(2)van windturbines uit te sluiten gebieden. Het streekplan wijst geen concrete gebieden aan waar één of meer met elkaar samenhangende installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie opgericht, gewijzigd of uitgebreid zullen worden. Ten aanzien van deze beleidsuitspraken is de Afdeling van oordeel dat verweerders geen afgewogen, finale beslissing hebben genomen over een concrete vorm van grondgebruik. Weliswaar zijn zoekgebieden voor de plaatsing van windturbines aangewezen, maar de uiteindelijke keuze ten aanzien van de plaatsing van windturbines wordt aan gemeentebesturen overgelaten. Daarbij is ruimte voor een nadere afweging van belangen. Reeds hierom is niet voldaan aan alle vereisten om te kunnen oordelen dat de beleidsuitspraken met betrekking tot de plaatsing van windturbines als besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de WRO in samenhang met artikel 1:3 van de Awb, kunnen worden aangemerkt. De Afdeling is derhalve ook in zoverre niet bevoegd van het beroep van [appellanten sub 8] kennis te nemen. 2.
- Beroep van de SGRFW, beroep van [appellant sub 5], beroep van [appellant sub 7] en beroep van de stichting “Stichting Windhoek” (alle gedeeltelijk) 2.11.
- De SGRFW stelt in beroep onder meer dat verweerders ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, omdat de plankaart onvoldoende duidelijk maakt welke gebieden behoren tot de essentiële uitspraken en welke tot de richtinggevende uitspraken. Appellante voert in dit verband aan dat de richtinggevende uitspraak op p. 10 van het plan voor een rechtsonzekere situatie zorgt, omdat hiermee van de essentiële uitspraak zou kunnen worden afgeweken. Ook [appellant sub 5], [appellant sub 7] en de stichting “Stichting Windhoek” hebben soortgelijke bezwaren tegen het streekplan, in het bijzonder tegen de, naar hun mening, vage begrenzing van de zoekgebieden en uit te sluiten gebieden. De Afdeling vat de bezwaren van appellanten op als gericht tegen de mogelijkheid die het plan naar hun mening biedt om windturbines te plaatsen in uit te sluiten gebieden. [appellant sub 7] voert voorts nog aan dat bij de aanwijzing van uit te sluiten gebieden onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de bevolking. 2.11.
- Zoals in overweging 2.4.
- reeds overwogen, is de Afdeling van oordeel dat de beslissing met betrekking tot de plaatsing van windturbines in de op de plankaart aangegeven uit te sluiten gebieden, met uitzondering van de Waddenzee, de Waddeneilanden en het IJsselmeer, niet als besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de WRO in samenhang met artikel 1:3 van de Awb, kan worden aangemerkt. Voorts is de Afdeling van oordeel, zoals in overweging 2.10.
- reeds overwogen, dat ook de beleidsuitspraken met betrekking tot de plaatsing van windturbines niet als besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de WRO in samenhang met artikel 1:3 van de Awb, kunnen worden aangemerkt. Gelet hierop is de Afdeling niet bevoegd van de hiertegen gerichte beroepsonderdelen van de SGRFW, [appellant sub 5], [appellant sub 7] en de stichting “Stichting Windhoek” kennis te nemen. 2.
- Beroep van de VES, beroep van de SGRFW (gedeeltelijk) en beroep van de stichting “Stichting Windhoek” (gedeeltelijk) 2.12.
- De VES stelt in beroep dat verweerders ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voorzover hierin de mogelijkheid wordt geboden aansluitend aan bestaande bedrijventerreinen windturbines te plaatsen. Ook de SGRFW en de stichting “Stichting Windhoek” hebben, onder meer, bezwaren tegen dit onderdeel van het streekplan. 2.12.
