaan van de desbetreffende populatie, in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid, de veiligheid in de lucht of andere openbare belangen van essentiële aard. 2.3.3.9. De Afdeling overweegt dat het Verdrag van Bern is ondertekend door de Europese Gemeenschap en door de lidstaten afzonderlijk, waaronder Nederland. De Europese Gemeenschap heeft uitvoering gegeven aan het Verdrag door middel van de Habitatrichtlijn. Voor zover de in het Verdrag van Bern geregelde materie valt onder de competentie van de Gemeenschap, is er voor een toetsing in het kader van artikel 94 van de Grondwet geen plaats. Het Verdrag van Bern komt voor zover de Habitatrichtlijn daarmee in overeenstemming is via deze richtlijn tot gelding en de rechtsgevolgen van het Verdrag worden binnen de Gemeenschap door deze richtlijn beheerst. Gelet op het belang van een uniforme uitleg van het Gemeenschapsrecht is er daarom in zoverre geen aanleiding voor rechtstreekse toetsing van het plan aan het Verdrag van Bern, zo aan de bepalingen van dit verdrag in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen al rechtstreekse werking toekomt. De Afdeling stelt vast dat de bescherming van leefmilieus als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Verdrag van Bern, door het Gemeenschapsrecht wordt beheerst nu onder meer de Habitatrichtlijn hierin door middel van de gebiedsbescherming voorziet. Een van de selectiecriteria voor aanwijzing van een gebied van communautair belang als bedoeld in de Habitatrichtlijn (bijlage III Habitatrichtlijn) betreft de geografische ligging van het gebied ten opzichte van de trekroutes van diersoorten. De bescherming van de gebieden die van belang zijn voor trekkende soorten (artikel 4, derde lid, Verdrag van Bern) wordt derhalve tevens beheerst door het Gemeenschapsrecht. Voor zover uit het Verdrag van Bern een onderzoeksverplichting naar bepaalde leefgebieden zou voortvloeien, merkt de Afdeling op dat een dergelijke verplichting tevens uit het stelsel van de Habitatrichtlijn voortvloeit. Het betoog van appellanten dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar het leefmilieu van de waterspitsmuis (neomys fodiens), welke soort wel op bijlage III van het Verdrag van Bern is opgenomen maar niet in een bijlage bij de Habitatrichtlijn, deelt de Afdeling niet. Uit het rapport "De A73 en de natuur in 2000" (Arcadis, 22 december 2000) blijkt dat het effect van de aanleg van de weg op de waterspitsmuis wel degelijk is onderzocht. In dit rapport is gesteld (Tabel 6.7, blz. 80) dat de waterspitsmuis niet voorkomt binnen de invloedssfeer van de weg. De bezwaren van Das & Boom e.a. over de toetsing aan het Verdrag van Bern treffen dan ook geen doel. 2.3.4. Soortenbescherming 2.3.4.1. De artikelen 12 tot en met 16 van de Habitatrichtlijn hebben betrekking op de bescherming van soorten. Hierin is onder meer het volgende bepaald. Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Habitatrichtlijn, treffen de Lid-Staten de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, letter a), vermelde diersoorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op het opzettelijk verstoren van die soorten, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek, en op de beschadiging of de vernieling van voortplantings- of rustplaatsen. Artikel 16, eerste lid, bepaalt dat wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, de Lid-Staten mogen afwijken van het bepaalde in de artikelen 12, 13, 14 en 15, letters
- a)en
- b)in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. 2.3.4.2. De door appellanten opgesomde diersoorten die op bijlage IV van de Habitatrichtlijn staan zijn krachtens het ten tijde van het bestreden besluit geldende artikel 22, aanhef en onder b, van de Natuurbeschermingswet, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit beschermde inheemse dier- en plantensoorten aangewezen als beschermde diersoort. Ingevolge artikel 24, derde lid, van de Natuurbeschermingswet, voor zover hier van belang, is het verboden zonder noodzaak een dier, behorende tot een beschermde diersoort, te verontrusten of zijn nest, hol of voortplantings- of rustplaats te verstoren dan wel te beschadigen of te vernielen. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet, voor zover hier van belang, kan door of vanwege de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (thans Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) van dit verbod ontheffing worden verleend. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet, voor zover hier van belang, kan in de in dit artikellid genoemde gevallen ten aanzien van niet-gekweekte dieren behorende tot beschermde soorten die zijn genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, slechts ontheffing of vrijstelling worden verleend, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Met het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet wordt blijkens de daarbij behorende Nota van toelichting beoogd de Habitatrichtlijn volledig te kunnen uitvoeren. 2.3.4.3. De Afdeling overweegt dat alleen een direct beroep op artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Habitatrichtlijn kan worden gedaan, indien de richtlijn niet correct is geïmplementeerd. De vraag of de richtlijn, in het bijzonder artikel 16, eerste lid, correct is geïmplementeerd in het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet, heeft de Afdeling bevestigend beantwoord in haar uitspraak van 21 januari 2001, 200004163/1 (JB 2001/68, M en R 2001/3, nr. 29, en JM 2001/44). Derhalve bestaat geen grond over te gaan tot rechtstreekse toetsing van het bestreden besluit aan artikel 16, eerste lid, van de Habitatrichtlijn. 2.3.4.4. Nu het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet de correcte implementatie van artikel 16, eerste lid, van de Habitatrichtlijn bevat, dienen de toelaatbaarheid van inbreuken op het natuurlijk verspreidingsgebied van de beschermde diersoorten te worden beoordeeld in het kader van een aanvraag van een ontheffing op grond van de Natuurbeschermingswet. Dit doet er niet aan af dat verweerders geen goedkeuring aan het plan hadden kunnen verlenen, indien en voor zover zij op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat een ontheffing op grond van de Natuurbeschermingswet niet zou kunnen worden verleend. Evenmin hadden verweerders aan het plan goedkeuring kunnen verlenen, indien zij in redelijkheid hadden moeten inzien dat het plan, mede gelet op artikel 2, eerste lid, van het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet, er toe zou leiden dat het natuurlijke verspreidingsgebied van de beschermde soorten in die mate wordt aangetast dat zij daarin niet meer kunnen voortbestaan. 2.3.4.5. Bij besluit van 14 november 2001 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, onder voorwaarden ontheffing op grond van de Natuurbeschermingswet verleend van het verbod tot het verontrusten, vangen, pogen te vangen, onder zich hebben en vervoeren van met name genoemde diersoorten. De ontheffing geldt alleen voor de aanleg van Rijksweg 73-zuid in de gemeente Swalmen. De Staatssecretaris heeft overwogen dat de aanleg van Rijksweg 73-zuid schadelijke effecten heeft op wettelijk beschermde diersoorten. De aanleg van Rijksweg 73-zuid tussen Venlo en St. Joost is echter om redenen van groot openbaar belang noodzakelijk. Er bestaan naar de mening van de Staatssecretaris geen bevredigende alternatieven en ook anderszins is niet gebleken dat een andere bevredigende oplossing bestaat. Het laten voortbestaan van de betrokken soorten in een gunstige staat van instandhouding voor het deel van het aan de orde zijnde tracé wordt gewaarborgd door de aan de ontheffing verbonden voorwaarden en de mitigerende en compenserende maatregelen, aldus de Staatssecretaris. 2.3.4.6. De voorwaarden die aan de ontheffing zijn verbonden betreffen onder meer het aanleggen van 12 kleinwildtunnels en 1 grote faunapassage onder Rijksweg 73-Zuid en de aanleg van 5 kleinwildtunnels en 1 grote faunapassage onder de aansluitende infrastructuur in Swalmen. Voorts dienen maatregelen te worden genomen om de faunapassages op een ecologisch verantwoorde wijze te laten aansluiten op het omliggende landschap. 