200104209/1. Datum uitspraak: 18 december 2002 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de Staatssecretaris van Financiën, appellant, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 9 juli 2001 in het geding tussen: Koninklijke Nedlloyd N.V., gevestigd te Rotterdam en appellant. 1. Procesverloop Bij besluit van 27 december 2000 heeft appellant opnieuw beslist op het verzoek van 21 september 1998 van Koninklijke Nedlloyd N.V. (hierna: Nedlloyd) om informatie uit een brief van appellant aan de Commissie der Europese Gemeenschappen inzake haar verzoek om kwijtschelding ingevolge artikel 239 van EEG-Verordening nr. 2913/92 ten behoeve van Scholtze & Co B.V. te Amsterdam, en dit verzoek gedeeltelijk afgewezen. Bij besluit van 9 februari 2001 heeft appellant het daartegen door Nedlloyd gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 9 juli 2001, verzonden op 12 juli 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 september 2001. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 16 november 2001 heeft appellant het in het geding zijnde document overgelegd. Ten aanzien van de niet aan Nedlloyd overgelegde passages heeft hij hierbij om geheimhouding ingevolge artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzocht. Bij brief van 30 oktober 2001, nader aangevuld bij brief van 21 december 2001, heeft Nedlloyd van antwoord gediend. Bij brief van 6 december 2001 heeft Nedlloyd de Afdeling de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om mede op basis van de desbetreffende passages uit het in het geding zijnde document uitspraak te doen. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. S.H. van den Ende en mr. C.E. Hoogendijk, beiden werkzaam bij het ministerie, en Nedlloyd, vertegenwoordigd door mr. H.C. de Bie en mr. P. Bakker, advocaten te Amsterdam, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant op specifieke openbaarmakingsbepalingen van de Europese Commissie verworpen en geoordeeld dat het Reglement van Orde van het Comité Douanewetboek ter zake niet van toepassing is. In de tekst van artikel 11 van het Reglement van Orde heeft de rechtbank geen aanleiding gezien op dit punt tot een ander oordeel te komen. Appellant heeft in hoger beroep - ten betoge dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven - dit oordeel van de rechtbank bestreden. Volgens appellant heeft de rechtbank een onjuiste uitleg gegeven aan artikel 11 van het Reglement van Orde van het Comité Douanewetboek, nu zijns inziens niet alleen de werkzaamheden van het Comité Douanewetboek een vertrouwelijk karakter hebben, maar ook de stukken die in het Comité worden besproken en de beraadslagingen daarover. Appellant betoogt dan ook dat het document waarom is gevraagd, nu dit in het Comité Douanewetboek aan de orde is gesteld, valt onder de vertrouwelijkheidsbepaling van artikel 11 van het Reglement van Orde van het Comité Douanewetboek, welke bepaling als lex specialis voorrang heeft boven de bepalingen van de Wet openbaarheid van bestuur. 2.1.1. Dit betoog treft geen doel. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb te hebben kennis genomen van het in het geding zijnde document inclusief de niet aan Nedlloyd overgelegde passages, stelt de Afdeling vast dat het document is opgesteld door een dienst van de Lid-Staat Nederland, te weten de Belastingdienst, Directie Douane Rotterdam, onder verantwoordelijkheid van appellant, en aan (het Comité Douanewetboek van) de Commissie der Europese Gemeenschappen is voorgelegd ter verdere afhandeling van het verzoek om kwijtschelding. Ingevolge artikel 11 van het Reglement van Orde van het Comité Douanewetboek - voorzover hier van belang - hebben de werkzaamheden van het Comité een vertrouwelijk karakter. Mede gelet op de arresten van het Gerecht van Eerste Aanleg van 19 juli 1999 inzake Rothmans International B.V. / Commissie (T-188/97) en van 10 oktober 2001 inzake British American Tobacco International (Investments) Ltd / Commissie (T-111/00) acht de Afdeling het buiten twijfel dat dit artikel niet zo ruim kan worden uitgelegd dat, zoals appellant betoogt, in het algemeen een geheimhoudingsplicht bestaat ten aanzien van door derden aan het Comité voorgelegde stukken die aldaar worden besproken. Het door appellant in dit verband gedane beroep op de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 1995 in zaak no. R01.93.0067 (AB 1997, no. 117) slaagt niet, reeds omdat in die zaak niet de openbaarmaking van een stuk van een Lid-Staat maar die van een document van de Raad van de EG aan de orde was. 2.2. In hoger beroep staat derhalve ter toets het oordeel van de rechtbank over de tevens door appellant aan zijn besluit ten grondslag gelegde weigeringsgronden, te weten artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) samen met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, b, d, e en g, subsidiair artikel 11 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). 2.3. Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de AWR is het een ieder verboden hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet, of in verband daarmede, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de Minister van Financiën ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod. Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob, voorzover hier van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.