← Nederland

ECLI:NL:RVS:2002:AF2313

200002907/

  1. Datum uitspraak: 24 december 2002 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],
  3. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],
  4. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],
  5. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],
  6. [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats],
  7. [appellante sub 6], gevestigd te [plaats],
  8. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],
  9. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],
  10. [appellante sub 9], gevestigd te [plaats],
  11. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],
  12. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],
  13. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],
  14. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats],
  15. [appellanten sub 14], wonend te [woonplaats],
  16. [appellant sub 15], wonend te [woonplaats],
  17. [appellant sub 16], wonend te [woonplaats],
  18. [appellant sub 17], wonend te [woonplaats],
  19. [appellant sub 18], wonend te [woonplaats],
  20. [appellant sub 19], wonend te [woonplaats],
  21. [appellant sub 20], wonend te [woonplaats],
  22. [appellant sub 21], wonend te [woonplaats],
  23. [appellante sub 22], gevestigd te [plaats],
  24. [appellante sub 23] en [appellant sub 23a], gevestigd, respectievelijk, wonend te [woonplaats],
  25. [appellant sub 24], wonend te [woonplaats],
  26. de vereniging "Motor Sport Verenigingen Landerd", gevestigd te Schaijk,
  27. [appellant sub 26], wonend te [woonplaats],
  28. [appellante sub 27] en [appellant sub 27a], gevestigd, respectievelijk wonend te [woonplaats],
  29. de stichting "Stichting Brabantse Milieufederatie", de stichting "Stichting Natuur en Milieu Landerd" en de vereniging "Das en Boom" (hierna: de BMF e.a.), respectievelijk gevestigd te Tilburg, Reek en Beek-Ubbergen,
  30. de gemeenteraad van Landerd,
  31. [appellanten sub 30], wonend te [woonplaats],
  32. [appellant sub 31], wonend te [woonplaats],
  33. [appellant sub 32], wonend te [woonplaats],
  34. [appellant sub 33], wonend te [woonplaats],
  35. [appellant sub 34], wonend te [woonplaats],
  36. [appellante sub 35], gevestigd te [plaats],
  37. [appellant sub 36], wonend te [woonplaats], en gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerders.
  38. Procesverloop Bij besluit van 16 september 1999 heeft de gemeenteraad van Landerd, op voorstel van burgemeester en wethouders van 31 augustus 1999, vastgesteld het bestemmingsplan "Buitengebied". Verweerders hebben bij hun besluit van 9 mei 2000, nummer 642804, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. Verweerders hebben geen verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 31 mei 2002 (hierna: deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 en 12 november 2002, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. [appellante sub 3], [appellanten sub 5], [appellant sub 8], [appellanten sub 14], [appellant sub 16], [appellant sub 20], [appellant sub 31] en [appellant sub 34] zijn niet verschenen. Verweerders en de gemeenteraad hebben zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn als partij [partij 1] verschenen.
  39. Overwegingen Overgangsrecht 2.
  40. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447). Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht. Doel van het plan 2.
  41. Het plan heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente Landerd, met uitzondering van de woonkernen Reek, Schaijk en Zeeland en enkele bedrijventerreinen. Het plan beoogt niet alleen bestaande waarden en individuele en algemene belangen te beschermen maar is tevens op ontwikkeling gericht. Het vervangt een groot aantal verouderde bestemmingsplannen voor delen van de voormalige gemeenten Schaijk en Zeeland. Verweerders hebben het plan gedeeltelijk goedgekeurd. Ontvankelijkheid 2.
  42. [appellante sub 1] en [appellant sub 26] hebben tegen het ontwerp-plan geen zienswijzen ingebracht bij de gemeenteraad. Ook de beroepsgrond van [appellant sub 4] die betrekking heeft op de (bedrijfs)woning aan de [locatie 1] steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. In het stelsel, neergelegd in artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, tweede lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten, indien tegen het ontwerp-plan een zienswijze bij de gemeenteraad is ingebracht. Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Deze uitzonderingen doen zich wat betreft de beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 4] hier niet voor. De beroepen van [appellante sub 1], in zijn geheel, en [appellant sub 4], in zoverre, zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 26] is deels gericht tegen de gewijzigde vaststelling van het plan en is in zoverre ontvankelijk. Ten aanzien van het deel van haar beroep dat gericht is tegen de goedkeuring van de planologische regeling van haar voormalige woning [locatie 2] te [plaats], blijkt uit de stukken dat appellante daartegen geen zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht. Het plan is op dit punt niet gewijzigd vastgesteld en hieraan is geen goedkeuring onthouden. Appellante heeft aangevoerd dat haar brief van 8 maart 1999 aan het gemeentebestuur als zienswijze gericht tegen het ontwerpplan dient te worden beschouwd. Vast staat dat deze brief niet gericht was tegen het ontwerpplan maar een reactie was op een aan appellante gestuurde kopie van een brief van het gemeentebestuur van 3 februari 1999 gericht aan de nieuwe eigenaar van het recreatieterrein De Landerije. In deze brief kreeg de nieuwe eigenaar de gelegenheid haar plannen en wensen met betrekking tot het recreatiepark toe te lichten. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door appellante gestelde samenhang tussen het onderwerp van de brief van 3 februari 1999 en de bestemmingsplanprocedure, waardoor volgens appellante niet van haar kon worden verwacht dat zij een tweede brief ten aanzien van het ontwerpplan zou schrijven. Niet is gebleken dat appellante redelijkerwijs niet in staat is geweest in dit verband een zienswijze in te dienen bij de gemeenteraad. Het beroep van [appellant sub 26] is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk. Toetsingskader 2.