- Blijkens het streekplan gaat de voorkeur van het provinciebestuur uit naar plaatsing van windturbines op of aansluitend aan bedrijventerreinen, zowel wat betreft de plaatsing van een cluster windturbines als wat betreft de plaatsing van solitaire turbines. Hiertoe bepaalt het streekplan in hoofdstuk 3 onder meer: “Wij vragen aan alle Friese gemeenten om één locatie aan te wijzen die voor plaatsing van een opschalingscluster in aanmerking komt. Dit cluster wordt bij voorkeur geplaatst op of aansluitend bij een bedrijventerrein. (…) Wij bieden gemeenten de mogelijkheid om nieuwe solitaire turbines te plaatsen op of aansluitend bij bedrijventerreinen.” Gelet op de formulering van dit beleid hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling ten aanzien van de plaatsing van windturbines op en in aansluiting aan bedrijventerreinen geen afgewogen, finale beslissing genomen. Er is sprake van zoekgebieden voor de plaatsing van windturbines, waarbij de voorkeur uitgaat naar plaatsing op en in aansluiting aan bedrijventerreinen. Gemeenten en particuliere initiatiefnemers kunnen op lokaal niveau (ruimtelijke) plannen en projecten voor windenergie ontwikkelen. De uiteindelijke keuze ten aanzien van de plaatsing van windturbines wordt aan gemeentebesturen overgelaten, waarbij ruimte is voor een nadere afweging van belangen. Reeds hierom is niet voldaan aan alle vereisten om te kunnen oordelen dat de beslissing met betrekking tot de plaatsing van windturbines op en in aansluiting aan bedrijventerreinen als besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de WRO in samenhang met artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt. De Afdeling is dan ook niet bevoegd van het hiertegen gerichte beroep van de VES en de hiertegen gerichte delen van de beroepen van de SGRFW en de stichting “Stichting Windhoek” kennis te nemen. 2.
- Beroep van [appellant sub 7] (gedeeltelijk) 2.13.
- Naast hetgeen reeds in overweging 2.11.
- is weergegeven, stelt [appellant sub 7] in beroep voorts dat verweerders ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voorzover hierin de mogelijkheid wordt geboden windturbines te plaatsen langs grootschalige structuurbepalende elementen. 2.13.
- Zoals hiervoor in overweging 2.12.
- reeds weergegeven, gaat de voorkeur van het provinciebestuur uit naar plaatsing van windturbines op of aansluitend aan bedrijventerreinen. In aansluiting hierop bepaalt het streekplan in paragraaf 3.
- op pagina 12: “Indien deze voorkeur niet te realiseren is, gaat onze voorkeur uit naar plaatsing langs grootschalige structuurbepalende elementen. Hieronder verstaan wij: Van Harinxmakanaal, Prinses Margrietkanaal, A31, N31, A7, A32, A6, en het Friese gedeelte van het spoor Leeuwarden-Zwolle.” Gelet op de formulering van dit beleid hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling ten aanzien van de plaatsing van windturbines langs grootschalige structuurbepalende elementen geen afgewogen, finale beslissing genomen. Er is sprake van een voorkeur voor de plaatsing van windturbines. De uiteindelijke keuze ten aanzien van de plaatsing van windturbines wordt aan gemeentebesturen overgelaten, waarbij ruimte is voor een nadere afweging van belangen. Reeds hierom is niet voldaan aan alle vereisten om te kunnen oordelen dat de beslissing met betrekking tot de plaatsing van windturbines op en in aansluiting aan bedrijventerreinen als besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de WRO in samenhang met artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt. De Afdeling is dan ook niet bevoegd van het hiertegen gerichte beroepsonderdeel van [appellant sub 7] kennis te nemen. 2.13.
- [appellant sub 7] voert verder aan dat verweerders ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voorzover hierin wordt bepaald dat vervanging bij recht van bestaande turbines mogelijk is. 2.13.