2.3.4.7. Gelet op de genoemde onderzoeken en de informatie die aanwezig was op het moment waarop verweerders dienden te beslissen is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat een ontheffing op grond van de Natuurbeschermingswet zou kunnen worden verleend. Zoals is overwogen in 2.3.2.7 hebben verweerders echter miskend, zoals zij ook in het verweerschrift hebben aangegeven, dat het bestemmingsplan niet voorziet in de bouw van de grotere overspanning over het Swalmdal (de grote faunapassage onder Rijksweg 73-zuid). Deze faunapassage is volgens de ontheffing van belang voor het voortbestaan van beschermde diersoorten. Het bestreden besluit is dan ook in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het op een bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart aangegeven plandeel tevens om voornoemde reden wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Nu vaststaat dat de overbrugging over het Swalmdal op een andere wijze zal worden uitgevoerd dan waarin het plan voorziet, ziet de Afdeling tevens aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het zojuist genoemde plandeel. 2.3.4.8. Overeenkomst grenspark Maas-Swalm-Nette 2.3.4.9. Op 30 maart 1976 sloot het Koninkrijk der Nederlanden een overeenkomst met de regering van de deelstaat Noordrijnland-Westfalen betreffende de samenwerking bij de stichting en inrichting van een grenspark Maas-Swalm-Nette. Het tracé van Rijksweg 73-zuid loopt gedeeltelijk door het gebied waarvoor deze overeenkomst geldt. Het betreft het tracédeel van Swalmen tot aan St. Joost. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de overeenkomst streven partijen ernaar de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied waarop de overeenkomst betrekking heeft op elkaars behoeften af te stemmen. Ingevolge artikel 2 van de overeenkomst verbinden partijen zich ertoe binnen het kader van wat voor hen te eniger tijd wettelijk mogelijk is, in de gebieden waarop de overeenkomst betrekking heeft het behoud te waarborgen van het natuurlijke landschap, alsmede de schoonheid, de wezenskenmerken en de verzorging en ordening daarvan, met inachtneming van belangen van economische, culturele en sociale aard. 2.3.4.10. De Afdeling is van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aanleg van Rijksweg 73-zuid de nakoming van de verplichtingen die de Nederlandse regering op grond van deze overeenkomst is aangegaan niet in gevaar brengt. 2.3.5. Overige bezwaren Milieufederatie e.a. en Das & Boom e.a. 2.3.5.1. De begrenzing van de stiltegebieden Tegelen-Swalmen en Roerdal is, zoals Das & Boom e.a. in hun beroepschrift ook aangeven, zodanig aangepast dat het tracé van Rijksweg 73-zuid de stiltegebieden niet doorkruist. Verweerders hebben zich dan ook naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met het voor de stiltegebieden gevoerde beleid. 2.3.5.2. Ten aanzien van de twijfels die de Milieufederatie e.a. uiten over de financiële uitvoerbaarheid van het plan overweegt de Afdeling dat de minister van Verkeer en Waterstaat met de provincie Limburg een overeenkomst heeft gesloten waarin het bedrag voor de aanleg van Rijksweg 73-zuid is vastgelegd. In dit bedrag is rekening gehouden met de uitvoering van de mitigerende en compenserende maatregelen. Verweerders hebben zich dan ook naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan financieel uitvoerbaar is. 2.3.5.3. De Milieufederatie e.a. hebben de bezwaren over de landschappelijke inpassing van de weg, de mogelijke lichthinder door verlichting, de luchtkwaliteit, de afwatering van de weg en het mogelijke effect op de grondwaterstand door de aanleg van een tunnel in hun zienswijze aan de raad naar voren gebracht. Appellanten hebben zich in het bedenkingengeschrift en in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar deze delen van hun zienswijze. In de overwegingen van het raadsbesluit is uitvoerig ingegaan op deze onderdelen van de zienswijze van appellanten. Appellanten hebben in het bedenkingengeschrift, noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen, welke weerlegging verweerders in het bestreden besluit hebben overgenomen, onjuist zou zijn. Ook voor het overige is de Afdeling niet gebleken dat de weerlegging van de zienswijzen en daarmee de weerlegging van de bedenkingen, onjuist zou zijn. 2.3.5.4. Ingevolge artikel 10:29, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover relevant, kan de goedkeuring niet onder voorwaarden worden verleend. Het betoog van de Milieufederatie e.a. dat verweerders alleen goedkeuring aan het plan konden verlenen onder de voorwaarde dat de uitvoering van het bestemmingsplan pas aan de orde kan zijn als alle bestemmingsplannen die voorzien in de aanleg van Rijksweg 73-zuid onherroepelijk zijn geworden, kan dan ook niet slagen. 