  43. Aan de orde is een aantal geschillen inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast. Opzet van het plan 2.
  44. Op plankaart 1 zijn de gebiedsgerichte hoofdbestemmingen aangegeven. Corresponderend met deze bestemmingen worden op de hulpkaarten A en B diverse differentiaties aangegeven. Deze differentiaties geven een verklaring voor de diverse waarden die in het desbetreffende gebied aanwezig zijn en die onder andere door middel van een aanlegvergunningenstelsel dienen te worden beschermd. Op hulpkaart A zijn de aanwezige natuurwaarden vermeld. Op hulpkaart B zijn de aanwezige landschappelijke/cultuurhistorische en abiotische waarden aangeduid. Naast de hoofdbestemmingen is op plankaart 1 eveneens een aantal medebestemmingen opgenomen. Voorts zijn op de detailplankaarten de medebestemmingen "Agrarische doeleinden -A-" en "Bedrijfsdoeleinden -B-" aangegeven. In artikel 3 van de planvoorschriften is de verhouding tussen de hoofd- en medebestemmingen nader uitgewerkt. In diverse artikelen komt de relatie tussen de hoofdbestemming en de differentiaties naar voren. Plankaart 2 geeft gewenste dan wel mogelijke ontwikkelingen in de planperiode weer. Het beroep van de BMF e.a. (gedeeltelijk) Dassenleefgebieden 2.
  45. De BMF e.a. stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring aan het plan hebben verleend voorzover niet alle dassenleefgebieden, zoals aangegeven op de geactualiseerde kaart 'Verspreidingsgebied van de das in Noord-Brabant', bestemd zijn tot groene hoofdstructuur. Zij voeren aan dat dit onder andere niet is gebeurd met de gronden ten zuiden van de Weversweg en ten noordoosten van de Driehuizerweg. 2.6.
  46. Verweerders hebben het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. 2.6.
  47. Volgens het streekplan Noord-Brabant van 17 juli 1992 (hierna: het streekplan) is de groene hoofdstructuur opgebouwd uit natuurkerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden, ecologische verbindingszones en multifunctionele bossen. In deze gebieden wordt in de planologische afweging aan aanwezige of te ontwikkelen natuurwaarden zoveel mogelijk prioriteit toegekend. Bestaande functies binnen de groene hoofdstructuur zullen ten gevolge van ruimtelijke maatregelen geen onevenredige schade mogen ondervinden. In de nota 'Ecologische bouwstenen voor de groene hoofdstructuur' uit 1993, een uitwerking van het streekplan, is vermeld hoe gemeentebesturen dienen om te gaan met de provinciale groene hoofdstructuur. De op streekplankaart 2 (elementen van de ruimtelijke hoofdstructuur) aangegeven groene hoofdstructuur is indicatief. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen hoe deze voorgestelde grenzen in het bestemmingsplan opgenomen dienen te worden. Daarnaast is in de nota voor de natuurkerngebieden onderscheid gemaakt naar diverse soorten, waaronder natuurkerngebieden voor dassen en natuurkerngebieden voor planten en plantengemeenschappen. Deze gebieden zijn indicatief op de bij de nota behorende kaartbijlage aangegeven en dienen in beginsel als zodanig in bestemmingsplannen te worden beschermd door onder andere een aanlegvergunningstelsel. Afwijking van de kaartbijlage is mogelijk indien de desbetreffende gemeenteraad dit voldoende motiveert. Verder gaan verweerders blijkens het bestreden besluit uit van de provinciale kaart 'Verspreidingsgebied van de das in Noord-Brabant' bij de vraag of er nog steeds sprake is van een actueel dassenleefgebied. Gebieden die in de nota niet zijn aangemerkt als natuurkerngebied voor dassen dienen eveneens als dassenleefgebied in het plan te worden beschermd, indien deze blijkens de kaart 'Verspreidingsgebied van de das in Noord-Brabant' actuele dassenleefgebieden zijn én in de nabijheid van het gebied actuele dassenburchten aanwezig zijn. Zijn de gronden op de kaart aangemerkt als actueel dassengebied, maar is er geen dassenburcht aanwezig, dan kan worden volstaan met het aanmerken van het gebied als verbindingsgebied voor dassen. Hierbij geldt echter wel dat de waarden welke hebben geleid tot het dassenleefgebied dan wel dassenverbindingsgebied, op afdoende wijze beschermd dienen te worden door het aanlegvergunningstelsel in het bestemmingsplan. Verweerders kunnen instemmen met het gemeentelijke beleid terzake. De gemeentelijke groene hoofdstructuur wordt in het plan gevormd door de gronden met de bestemmingen "Natuurgebied -Ng-", "Bos met accent op natuur -Bn-", "Multifunctioneel bos -Bm-" en "Agrarisch gebied met natuurwaarden -An-". De groene hoofdstructuur wordt onder andere beschermd door middel van de op de hulpkaarten A en B aangegeven differentiatie in samenhang met de in artikel 27 van de planvoorschriften opgenomen tabel strijdig gebruik/aanlegvergunningen. Het door verweerders gehanteerde beleid komt de Afdeling niet onredelijk voor. 2.6.
