200200009/1. Datum uitspraak: 4 december 2002 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 1], gevestigd te [plaats], 2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], en gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerders. 1. Procesverloop Bij besluit van 26 november 2001, kenmerk 412351, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan appellante sub 1 vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de tijdelijke opslag van verontreinigde grond op het adres [locatie]. Dit aangehechte besluit is op 7 december 2001 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 15 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2002, en appellant sub 2 bij brief van 9 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2001, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 16 juli 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 1 en verweerders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2002, waar partijen niet zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. De inrichting waarvoor vergunning is verleend is bestemd voor de tijdelijke opslag van verontreinigde grond, die vrijkomt bij werkzaamheden op het voormalige Rotterdamse Droogdok Maatschappij (RDM)-terrein, thans Bedrijvenpark Heijplaat. Het gronddepot is op dit terrein gesitueerd. 2.2. Appellante sub 1 heeft in haar nadere stuk van 7 november 2002 de beroepsgronden inzake de mandaatregeling, de geldigheidsduur van de vergunning, de voorschriften 4.1 tot en met 4.9, 5.12 en 7.11 ingetrokken. 2.3. Verweerders hebben gesteld dat de beroepsgronden van appellante sub 1 inzake de aan de vergunning verbonden voorschriften 4.10 en 4.11 en de beroepsgrond van appellant sub 2 inzake het niet betrekken van het platform Hinder en Veiligheid bij de besluitvorming, geen grondslag vinden in de bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit, zodat de beroepen in zoverre niet-ontvankelijk zijn. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door: a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit; b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit; c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht; d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Appellante sub 1 heeft de gronden inzake de voorschriften 4.10 en 4.11 niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Appellant sub 2 heeft de grond inzake het niet betrekken van het platform Hinder en Veiligheid bij de besluitvorming niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen van appellanten in zoverre niet-ontvankelijk zijn. 2.4. Voorzover appellant sub 2 stelt dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat verweerders zijn gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. Het beroep van appellant sub 2 treft in zoverre geen doel. 2.5. Appellant sub 2 stelt dat geen milieu-effectrapportage is verricht en dat om die reden geen vergunning kon worden verleend. Vaststaat dat de activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden niet vallen onder de in de Bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 genoemde categorieën. Er bestond derhalve geen wettelijke plicht tot het opstellen van een milieu-effectrapport alvorens vergunning te verlenen. Het beroep van appellant sub 2 treft in zoverre geen doel. 2.6. Appellant sub 2 kan zich verder niet verenigen met de aan de vergunning verbonden geldigheidsduur van tien jaar. Hij vindt deze termijn te lang. Ingevolge artikel 8.17, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, geldt een vergunning die betrekking heeft op een inrichting waarin afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn, worden verwijderd, dan wel op een inrichting waarin gevaarlijke afvalstoffen die in een inrichting zijn ontstaan, op of in de bodem worden gebracht om ze daar te laten, voor zover zij dat verwijderen of op of in de bodem brengen betreft, slechts voor een daarbij te stellen termijn van ten hoogste tien jaar. De Afdeling overweegt, mede gelet op het deskundigenbericht van de StAB, dat niet is gebleken van omstandigheden die verweerders op voorhand aanleiding hadden moeten geven de vergunning voor een kortere periode dan tien jaar te verlenen. Mocht het milieubelang aanleiding geven voor een verandering van de vergunningvoorschriften, dan kan gebruik worden gemaakt van afdeling 8.1.2 van de Wet milieubeheer betreffende het wijzigen en intrekken van vergunningen. Het beroep van appellant sub 2 treft in zoverre geen doel. 2.7. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente, algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten. 2.8. Appellante sub 1 kan zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.7, voorzover daarin is bepaald dat elke partij grond die in de inrichting wordt geaccepteerd dient te zijn onderzocht op de aanwezigheid van asbest. Zij stelt dat dit voorschrift te absoluut is en niet reëel. Naar haar mening moet dit voorschrift zodanig worden aangepast dat alleen grond die afkomstig is van een terreingedeelte dat verdacht is van de aanwezigheid van asbest en waarvan is aangetoond dat de grond asbestdeeltjes bevat, dient te zijn onderzocht. Verweerders hebben zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat het nodig is, gezien de in het verleden verrichte werkzaamheden op het voormalige RDM-terrein, dat elke partij grond die in de inrichting wordt geaccepteerd op asbest dient te zijn onderzocht. Uit hun nadere stuk van 7 november 2002 blijkt evenwel dat zij, mede gelet op het deskundigenbericht van de StAB, thans van mening zijn dat voorschrift 2.7, voorzover bestreden, te streng geredigeerd is; naar hun mening kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden verleend van de verplichting ‘elke partij’ te onderzoeken indien op grond van (reeds) uitgevoerd asbestonderzoek of onderzoek in het kader van V&G-plan gegevens over de aanwezigheid en omvang van de asbestverontreiniging bekend zijn of bekend is welke (deel)saneringslocaties naar aanleiding van een inventariserend asbestonderzoek als ‘schoon’ kunnen worden aangemerkt. De betreffende (asbest)rapportages moeten, voordat een partij grond in opslag wordt genomen, aan de directeur DCMR worden overgelegd. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders wat voorschrift 2.7 betreft, voorzover daarin is bepaald dat elke partij grond die in de inrichting wordt geaccepteerd dient te zijn onderzocht op de aanwezigheid van asbest, hebben gehandeld in strijd met het rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Mede gelet op het feit dat appellante sub 1 en verweerders het erover eens zijn dat dit voorschrift kan worden aangepast overeenkomstig het voorstel in het verslag van een op 17 oktober 2002 door hen gehouden bespreking en dat het in feite gaat om een aanscherping van voorschriften in het belang van de bescherming van het milieu, zal de Afdeling op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien. 2.9. Appellante sub 1 kan zich verder niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1, wat de hierin onder d, e, f en g vermelde gegevens betreft. Het registreren van deze gegevens acht zij niet nodig en dit leidt naar haar mening tot een ongewenste omvangrijke administratie. In dit verband stelt zij onder meer dat de naam en het adres van herkomst, gelet op voorschrift 2.1 waarin is bepaald dat in de inrichting grond mag worden opgeslagen afkomstig van het Bedrijvenpark Heijplaat, altijd bekend zijn. 2.9.1. In de aan de vergunning verbonden voorschriften 3.1 en 3.2 is bepaald welke gegevens met betrekking tot de aangevoerde en af te voeren verontreinigde grond die niet op het Bedrijvenpark Heijplaat in de bodemsanering zal worden hergebruikt, moeten worden geregistreerd. Ingevolge voorschrift 3.1, aanhef en onder d, e, f en g, moet van de aangevoerde verontreinigde grond in het depot naam en adres van herkomst (d), naam en adres van de vervoerder (e), het (PMV-) afvalstroomnummer of afvalstroomnummer gevaarlijk afval (indien van toepassing) (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.