2.3.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de beroepen van de Milieufederatie e.a. en Das & Boom e.a. gedeeltelijk gegrond zijn. Behoudens voor zover hiervoor is geoordeeld dat het besluit van verweerders dient te worden vernietigd, hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten in zoverre hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. [appellanten sub 4] 2.4. [appellanten sub 4] stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan. Als formeel bezwaar brengen zij naar voren dat de bekendmaking van het Arcadisrapport niet in de Staatscourant is gepubliceerd. Verder vinden appellanten het bezwaarlijk dat de aanleg van Rijksweg 73-zuid tot gevolg heeft dat de woning [locatie 1], waarvan zij mede-eigenaar waren, moet worden gesloopt. Zij wijzen erop dat in het plan voor een aantal te slopen panden een herbouwmogelijkheid is opgenomen. Voor het pand [locatie 1] geldt dat niet. Appellanten achten dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Appellanten zijn voorts van mening dat bij de keuze voor de aanleg van Rijksweg 73-zuid op de oostoever van de Maas ten onrechte geen rekening is gehouden met de aanleg van de IJzeren Rijn. Het ontwerp van de weg zou voorts niet in overeenstemming zijn met de European Agreement on Main International Traffic Arteries. Appellanten zetten ten slotte vraagtekens bij de financiële uitvoerbaarheid van het plan. 2.4.1. De gemeenteraad heeft overwogen dat het pand [locatie 1] niet gehandhaafd kan worden bij de realisering van Rijksweg 73-zuid. De noodzakelijke sloop van een aantal panden in Swalmen is, zo stelt de gemeenteraad, voor de gemeente aanleiding geweest met de provincie overleg te voeren over de mogelijke herbouw van deze panden. Ter voorbereiding van dit overleg heeft de gemeente alle betrokken bewoners aangeschreven met het verzoek om aan te geven of belangstelling bestaat voor herbouw. Naar aanleiding van deze brief heeft de toenmalige bewoner van het pand [locatie 1], de heer [naam rechtspersoon], volgens de gemeenteraad meegedeeld geen belangstelling te hebben voor herbouw. Reden hiervoor was dat hij wilde verhuizen naar een aanleunwoning in de kern. Deze verhuizing heeft, zo overwoog de gemeenteraad, inmiddels plaatsgevonden. Sindsdien staat het pand leeg. Voorts heeft de gemeenteraad overwogen dat de plannen voor de IJzeren Rijn nog niet definitief zijn, zodat de gevolgen daarvan voor de aanleg van Rijksweg 73-zuid niet bekend zijn. De aanleg van de weg is volgens de raad niet in strijd met de Europese overeenkomst waarnaar appellanten verwijzen en de financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd. 2.4.2. Verweerders hebben in de bedenkingen van appellanten geen reden gezien enig deel van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij hebben ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad. 2.4.3. De Afdeling stelt voorop dat appellanten ter zitting hebben aangevoerd dat in de publicaties ten onrechte niet is vermeld dat het (ontwerp)-bestemmingsplan gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten de werkuren kan worden ingezien. Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ligt het ontwerp-bestemmingsplan gedurende vier weken ter inzage gedurende welke periode het ontwerp tevens desgevraagd ten minste gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten de werkuren kan worden ingezien. Deze bepaling is in de artikelen 26 en 28, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet van overeenkomstige toepassing verklaard voor de terinzageligging van het vastgestelde en het goedgekeurde plan. In de publicatie van het ontwerpplan is vermeld dat het ontwerpplan met ingang van vrijdag 25 augustus 2000 gedurende vier weken tijdens openingstijden van het gemeentehuis van 9.00 uur tot 12.00 uur of na afspraak buiten genoemde tijden voor een ieder ter inzage ligt. De publicatie voldoet derhalve aan de in de wet gestelde eisen, zodat dit bezwaar van appellanten geen doel treft. 