  48. Aan de gronden ten zuiden van de Weversweg is de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-" toegekend. Op plankaart 2 zijn de gronden aangeduid met "verbindingsgebied dassen". In de nota 'Ecologische bouwstenen voor de groene hoofdstructuur' zijn de gronden niet aangeduid als natuurkerngebied vanwege het voorkomen van dassen. Volgens de kaart 'Verspreidingsgebied van de das in Noord-Brabant' behoren de gronden tot het actuele leefgebied van de das. Daarnaast ligt in de nabijheid van dit gebied een actuele dassenburcht. Verweerders hebben in het bestreden besluit miskend dat de dassenburcht relatief dicht bij het gebied ligt en tevens bewoond is. Ter zitting hebben verweerders zich op het standpunt gesteld dat zij het gebied ten onrechte niet hebben aangemerkt als dassenleefgebied. Verweerders stellen zich in zoverre op een ander standpunt dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan. Niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven. Derhalve moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van de BMF e.a. is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-", nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart I. De Afdeling ziet, gelet op het hier bovenstaande, aanleiding om goedkeuring te onthouden aan bovengenoemde plandelen. 2.6.
  49. Aan de gronden ten noordoosten van de Driehuizerweg is de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" toegekend. Op plankaart 2 zijn de gronden aangemerkt als "verbindingsgebied dassen". In de nota 'Ecologische bouwstenen voor de groene hoofdstructuur' zijn de gronden niet aangeduid als natuurkerngebied vanwege het voorkomen van dassen. Volgens de kaart 'Verspreidingsgebied van de das in Noord-Brabant', behoren de gebieden tot het actuele leefgebied van de das. In de nabijheid van het gebied ligt geen actuele dassenburcht. Appellanten hebben geen gegevens overgelegd op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de gronden dienen als leef- dan wel foerageergebied voor de das. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders in redelijkheid kunnen instemmen met de differentiatie "verbindingsgebied dassen" in plaats van de differentiatie "dassenleefgebied". Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de agrarische bestemming is bestemd voor een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening en dat op de desbetreffende gronden, gelet op het aantal aanwezige bedrijven, slechts in geringe mate mag worden gebouwd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende gronden een verdergaande bescherming behoeven dan thans door het bestemmingsplan is gewaarborgd. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerders niet aan het beleid hebben kunnen vasthouden. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van de BMF e.a. is op dit punt ongegrond. Aanlegvergunningen 2.
  50. De BMF e.a. kunnen zich voorts niet met het bestreden besluit verenigen op de na te noemen gronden. Zij stellen dat het plan ten onrechte niet voorziet in een aanlegvergunningvereiste voor het scheuren van grasland in plantenkerngebieden, voor het rooien van houtgewassen in dassenleefgebieden en voor lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ter bescherming van de dassenleefgebieden en de landschappelijk waardevolle gebieden. Het bezwaar ten aanzien van (niet-lage) tijdelijke teeltondersteunende kassen/hoge tunnels hebben appellanten ter zitting ingetrokken. 2.7.
  51. De gemeenteraad heeft in artikel 27 van de planvoorschriften voor bepaalde werken en/of werkzaamheden een aanlegvergunningenstelsel opgenomen. 2.7.
  52. Verweerders hebben de planregeling wat betreft het scheuren van grasland in plantenkerngebieden, het rooien van houtgewassen in gebieden met natuurwaarden en teeltondersteunende voorzieningen ter bescherming van de dassenleefgebieden en de landschappelijk waardevolle gebieden niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en in zoverre goedkeuring aan het plan verleend. 2.7.
  53. Zoals is overwogen in 2.6.2, behoren blijkens het provinciale beleid gebieden met bijzondere planten en plantengemeenschappen tot de natuurkerngebieden en daarmee tot de groene hoofdstructuur. In de nota 'Ecologische bouwstenen voor de groene hoofdstructuur' is vermeld dat bijzondere flora aanwezig kan zijn langs sloot- en perceelsranden, watergangen, bermen, dijken, oevers en in kleine wateren en bosjes. Het kerngebied bestaat hierbij uit de waterplas met een smalle oeverzone. In bijlage 1 van de nota is ten aanzien van natuurkerngebieden voor planten of plantengezelschappen onder meer aangegeven dat het scheuren van grasland als strijdig gebruik moet worden aangemerkt. Dit beleid acht de Afdeling niet onredelijk. Op de kaartbijlage van de nota 'Ecologische bouwstenen voor de groene hoofdstructuur' zijn de gronden ten zuidoosten van de kern Zeeland aangeduid als natuurkerngebied. Blijkens hulpkaart A is aan deze gronden de differentiatie "levensgemeenschap van sloten en slootkanten" toegekend. Ingevolge de tabel strijdig gebruik/aanlegvergunningen in artikel 27 van de planvoorschriften is op deze gronden het scheuren van grasland geen strijdig gebruik. Ook is hiervoor geen aanlegvergunning vereist. Verweerders hebben zich, gezien het provinciale beleid, niet zonder meer op het standpunt kunnen stellen dat de desbetreffende aanlegvergunning niet nodig is omdat de natuurwaarden niet voorkomen op de tussen de sloten gelegen agrarische gronden, maar slechts aan de slootkanten. Immers, het te beschermen gebied betreft de waterplas met een smalle oeverzone. Niet is gebleken dat verweerders hier op enigerlei wijze rekening mee hebben gehouden. Een en ander leidt tot het oordeel dat verweerders het bestreden besluit in zoverre hebben genomen in strijd met de hierbij te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van de BMF e.a. is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de tabel strijdig gebruik/aanlegvergunningen in artikel 27 van de planvoorschriften voor de differentiatie "levensgemeenschappen van sloten en slootkanten" wat betreft het scheuren van grasland in plantenkerngebieden. 2.7.