- Ten aanzien van opschalingsclusters bepaalt het streekplan hierover in paragraaf 3.3., op pagina 12: “Wij merken hierbij op dat vervanging bij recht van de 11 bestaande opstellingen wel mogelijk is.” Ten aanzien van solitaire turbines bepaalt het streekplan in paragraaf 3.4., op pagina 13: “Vervanging van solitaire turbines op dezelfde locatie is bij recht mogelijk.” Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders ten aanzien van de vervanging van windturbines geen afgewogen finale beslissing genomen. Weliswaar wordt aangegeven dat bestaande turbines vervangen mogen worden, mits het aantal, de hoogte en het type windturbine gelijk blijft, doch de voorkeur van het provinciebestuur gaat uit naar verplaatsing en opschaling van de turbines. De uiteindelijke keuze of turbines worden vervangen, is, zoals ook ter zitting is bevestigd, aan gemeentebesturen overgelaten, waarbij ruimte is voor een nadere afweging van belangen. Reeds hierom is niet voldaan aan alle vereisten om te kunnen oordelen dat de beslissing met betrekking tot de vervanging van windturbines als besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de WRO in samenhang met artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt. De Afdeling is dan ook niet bevoegd van het hiertegen gerichte beroepsonderdeel van [appellant sub 7] kennis te nemen. 2.
- Beroep van de Vogelbescherming Nederland en de Waddenvereniging 2.14.
- De Vogelbescherming Nederland en de Waddenvereniging stellen in beroep dat verweerders ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voorzover hierin de plaatsing van windturbines op de Afsluitdijk en in een aanliggende strook van de Waddenzee en het IJsselmeer mogelijk wordt gemaakt. 2.14.
- Volgens de plankaart van het streekplan is het betreffende gebied aangewezen als gebied waarbinnen alternatieven worden ontwikkeld voor het Interprovinciaal Windpark Afsluitdijk. In paragraaf 3.
- van het streekplan wordt ten aanzien van dit project het volgende bepaald: “Vanwege de nauwe samenwerking met de provincie Noord-Holland is gekozen voor een gezamenlijk streekplantraject. Dit betekent dat de formele vaststellingsprocedure van deze locatie in het streekplan los van het voorliggend streekplan Windstreek 2000 zal worden gevolgd. (…) Wij zijn van mening dat alvorens de openbare discussie c.q. eigen streekplanprocedure voor de windturbinelocatie Afsluitdijk wordt gestart hierover een kabinetsstandpunt vereist is.” Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling ten aanzien van de plaatsing van windturbines op en in aansluiting bij de Afsluitdijk geen afgewogen, finale beslissing genomen. Weliswaar spreekt uit het streekplan de duidelijke intentie hier een windmolenpark te ontwikkelen, maar hiervoor is nog verdere besluitvorming nodig, waarbij ruimte is voor een nadere afweging van belangen. Reeds hierom is niet voldaan aan alle vereisten om te kunnen oordelen dat de beslissing met betrekking tot de plaatsing van windturbines op en in aansluiting aan de Afsluitdijk als besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de WRO in samenhang met artikel 1:3 van de Awb, kan worden aangemerkt. De Afdeling is dan ook niet bevoegd van het hiertegen gerichte beroep van de Vogelbescherming Nederland en de Waddenvereniging kennis te nemen. 2.
- Bezwaren inzake masthoogtes 2.15.
- Naast hetgeen reeds in overweging 2.11.
- en 2.12.
- is weergegeven, stelt de SGRFW in beroep voorts dat verweerders ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld voorzover hierin de plaatsing van windturbines met een masthoogte van 45 meter, 60 meter of nog meer, wordt toegestaan. Ook [appellant sub 5], [appellant sub 7] en de stichting “Stichting Windhoek” hebben, onder meer, bezwaren met betrekking tot de in het streekplan geregelde masthoogtes. 2.15.
- In de paragrafen 3.
- en 3.