2.4.4. De Afdeling overweegt voorts dat de Wet op de Ruimtelijke Ordening noch enig ander wettelijk voorschrift verplicht tot het plaatsen van een kennisgeving in de Staatscourant waarin het verschijnen van onderzoeksrapporten wordt aangekondigd. Het bezwaar van appellanten dat het verschijnen van het Arcadisrapport niet is gepubliceerd treft derhalve geen doel. 2.4.5. De Afdeling is verder van oordeel dat verweerders bij de afweging van het belang van appellanten bij behoud van hun woning tegen de belangen die gemoeid zijn met de aanleg van Rijksweg 73-zuid in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan laatstgenoemd belang. Gezien de handelwijze van het gemeentebestuur en de toenmalige bewoner van het pand [locatie 1] hebben verweerders zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van rechtsongelijkheid door voor dit pand in het plan geen herbouwmogelijkheid op te nemen en voor enkele andere gevallen wel. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de uitgangspunten waarop het MER is gebaseerd niet meer actueel zouden zijn. De besluitvorming over de aanleg van de IJzeren Rijn was ten tijde van het bestreden besluit nog niet afgerond. Verweerders hebben dan ook kunnen stellen dat zij daarmee geen rekening konden houden. In de European Agreement on Main International Traffic Arteries zijn afspraken neergelegd over de vorming van een internationaal hoofdverkeerswegennetwerk, het zogenoemde E-wegennetwerk. Rijksweg 73-zuid zal geen onderdeel gaan uitmaken van het internationale hoofdverkeerswegennet. Verweerders zijn er in het bestreden besluit dan ook terecht van uitgegaan dat de overeenkomst niet van toepassing is. Ten slotte overweegt de Afdeling dat zij, zoals hiervoor in overweging 2.3.5.2 is gesteld, van oordeel is dat verweerders zich op het standpunt hebben kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende is gewaarborgd. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellanten sub 4] is ongegrond. [appellant sub 2] 2.5. [appellant sub 2] bewoont de woning [locatie 2] in Swalmen. Appellant stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan. Hij vreest dat de uitvoering van het plan zal leiden tot geluidsoverlast, trillinghinder en waardevermindering van zijn woning. 2.5.1. Verweerders hebben in de bedenkingen van appellant geen reden gezien enig plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij hebben overwogen dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning van appellant binnen de wettelijke kaders blijft. De afstand van de weg en spoorweg tot de woning is volgens verweerders zodanig dat geen trillinghinder te verwachten is. 2.5.2. De Afdeling leidt uit de stukken af dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning van appellant als gevolg van de aanleg van Rijksweg 73-zuid op de benedenverdieping 50 dB(A) en op de eerste verdieping 56 dB(A) zal bedragen. Voor de geluidsbelasting op de eerste verdieping is een hogere grenswaarde vastgesteld. De geluidsbelasting op de gevel van de woning van appellant vanwege de spoorweg bedraagt in 2020, na het plaatsen van een geluidscherm, op de benedenverdieping 57 dB(A) en op de eerste verdieping 62 dB(A). Dit betekent dat de geluidsbelasting vanwege de spoorweg, die in 1997 eveneens 57 dB(A) en 62 dB(A) bedroeg, niet zal toenemen. Gezien de hoogte van de berekende geluidsbelasting op de gevel van de woning van appellant door weg- en spoorwegverkeer is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat niet gevreesd hoeft te worden voor ernstige (toeneming van) geluidhinder bij de woning van appellant. 2.5.3. Het standpunt van verweerders dat ter hoogte van de woning van appellant geen trillinghinder als gevolg van de spoorweg te verwachten is komt de Afdeling niet onredelijk voor. Zij neemt daarbij in aanmerking dat verweerders zich hierbij onder meer hebben gebaseerd op de uitkomsten van een trillinghinderonderzoek dat in opdracht van Rijkswaterstaat is uitgevoerd. Uit dat onderzoek blijkt dat op een afstand van 20 meter buiten het spoor geen toeneming van trillingen is te verwachten en dat op een afstand van 10 meter buiten het spoor het schaderisico verwaarloosbaar klein is. De woning van appellant ligt op ongeveer 30 meter van de spoorweg, zodat daar geen (toeneming van) trillinghinder te verwachten is. Het standpunt van verweerders dat ter hoogte van de woning van appellant geen trillinghinder als gevolg van de aanleg van Rijksweg 73-zuid is te verwachten, komt de Afdeling evenmin onredelijk voor. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de woning op ongeveer 50 meter van de weg staat en dat tussen de woning en de weg de spoorlijn ligt. 2.5.4. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van appellant betreft, bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerders hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht hadden moeten toekennen. 2.5.5. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. [appellanten sub 5] 2.6. [appellant sub 5] zijn omwonenden van het tracé van Rijksweg 73-zuid. Zij stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan. Naar de mening van appellanten is voor de berekening van de geluidsbelasting op hun woningen gebruik gemaakt van een verouderde methode. Bovendien is in de berekeningen ten onrechte rekening gehouden met de toepassing van dubbellaags ZOAB. Verder vinden appellanten het bezwaarlijk dat in de nabijheid van hun woningen een geluidscherm zal worden geplaatst. Appellanten zijn van mening dat in het gebied nabij de Asseltsestraat uit landschappelijke overwegingen gekozen dient te worden voor de aanleg van een aarden wal van voldoende hoogte als geluidwerende voorziening. 2.6.1. Verweerders hebben in de bedenkingen van appellanten geen aanleiding gezien enig plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. Zij hebben overwogen dat voor de berekening van de geluidsbelasting gebruik is gemaakt van standaardrekenmethode II van het Reken- en meetvoorschrift verkeerslawaai. Bij de berekening is rekening gehouden met de toepassing van dubbellaags ZOAB. Weliswaar is er kort na de aanleg een geringe terugval in het geluidsreducerend effect van ZOAB, doch dit is meegenomen in de gehanteerde wegdekcorrectiefactoren (publicatie van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, water-, wegenbouw- en verkeerstechniek; hierna: CROW), aldus verweerders. De geluidsbelasting op de gevels van de woningen van appellanten zal na de bouw van een geluidscherm minder dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) bedragen. Ter hoogte van de kern Swalmen, de brug over de Swalm en het kunstwerk over de Asseltsestraat is het gebruik van geluidschermen naar de mening van verweerders noodzakelijk vanwege het ontbreken van ruimte of de technische onmogelijkheid op kunstwerken aarden wallen aan te brengen. Alleen op een klein deel van het traject ten noorden van de Asseltsestraat is een wal mogelijk. In verband met het streven naar een rustig wegbeeld voor de weggebruiker is er echter voor gekozen ook hier een geluidscherm te plaatsen, aldus verweerders. 2.6.2. Ingevolge artikel 102 van de Wet geluidhinder, voor zover relevant, stelt de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer regels voor het bepalen van het equivalente geluidsniveau als omschreven in artikel 1 van de Wet geluidhinder. Het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai (hierna: RMV) is een regeling als bedoeld in artikel 102 van de Wet geluidhinder. Het RMV omvat regels voor het bepalen van het equivalente geluidsniveau voor de vaststelling van de geluidbelasting vanwege een weg buiten een woning of ander geluidgevoelig gebouw en voor de wijze waarop akoestische onderzoeken worden uitgevoerd. Een van de berekeningsmethoden die in het RMV is beschreven is standaardrekenmethode II. Verweerders hebben naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat de gebruikte rekenmethode wettelijk voorgeschreven is en dat de onderhavige situatie onder het toepassingsbereik van deze standaardrekenmethode valt. Over het bezwaar dat bij de berekening ten onrechte rekening is gehouden met het toepassen van dubbellaags ZOAB overweegt de Afdeling het volgende. In aanvulling op hetgeen in het RMV is bepaald, heeft het CROW onderzoek gedaan naar de vraag in hoeverre op het equivalente geluidniveau vanwege een wegdek bij de aanwezigheid van bepaalde, geluidarme, wegdektypen een wegdekcorrectie kan worden toegepast. Dit onderzoek heeft geresulteerd in Publicatie 133 van januari 1999 getiteld "Het wegdek gecorrigeerd op akoestische eigenschappen" (hierna: Publicatie 133). Uit Publicatie 133 van het CROW blijkt dat de verminderde geluidsreducerende effecten door het dichtslibben van ZOAB meer dan voldoende kunnen worden gecompenseerd door toepassing van moderne ZOAB-varianten. Door toepassing van deze ZOAB-varianten kan op voorhand rekening worden gehouden met de mogelijk nadelige effecten als gevolg van dichtslibben en/of veroudering van het wegdek. Dit geldt met name indien dubbellaags ZOAB wordt toegepast. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 9 april 2001, 200000083/02 (aangehecht) zijn de in Publicatie 133 berekende waarden voor wegdekcorrectie bij het gebruik van dubbellaags ZOAB betrouwbaar bij een snelheidsinterval voor personenvoertuigen tussen 40 en 130 km/u en voor vrachtwagens tussen 40 en 90 km/u. Gezien het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat het toepassen van een wegdekcorrectiefactor vanwege de toepassing van dubbellaags ZOAB in dit geval leidt tot een onderschatting van de geluidsbelasting. Uit de stukken blijkt dat de geluidsbelasting op de woningen van appellanten na plaatsing van een geluidscherm minder dan 50 dB(A) zal bedragen. Verweerders hebben in het bestreden besluit gemotiveerd aangegeven waarom de aanleg van een aarden wal ter plaatse van het kunstwerk over de Asseltsestraat niet mogelijk is. Het standpunt van verweerders dat op een deel van het traject ten noorden van de Asseltsestraat waar de aanleg van een aarden wal technisch wel mogelijk is, gekozen is voor de bouw van een geluidscherm zodat een voor de weggebruiker rustig wegbeeld wordt gecreëerd, komt de Afdeling niet onredelijk voor. Zij neemt daarbij in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat de bouw van een geluidscherm ter plaatse ernstige afbreuk zal doen aan de landschappelijke waarden in het omliggende gebied. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellanten sub 5] is ongegrond. [appellanten sub 1] 2.7. [appellanten sub 1] stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden”, dat ten noordwesten van hun agrarische bouwkavel is opgenomen. Appellanten vrezen dat hun bedrijfsontwikkeling en bedrijfsvoering, die bestaat uit vollegrondstuinbouw, akkerbouw en veeteelt, door deze woningbouwmogelijkheid zal worden belemmerd. Zij wijzen er verder op dat de bouw van een woning in het buitengebied in strijd is met het provinciale beleid. 2.7.1. De gemeenteraad heeft de bestemming “Woondoeleinden” opgenomen om de verplaatsing van de woning [locatie 3] mogelijk te maken. Deze woning moet worden gesloopt voor de aanleg van Rijksweg 73-zuid. [De bewoonster] van de huidige woning [locatie 3] zal ook de nieuwe woning [locatie 3] gaan bewonen. 2.7.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben onder meer overwogen dat het bedrijf van appellanten onder het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer valt. De woningbouwmogelijkheid brengt daarin volgens verweerders geen verandering. Als het bedrijf de veeteelttak wil gaan uitbreiden wordt het vergunningplichtig. In de huidige situatie heeft het bedrijf deze uitbreidingsmogelijkheden volgens verweerders niet. De woningbouwmogelijkheid kan wel nadelige gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering van appellanten als zij het emissiepunt op hun bouwkavel willen verplaatsen in noordoostelijke richting. De aantasting van dat belang van appellanten weegt echter niet op tegen de algemene belangen die gemoeid zijn bij de aanleg van Rijksweg 73-zuid, aldus verweerders. 2.7.3. De Afdeling is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat verweerders terecht hebben geconstateerd dat de huidige bedrijfsvoering van appellanten valt onder het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer (Stb. 1994, 107, hierna: het Besluit). Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 december 2001, inzake 200101203/1 (aangehecht), kan dit Besluit in beginsel als uitgangspunt worden genomen bij de bepaling van de in acht te nemen afstand tussen een agrarisch bedrijf dat onder het Besluit valt en een in een bestemmingsplan voorziene nieuwe woning. 