  54. De Afdeling overweegt dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat het plan onvoldoende bescherming biedt aan de houtgewassen binnen de dassenleefgebieden. Ingevolge artikel 27 van de planvoorschriften geldt immers een aanlegvergunningplicht voor het rooien van houtgewas in plandelen met de differentiatie "dassenleefgebied". De Afdeling is van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van de BMF e.a. is op dit punt ongegrond. 2.7.
  55. Wat betreft het bezwaar dat het plan ten onrechte niet voorziet in een aanlegvergunningplicht voor lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ter bescherming van de dassenleefgebieden en de landschappelijk waardevolle gebieden, overweegt de Afdeling het volgende. Volgens het streekplan dient het gebruik van afdekmaterialen voor de vollegrondstuinbouw buiten de ontwikkelingsgebieden afhankelijk te worden gesteld van de bescherming van de in die gebieden aanwezige landschappelijke, natuur- en milieuwaarden. Blijkens de Handleiding buitengebied dient het aanbrengen van tijdelijke afdekfolies en/of lage tunnels aan een aanlegvergunning te worden gebonden in natuurkerngebieden, voorzover deze afdekmaterialen een bedreiging kunnen vormen voor de biotoop. Dit geldt in het bijzonder in de natuurkerngebieden voor weidevogels, amfibieën en reptielen en dassen. Het vorenstaande beleid komt de Afdeling niet onredelijk voor. Niet is gebleken dat het vorenstaande beleid onvoldoende dan wel op onjuiste wijze is overgenomen in het bestemmingsplan. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan het beleid hebben kunnen vasthouden. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, anders dan verweerders van mening zijn, tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen van negatieve invloed kunnen zijn op landschappelijke waarden. Echter, voor de gronden binnen het plangebied die blijkens streekplankaart 2 behoren tot het desbetreffende natuurkerngebied, is ingevolge artikel 27 van de planvoorschriften grotendeels een aanlegvergunning nodig voor de aanleg van tijdelijke lage tunnels en voor het aanbrengen van tijdelijke afdekfolies. Ten aanzien van de overige gronden die behoren tot het desbetreffende natuurkerngebied, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat op deze gronden zodanige natuurwaarden aanwezig zijn dat deze beschermd dienen te worden door middel van een aanlegvergunning voor eerdergenoemde tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders ervan uit kunnen gaan dat geen verdergaande bescherming van de aanwezige natuurwaarden nodig is. Een en ander leidt tot het oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van de BMF e.a. is op dit punt ongegrond. 2.
  56. De BMF e.a. stellen verder dat het plan ten onrechte niet voorziet in maatregelen ter voorkoming van verdroging. Zij stellen dat hiertoe ten onrechte geen bufferzones in het plan zijn opgenomen rond natte delen van de groene hoofdstructuur. Tevens zijn zij van mening dat het plan in dit verband ten onrechte niet voorziet in een aanlegvergunningstelsel voor werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden wat betreft gebieden met voor natuurwaarden bepalend grondwater. 2.8.
  57. De gemeenteraad is van mening dat de natte delen van de groene hoofdstructuur beschermd worden door de Verordening Waterhuishouding en de Keur. Hij meent dat dit ook geldt voor gebieden met voor natuurwaarden bepalend grondwater. 2.8.
  58. Verweerders hebben het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij kunnen instemmen met het standpunt van de gemeenteraad hieromtrent. 2.8.
  59. Ingevolge de Waterschapswet hebben waterschappen de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel. De taken die hun tot dat doel worden opgedragen betreffen onder andere de zorg voor de waterkering en de waterhuishouding. Voor de behartiging van deze taken stelt het algemeen bestuur van het waterschap een keur vast. Daarnaast zijn in het provinciaal Waterhuishoudingsplan beleidsregels opgenomen om verdrogingeffecten en verspreidingseffecten via (grond)water tegen te gaan. In de Handleiding buitengebied staat vermeld dat het waterschap verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van regelgeving voor waterhuishoudkundige aspecten in het buitengebied. In principe dient het bestemmingsplan op dit punt terug te treden en geen regelgeving meer op te nemen met betrekking tot taken die zien op waterhuishoudkundige ingrepen. Echter, naar het oordeel van de Afdeling behoeven bij het opstellen van de keur en bij de beslissing omtrent het verlenen van vergunningen op grond van die keur de belangen bij de bescherming van de natuurwaarden niet in dezelfde mate als bij de uitvoering van bestemmingsplanvoorschriften betrokken te worden. Denkbaar is dan ook dat een verlaging van de waterstand in een voorkomend geval vanuit waterstaatkundig oogpunt niet, maar vanuit een oogpunt van de bescherming van de aanwezige natuurwaarden wel op bezwaren stuit. Uit het vorenstaande volgt dat bij het opstellen van een bestemmingsplan niet zonder meer kan worden verwezen naar de keur van het betrokken waterschap. Verweerders hebben zich naar het oordeel van de Afdeling dan ook niet zonder meer op het standpunt kunnen stellen dat de keur van het waterschap voldoende waarborgen biedt voor het behoud van genoemde waarden. In dit verband is niet gebleken dat verweerders het voorgaande in hun besluitvorming hebben betrokken. Dit leidt tot het oordeel dat verweerders het bestreden besluit op dit punt hebben genomen in strijd met de hierbij te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van de BMF e.a. is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan punt 7 tot en met 14 van de tabel strijdig gebruik/aanlegvergunningen in artikel 27 van de planvoorschriften voor de differentiatie "voor natuurwaarden bepalende grondwaterstanden". 2.8.
