(1998), dienen zogenoemde inbreidingslocaties te prevaleren boven uitbreidingen van de kern. Eerst indien geen inbreidingslocaties aanwezig zijn, kan uitbreiding van de kern worden overwogen. Dit beleid is in de brief van 24 oktober 2000 van verweerders aan de gemeentebesturen nader ingevuld. De Afdeling is van oordeel dat in tegenstelling tot hetgeen het gemeentebestuur betoogt, uit de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch uit een ander wettelijk voorschrift voortvloeit dat tegen het provinciale beleid zonder meer een rechtsmiddel dient open te staan, alvorens verweerders zich kunnen beroepen op dit beleid. Blijkens de brieven van 9 december 1997 en 24 oktober 2000 is het provinciale beleid er tevens op gericht dat in bestemmingsplannen slechts voor een periode van maximaal 5 tot 6 jaar, met het jaar 2005 als uiterste grens, bestemmingen met een directe bouwtitel worden opgenomen. Bij landelijke gemeenten (gemeenten in groeiklasse 2 en 3) zal hierop met name worden toegezien. In afwachting van het nieuwe streekplan hebben verweerders het niet wenselijk geacht dat een bestemmingsplan vanaf genoemde datum voorziet in uitbreidingslocaties, nu dit het toekomstige streekplanbeleid zou kunnen doorkruisen. Dit beleid acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk. De omstandigheid dat ingevolge artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een bestemmingsplan ten minste eenmaal in de tien jaar moet worden herzien, maakt dit niet anders. Vessem is een kern in groeiklasse
- Blijkens de plantoelichting wordt het plangebied in de nota “Kernen in het groen” gezien als een uitbreidingslocatie ter afronding van het woongebied Lange Ekker. De Afdeling is niet van feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan aan de juistheid hiervan zou moeten worden getwijfeld. Gelet op het vorenstaande dient in beginsel dan ook toepassing te worden gegeven aan het genoemde beleid. Voorzover de gemeenteraad met het bezwaar dat geen wezenlijke overcapaciteit aan woningbouw zal ontstaan, beoogt te stellen dat mocht het genoemde beleid al van toepassing zijn, afwijking daarvan in dit geval in de rede had gelegen, overweegt de Afdeling als volgt. In de plantoelichting wordt uitgegaan van 44 benodigde woningen voor de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari
- Op 1 januari 2000 bedroeg de restcapaciteit 40 woningen, exclusief de in het plan opgenomen bouwmogelijkheden. Het plan is naar verwachting derhalve pas na het jaar 2003 noodzakelijk om in de woningbouwbehoefte te voorzien. Het beroep van de raad geeft naar het oordeel van de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. Daarbij merkt de Afdeling op dat bij de beoordeling van het plan moet worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden die het plan biedt en van de volledige restcapaciteit die er is. Dat het gemeentebestuur stelt niet zonder meer de volledige woningcapaciteit te zullen benutten, doet hier niet aan af. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat de particuliere restcapaciteit mogelijk vóór 2005 niet geheel zal worden ingevuld. Verweerders hebben, naar het oordeel van de Afdeling, de particuliere bouwkavels dan ook in redelijkheid bij de restcapaciteit kunnen betrekken. Ten aanzien van de overige grieven van [appellant sub 2] overweegt de Afdeling dat verweerders niet gebonden zijn aan een tussen appellant en de gemeente gesloten ruilovereenkomst. Een ander oordeel zou betekenen dat de beoordelingsruimte van verweerders door toedoen van het gemeentebestuur of derden kan worden ingeperkt. De omstandigheid dat appellant inmiddels met de ontwikkeling van het bouwplan voor de nieuwe woning is gestart, noch de omstandigheid dat het plan door de Welstandscommissie is goedgekeurd, maakt dit anders. Ook in de grieven van [appellant sub 2] hebben verweerders gelet op het bovenstaande, naar het oordeel van de Afdeling derhalve geen aanleiding hoeven te zien om van het genoemde beleid af te wijken. 2.3.
- Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarom terecht goedkeuring onthouden aan het plan. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat. w.g. Cleton w.g. Troost Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2002 234-425.