2.7.4. Ingevolge artikel 1, tweede lid, onder b, ten eerste, geldt het Besluit onder meer voor akkerbouwbedrijven die zijn gelegen op meer dan 25 meter afstand van een woning van derden of een gevoelig object. Ingevolge artikel 1, negende lid, van het Besluit wordt voor het bepalen van de afstanden genoemd in het tweede lid, onder a en b, gemeten vanaf het onderdeel van het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondteelt, dat het dichtst bij een woning van derden of een gevoelig object is gelegen. 2.7.5. De Afdeling overweegt dat er in het kader van de ruimtelijke ordening aanleiding bestaat om de hiervoor genoemde afstand te meten van de grens van het aangegeven bouwvlak van het agrarisch bedrijf tot het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden”. De uitbreidingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf, binnen de mogelijkheden die het Besluit biedt, worden in dat geval door de bouw van de woning niet beperkt. 2.7.6. De kortste afstand tussen de plandelen met de bestemming “Woondoeleinden” voor de woning [locatie 3] en de bestemming “Agrarisch bedrijf” voor het bedrijf van appellanten bedraagt ongeveer 7,5 meter. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat een deel van het agrarisch bouwblok van appellanten is gesitueerd op het perceel kadastraal bekend gemeente Swalmen, dat eigendom is van [partij]. Nu niet aannemelijk is dat dat deel van de bestemming “Agrarisch bedrijf” binnen de planperiode zal worden gerealiseerd, ziet de Afdeling aanleiding dit deel van het bouwblok voor de bepaling van de in acht te nemen afstand tussen de woning en het agrarisch bedrijf, buiten beschouwing te laten. Met in achtneming van het voorgaande zal het plan voorzien in de bouw van een woning op een afstand van ongeveer 11 meter van de grens van het bouwblok voor het bedrijf van appellanten. Het akkerbouwbedrijf van appellanten zou derhalve na de bouw van de woning niet meer onder het Besluit vallen, en zou alsdan niet meer met een melding kunnen volstaan. De Afdeling deelt het standpunt van verweerders dat de in het plan voorziene woningbouwmogelijkheid geen verandering zal brengen in de van toepassing zijnde milieuregelgeving voor het bedrijf van appellanten dan ook niet. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming “Woondoeleinden” voor de woning [locatie 3] niet op een deugdelijke motivering berust. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de bouwmogelijkheid voor de woning [locatie 3] zoals deze in het plan is opgenomen niet zal worden benut. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling tevens aanleiding om goedkeuring te onthouden aan de bestemming "Woondoeleinden" voor de woning [locatie 3]. Gezien het voorgaande behoeven de overige onderdelen van het beroep van [appellanten sub 1] geen bespreking meer. 2.8. Verweerders dienen ten aanzien van appellanten sub 1, 3 en 6 op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van appellanten sub 1 geheel gegrond en de beroepen van appellanten sub 3 en 6 gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Limburg van 13 november 2001, kenmerk 2001/49956, voor zover het betreft: a. het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" voor de woning [locatie 3]; b. het plandeel zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart; III. onthoudt goedkeuring aan de onder II bedoelde plandelen; IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd; V. verklaart de beroepen van appellanten sub 3 en 6 voor het overige en de beroepen van appellanten sub 2, 4 en 5 geheel ongegrond; VI. veroordeelt gedeputeerde staten van Limburg in de door appellanten sub 1, 3 en 6 in verband met de behandeling van hun beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.932,00 (€ 644,00 per appellant), welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de provincie Limburg te worden betaald aan appellanten; VII. gelast dat de provincie Limburg aan appellanten sub 1, 3 en 6 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (appellante sub 1 € 109,00; appellanten sub 3 en 6 elk € 218,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Verbeek Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2002 12-388.