  60. Wat betreft het bezwaar van appellanten dat ten onrechte geen bufferzones rond natte delen van de groene hoofdstructuur zijn opgenomen, overweegt de Afdeling als volgt. Niet aannemelijk is geworden dat verweerders niet ervan hebben kunnen uitgaan dat het opnemen van bufferzones in natte delen van de groene hoofdstructuur niet noodzakelijk is om verdere verdroging tegen te gaan. De Afdeling ziet geen grond te oordelen dat verweerders zich niet op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in dit verband ook anderszins voldoende waarborgen biedt om verdere verdroging te voorkomen. Dit leidt tot het oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van de BMF e.a. is op dit punt ongegrond. 2.
  61. De BMF e.a. stellen verder dat kleine landschapselementen in het plan niet voldoende worden beschermd. In dit verband menen zij dat het Landschapsbeleidsplan Landerd in het bestemmingsplan opgenomen dient te worden. 2.9.
  62. De gemeenteraad heeft met behulp van luchtfoto's en kaartmateriaal alle landschapselementen geïnventariseerd en heeft de meest waardevolle elementen aangegeven op hulpkaart A. De kleine landschapselementen zijn niet als zodanig aangegeven maar worden beschermd via het aanlegvergunningenstelsel, aldus de gemeenteraad. Verder is de gemeenteraad van mening dat het landschapsbeleidsplan moet worden beschouwd als een op uitvoering gericht plan dat de basis vormt voor convenanten met de betrokken (agrarische) grondgebruikers over een passend beheer van de in dat plan opgenomen landschapselementen. 2.9.
  63. Verweerders hebben het plan in zoverre niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij kunnen instemmen met het standpunt van de gemeenteraad hieromtrent. 2.9.
  64. De Afdeling overweegt dat niet is gebleken dat bij het aangeven van de landschapselementen op hulpkaart A is uitgegaan van onjuiste feiten of gegevens. Aan een gedeelte van het daarbij behorende aanlegvergunningenstelsel hebben verweerders goedkeuring onthouden. De Afdeling merkt in dit verband allereerst op dat verweerders zich op het standpunt hebben gesteld dat, met inachtneming van de aan de onthouding van goedkeuring ten grondslag liggende overwegingen, de landschapselementen voldoende beschermd zullen worden. Dit is hier verder niet in geding. Verder is niet gebleken dat de landschapselementen, voorzover deze niet als zodanig zijn aangemerkt op hulpkaart A, niet op afdoende wijze door het aanlegvergunningenstelsel voor andere natuurwaarden in artikel 27 van de planvoorschriften worden beschermd. Daarnaast is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat het Landschapsbeleidsplan Landerd kan dienen als leidraad bij de uitvoering van het bestemmingsplan en niet als zodanig in het bestemmingsplan moet worden opgenomen. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van de BMF e.a. is op dit punt ongegrond. Overige beroepsgronden van de BMF e.a. 2.
  65. De BMF e.a. kunnen zich verder niet verenigen met het bestreden besluit, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de mogelijkheid tot het bouwen van ondersteunende kassen tot een oppervlak van 1.000 m² en de vrijstelling daarvan. Zij hebben in dit verband aangevoerd dat de in deze bepaling opgenomen voorwaarden onvoldoende zijn om verspreide verglazing van het buitengebied tegen te gaan. Doordat niet een maximumoppervlak in het plan is opgenomen, zijn appellanten beducht dat een sluipende omschakeling naar glastuinbouw zal plaatsvinden. Daarnaast menen zij dat de ondersteunende kassen niet binnen de groene hoofdstructuur behoren. 2.10.
  66. De gemeenteraad is van mening dat de planvoorschriften voldoende waarborgen bieden ter voorkoming van verglazing van het buitengebied. 2.10.
  67. Verweerders hebben het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre in overeenstemming is met het provinciale beleid terzake. 2.10.
  68. Volgens het provinciale beleid moet worden voorkomen dat de bouw van permanente kassen buiten de agrarische ontwikkelingsgebieden voor glastuinbouw leidt tot het ontstaan van een glastuinbouwbedrijf. Buiten de agrarische ontwikkelingsgebieden voor glastuinbouw is het oprichten van kassen met een oppervlakte van maximaal 1.000 m² zonder meer toegestaan binnen het agrarische bouwvlak. Het oprichten van kassen binnen het bouwvlak boven dit maximum dient te worden gebonden aan een vrijstelling, waarbij als criterium geldt dat geen sprake mag zijn van omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf. Voorafgaand aan het verlenen van vrijstelling dient het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen te worden ingewonnen over de vraag of een (gespecialiseerd) glastuinbouwbedrijf zal ontstaan. Het door verweerders gehanteerde beleid acht de Afdeling niet onredelijk. De gemeenteraad heeft dit beleid overgenomen in de artikelen 19, tweede lid, onder b, in samenhang met het derde lid, onder f, 21, eerste lid, en 22, derde lid, onder g, van de planvoorschriften. Verder is ingevolge artikel 22, derde lid, onder a, van de planvoorschriften vergroting van ondersteunende kassen boven 1.000 m² alleen toegestaan onder andere indien daardoor de bestaande natuurlijke en/of landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast. Het bestreden plandeel is in overeenstemming met het beleid. Het beroep van appellanten geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. Niet is gebleken dat verweerders zich niet op het standpunt hebben kunnen stellen dat bij kassen beneden het maximum oppervlak van 1.000 m2 geen sprake hoeft te zijn van een onaanvaardbare verglazing. Voorzover geen bovengrens aan de vrijstelling wordt gesteld, overweegt de Afdeling dat het hier gaat om een teeltondersteunende functie en dat bovendien de omvang van het bouwvlak als bovengrens geldt. In de vrijstellingsbepaling is voorts uitdrukkelijk bepaald dat geen sprake mag zijn van omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf. Gelet op het vorenstaande deelt de Afdeling niet de vrees van appellanten dat een sluipende omschakeling naar glastuinbouw zal plaatsvinden. Daarnaast ziet de Afdeling, mede gelet op het aantal plandelen met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" binnen de groene hoofdstructuur, geen aanleiding voor het oordeel dat de bouw van ondersteunende kassen een bedreiging vormt voor de natuurwaarden binnen de groene hoofdstructuur. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat bij de toepassing van de vrijstelling de voorwaarde is gesteld dat de bestaande natuurlijke en/of landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast. In verband met het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de vrijstellingsbevoegdheid met voldoende duidelijke waarborgen is omgeven en voldoende objectief is begrensd. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van de BMF e.a. is op dit punt ongegrond. 2.