- van het streekplan wordt op pagina 13 ten aanzien van de masthoogtes van te plaatsen windturbines het volgende bepaald: “De maximale masthoogte voor windturbines in opschalingsclusters bedraagt op of aansluitend bij een bedrijventerrein in de stedelijke of regionale centra 60 meter. De maximale masthoogte voor windturbines in opschalingsclusters bedraagt langs grootschalige structuurbepalende elementen 60 meter. In de overige gevallen bedraagt de maximale masthoogte voor windturbines in opschalingsclusters 45 meter. In bijzondere gevallen kan een hogere masthoogte aanvaardbaar zijn mits dit gemotiveerd wordt op grond van gebruiks- en belevingsfuncties (...) De maximale masthoogte voor solitaire turbines bedraagt op of aansluitend bij een bedrijventerrein in de stedelijke of regionale centra 60 meter. In de overige gevallen bedraagt de maximale masthoogte voor solitaire turbines 45 meter. In bijzondere gevallen kan een hogere masthoogte aanvaardbaar zijn mits dit gemotiveerd wordt op grond van gebruiks- en belevingsfuncties”. Gelet op deze tekst is naar het oordeel van de Afdeling ten aanzien van de hoogte van windturbines in opschalingsclusters en van solitaire windturbines geen afgewogen, finale beslissing genomen. Weliswaar zijn maximale hoogtes van 45 en 60 meter opgenomen, maar daarvan kan in bijzondere gevallen worden afgeweken. De uiteindelijke keuze ten aanzien van de hoogte van de windturbines wordt aan gemeentebesturen overgelaten, waarbij ruimte is voor een nadere afweging van belangen. Reeds hierom is niet voldaan aan alle vereisten om te kunnen oordelen dat de beslissingen met betrekking tot de masthoogte van te plaatsen windturbines als besluiten in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de WRO in samenhang met artikel 1:3 van de Awb kunnen worden aangemerkt. De Afdeling is dan ook niet bevoegd van de hiertegen gerichte beroepsonderdelen van de SGRFW, [appellant sub 5], [appellant sub 7] en de stichting “Stichting Windhoek” kennis te nemen. 2.
- Bezwaren inzake opschaling van clusters 2.16.
- De SGRFW stelt in beroep voorts dat verweerders ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voorzover hierin vijf bestaande windmolenclusters geschikt worden geacht voor opschaling. 2.16.
- In paragraaf 3.
- van het streekplan wordt op pagina 12 het volgende bepaald. “Van de 11 op dit moment bestaande opstellingen met meer dan 2 turbines achten wij vijf opstellingen geschikt voor opschaling. Dit heeft hoofdzakelijk te maken met de ligging van deze opstellingen binnen de zoekruimte. In principe komen voor opschaling in aanmerking: - Herbayum, Franekeradeel - De Bjirmen, idem - Schingen, Menaldumadeel - Spannenburg, Skarsterlân - Beabuorren, Wûnseradiel” Gelet op de formulering van dit beleid is naar het oordeel van de Afdeling ten aanzien van de opschalingsclusters geen afgewogen, finale beslissing genomen. Weliswaar hebben verweerders aangegeven welke bestaande opstellingen naar hun mening voor opschaling in aanmerking komen, doch de uiteindelijke keuze ten aanzien van de locatie van opschalingsclusters wordt aan gemeentebesturen overgelaten. Hierbij is ruimte voor een nadere afweging van belangen. Reeds hierom is niet voldaan aan alle vereisten om te kunnen oordelen dat de beslissing met betrekking tot de opschalingsclusters als besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de WRO in samenhang met artikel 1:3 van de Awb, kan worden aangemerkt. De Afdeling is dan ook niet bevoegd van het hiertegen gerichte beroepsonderdeel van de SGRFW kennis te nemen. 2.
- Proceskostenveroordeling 2.17.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart zich onbevoegd van de beroepen van de VES, burgemeester en wethouders van Dongeradeel, de SGRFW, [appellant sub 5], [appellante sub 6], [appellant sub 7], [appellanten sub 8], [appellanten sub 9], [appellanten sub 10], [appellant sub 11], de stichting “Stichting Windhoek” en Vogelbescherming Nederland en de Waddenvereniging, en het beroep van burgemeester en wethouders van Vlieland voorzover dat betreft het niet opnemen van het gemeentelijk plan op Vlieland twee windturbines te plaatsen als lopend initiatief in het streekplan, kennis te nemen; II. verklaart het beroep van burgemeester en wethouders van Vlieland voor het overige en het beroep van Nuon geheel ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en drs. G.A. Posthumus en mr. J.J. Vis, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G.L. de Vette, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. De Vette Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002 196-350.