  69. De BMF e.a. stellen voorts dat verweerders ten onrechte goedkeuring aan het plan hebben verleend voorzover daarin geen zones zijn opgenomen waarbinnen uitbreiding van intensieve veehouderij is uitgesloten ter voorkoming van verdere verzuring van de groene hoofdstructuur. 2.11.
  70. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheden van intensieve veehouderijen afhankelijk is van de waarden van de gebieden. De uitbreiding wordt daarnaast getoetst aan de geldende milieuwetgeving, aldus de gemeenteraad. 2.11.
  71. Verweerders hebben geen reden gezien het plan wegens het ontbreken van de door de appellanten gewenste buffers in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Zij onderschrijven het standpunt van de gemeenteraad. 2.11.
  72. Ingevolge artikel 19, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" overeenkomstig de aanduidingen op de detailplankaarten onder meer bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Op de detailplankaarten is aangeduid of een agrarisch bedrijf grondgebonden dan wel niet-grondgebonden is. Ingevolge artikel 22, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften is nieuwvestiging en hervestiging van agrarische bedrijven, waarvoor een nieuw bestemmingsvlak dient te worden opgenomen, in het gehele plangebied uitgesloten. Verder volgt uit artikel 22, tweede lid, van de planvoorschriften en uit het bestreden besluit dat omschakeling van grondgebonden naar niet-grondgebonden agrarische activiteiten binnen de groene hoofdstructuur niet mogelijk is. Ter zitting is dit bevestigd. Verder mag ingevolge de artikelen 4, derde lid, 5, derde lid, 6, derde lid, en 7, derde lid, van de planvoorschriften alleen binnen de groene hoofdstructuur worden gebouwd indien de op de hulpkaarten A en B aangeduide waarden niet onevenredig worden geschaad. Mede gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre voldoende bescherming biedt ter voorkoming van verzuring van de gronden binnen de groene hoofdstructuur. Het vorenstaande in aanmerking genomen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van de BMF e.a. is in zoverre ongegrond. 2.
  73. De BMF e.a. kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de aan de Reekse Heide toegekende bestemming "Multifunctioneel bos -Bm-". Zij vinden dat de bestemming geen recht doet aan de aanwezige natuurwaarden. 2.12.
  74. De gemeenteraad heeft aan de Reekse Heide naast een bosbestemming de differentiaties "levensgemeenschappen van bossen" en "dassenleefgebied" toegekend. Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften zijn voornoemde gronden onder meer bestemd voor de instandhouding van de aanwezige natuurwaarden, waaronder levensgemeenschappen van bossen en dassenleefgebieden. 2.12.
  75. Verweerders hebben dit plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. 2.12.
  76. De Reekse Heide bestaat uit een groot aaneengesloten bosgebied en is met name van belang voor dassen. Daarnaast komen er diverse soorten vogels voor. Niet is gebleken dat de aan de Reekse Heide toegekende bestemming geen recht doet aan de aanwezige natuurwaarden dan wel dat deze onvoldoende worden beschermd. Appellanten hebben, mede gezien de doeleindenomschrijving van de aan het gebied toegekende bestemming, niet aannemelijk gemaakt dat in het plan voor de Reekse Heide een wijzigingsbevoegdheid naar natuur opgenomen dient te worden. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders op dit punt terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van de BMF e.a. is in zoverre ongegrond. Beroepen met betrekking tot agrarische bedrijven Aanlegvergunningen Het beroep van [appellanten sub 5] 2.
  77. [appellanten sub 5] kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen, voorzover verweerders daarbij goedkeuring hebben onthouden aan het plandeel betreffende hun gronden nabij de Weversweg. Zij stellen dat het beter is convenanten te sluiten in plaats van een aanlegvergunningenstelsel van toepassing te verklaren. Verder vinden zij het provinciale vergunningenbeleid ten aanzien van het beregenen van grasland onbegrijpelijk. Zij zijn van mening dat dit tot gevolg heeft dat grasland wordt omgezet in bouwland. 2.13.
  78. De gemeenteraad heeft aan de gronden van appellanten de hoofdbestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-“ toegekend. 2.13.
  79. Verweerders hebben het bovengenoemde plandeel in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij stellen dat de gronden deel uitmaken van de provinciale groene hoofdstructuur en van het natuurkerngebied voor dassen. De door de gemeenteraad toegekende bestemming beschermt het gebied niet als zodanig, aldus verweerders. Zij hebben goedkeuring onthouden aan het plandeel en hebben met toepassing van artikel 28, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het aanlegvergunningenstelsel voor dassenleefgebieden van toepassing verklaard. 2.13.
  80. Appellanten exploiteren op bovengenoemde gronden een melkveehouderij. De gronden bestonden voorheen uit grasland. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was een gedeelte hiervan omgezet in bouwland. In verband met het niet meer afgeven van beregeningsvergunningen voor graslanden binnen de natte ecologische hoofdstructuur sluiten appellanten niet uit dat zij in de toekomst, ter voorkoming van het scheuren van het grasland, delen van het grasland zullen omzetten in bouwland. Voor de beregening van bouwland wordt namelijk wel een vergunning afgegeven op grond van de provinciale Waterhuishouding verordening. Het al dan niet verlenen van een vergunning voor de beregening van grasland wordt echter niet geregeld in het bestemmingsplan en kan als zodanig in deze procedure niet ter discussie staan. De Afdeling overweegt voorts dat onbetwist is dat het hier gaat om een dassenleefgebied dat als zodanig beschermd dient te worden. In de toelichting op paragraaf 6.
  81. van het streekplan is vermeld dat het beleid in dassenleefgebieden erop is gericht de omzetting (permanent) van grasland in bouwland tegen te gaan. Hiermee wordt bewerkstelligd dat het gebied als foerageerplaats voor dassen blijft behouden. De Afdeling acht dit provinciale beleid niet onredelijk. De Afdeling is van oordeel dat een convenant niet in de plaats kan treden van een op een bestemmingsplan berustend beschermingsstelsel van aanlegvergunningen. Een convenant is immers een vrijwillige afspraak die alleen bindend is voor partijen die het convenant ondertekenen. Daarnaast kent een convenant bij de totstandkoming niet dezelfde waarborgen met betrekking tot de rechtsbescherming van burgers als een bestemmingsplan. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een aanlegvergunningenstelsel, zoals dat geldt voor dassenleefgebieden, met onder meer een aanlegvergunningvereiste voor het permanent omzetten van grasland in bouwland, op de desbetreffende gronden niet kan worden gemist. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet is gebleken dat appellanten hierdoor onevenredig in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. De Afdeling overweegt hiertoe onder andere dat geen aanlegvergunning is vereist voor werken en/of werkzaamheden die van geringe omvang zijn dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen. Daarnaast dient bij de vraag of al dan niet een aanlegvergunning wordt afgegeven een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het belang van de desbetreffende werken en/of werkzaamheden en anderzijds de schadelijkheid voor de aanwezige waarden. In verband met het voorgaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerders hebben daarom terecht goedkeuring onthouden aan dit deel van het plan. Dit neemt overigens niet weg dat nadere afspraken kunnen worden gemaakt tussen het gemeentebestuur en de betrokken agrariërs, teneinde onnodige beperkingen van de agrarische bedrijfsvoering te voorkomen. Het beroep van [appellanten sub 5] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 20] (gedeeltelijk) 2.
  82. [appellant sub 20] kan zich niet verenigen met het bestreden besluit, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de aan een deel van zijn gronden toegekende bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden -An-". Hij is onder andere van mening dat hij hierdoor in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd. 2.14.
  83. De gemeenteraad heeft naast de agrarische bestemming de differentiatie "dassenleefgebied" aan de desbetreffende gronden toegekend. Ter bescherming van de dassen is ingevolge de planvoorschriften een aanlegvergunning vereist voor onder andere het blijvend omzetten van grasland en de aanleg van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. 2.14.
  84. Verweerders hebben het plan op dit punt niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij kunnen instemmen met het standpunt van de gemeenteraad. 2.14.
  85. Onbetwist is dat het hier gaat om een dassenleefgebied dat als zodanig beschermd dient te worden. Zoals is overwogen in 2.13.3, acht de Afdeling het beleid in dassenleefgebieden, dat erop is gericht de omzetting (permanent) van grasland in bouwland tegen te gaan, niet onredelijk. Verder komt de Afdeling, zoals is overwogen in 2.7.5, het beleid dat in natuurkerngebieden het aanbrengen van tijdelijke afdekfolies en/of lage tunnels aan een aanlegvergunning dient te worden gebonden, voorzover deze afdekmaterialen een bedreiging kunnen vormen voor de biotoop waaronder dassen, niet onredelijk voor. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich op het standpunt kunnen stellen dat een aanlegvergunning voor genoemde werken en werkzaamheden noodzakelijk is ter bescherming van het dassenleefgebied aldaar. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet aannemelijk is gemaakt dat de instandhouding van de aanwezige natuurwaarden niet gepaard kan gaan met de uitoefening van een agrarisch bedrijf. In dit verband is niet gebleken dat het vereiste van een aanlegvergunning zodanige beperkingen voor de bedrijfsvoering van appellant met zich brengt dat appellant onevenredig in zijn bedrijfsvoering zal worden belemmerd. De Afdeling overweegt hiertoe onder andere dat geen aanlegvergunning geldt voor werken en/of werkzaamheden die van geringe omvang zijn dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen. Hieronder valt onder andere het omzetten van grasland in bouwland in het kader van de vruchtwisseling. Daarnaast dient bij de vraag of al dan niet een aanlegvergunning wordt afgegeven voor de door appellant gewenste werken dan wel werkzaamheden, een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het belang van de desbetreffende werken en/of werkzaamheden en anderzijds de schadelijkheid voor de aanwezige waarden. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 20] is op dit punt ongegrond. De beroepen van [appellante sub 27] en [appellant sub 27a] (gedeeltelijk), [appellant sub 31] en [appellant sub 34] 2.
  86. [appellante sub 27] en [appellant sub 27a], [appellant sub 31] en [appellant sub 34] kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen, voorzover daarbij goedkeuring is verleend wat betreft de aan delen van hun gronden toegekende bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden -An-". Zij zijn in dit verband van mening dat de gronden ten onrechte zijn opgenomen in de groene hoofdstructuur. Verder stellen zij dat de differentiatie "dassenleefgebied" op hulpkaart A onjuist is, aangezien de gronden waarop hun beroepen zien volgens het provinciale beleid niet zijn aangeduid als natuurkerngebied voor dassen. 2.15.
  87. De gemeenteraad stelt dat de natuurwaarden in het gebied onder meer worden bepaald door het feit dat de das het gebied gebruikt als foerageergebied. Op grond hiervan heeft de gemeenteraad voornoemde differentiatie opgenomen. Ter bescherming van deze waarden acht hij een aanlegvergunningenstelsel nodig. 2.15.
  88. Verweerders hebben het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij kunnen instemmen met het standpunt van de gemeenteraad hieromtrent. 2.15.
  89. Zoals is overwogen in 2.6.2, komt de Afdeling het beleid inzake het aanwijzen van dassenleefgebieden en de bescherming van de das niet onredelijk voor. De gronden van appellanten ten noorden van de Duifhuisstraat zijn in de 'Nota ecologische bouwstenen voor de groene hoofdstructuur' aangeduid als natuurkerngebied vanwege het voorkomen van dassen. Ook volgens de kaart 'Verspreidingsgebied van de das in Noord-Brabant' behoren de gebieden tot het actuele leefgebied van de das. Daarnaast ligt in de nabijheid van het gebied een dassenburcht. Bovendien erkennen appellanten dat de gronden 's-nachts dienen als foerageergebied voor dassen. De omstandigheid dat geen burcht aanwezig is op de gronden van appellanten doet niet af aan het feit dat het gebied dient als foerageergebied en als zodanig bescherming behoeft. Verweerders hebben het plan terecht in overeenstemming met het provinciale beleid geacht. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet aannemelijk is gemaakt dat de instandhouding van de aanwezige natuurwaarden niet gepaard kan gaan met de uitoefening van een agrarisch bedrijf. In dit verband is niet gebleken dat het vereiste van een aanlegvergunning zodanige beperkingen voor de bedrijfsvoering van appellanten met zich brengt dat zij onevenredig in hun bedrijfsvoering zullen worden belemmerd. De Afdeling overweegt hiertoe onder andere dat geen aanlegvergunning geldt voor werken en/of werkzaamheden die van geringe omvang zijn dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen. Hieronder valt onder andere het omzetten van grasland in bouwland in het kader van de vruchtwisseling. Daarnaast dient bij de vraag of al dan niet een aanlegvergunning wordt afgegeven voor de door appellanten gewenste werken dan wel werkzaamheden, een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het belang van de desbetreffende werken en/of werkzaamheden en anderzijds de schadelijkheid voor de aanwezige waarden. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. De beroepen van [appellante sub 27] en [appellant sub 27a], op dit punt, en van [appellant sub 31] en [appellant sub 34] zijn ongegrond. Het beroep van [appellant sub 10] (gedeeltelijk) 2.
  90. [appellant sub 10] kan zich niet met het bestreden besluit verenigen, voorzover goedkeuring is verleend aan de aan zijn gronden toegekende bestemming. Hij is van mening dat hij in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. In dit verband stelt hij dat voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen ten onrechte een aanlegvergunning is vereist. 2.16.
  91. De gemeenteraad heeft aan het perceel van appellant de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-" met de differentiatie "landschappelijk open gebied" toegekend. Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften zijn deze gronden, naast de agrarische bestemming, tevens bestemd voor de instandhouding van het landschappelijk open gebied. 2.16.
  92. Verweerders hebben het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij stellen dat oppervlakteverhardingen leiden tot verstening van het open gebied en daarmee tot aantasting daarvan. In dit verband achten zij een aanlegvergunning terzake noodzakelijk. 2.16.
  93. De gronden maken deel uit van het rivierkleigebied de Beerse Overlaat. In dit gebied komt weinig bebouwing en beplanting voor. Gelet hierop hebben verweerders zich op het standpunt kunnen stellen dat het aanbrengen van oppervlakteverharding kan leiden tot verstening van het buitengebied en dat daarom een aanlegvergunningvereiste voor de genoemde werkzaamheid in gebieden met de differentiatie "landelijk open gebied" kan bijdragen aan de bescherming van de op de gronden aanwezige waarden. Voorts is niet gebleken dat het aanlegvergunningvereiste tot een onevenredige belemmering van de agrarische bedrijfsvoering zal leiden. De Afdeling overweegt hiertoe onder andere dat geen aanlegvergunning geldt voor werken en/of werkzaamheden die van geringe omvang zijn dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen. Daarnaast dient bij de vraag of al dan niet een aanlegvergunning wordt afgegeven, een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het belang van de desbetreffende werken en/of werkzaamheden en anderzijds de schadelijkheid voor de aanwezige waarden. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 10] is op dit punt ongegrond. De beroepen van [appellant sub 12] (gedeeltelijk) en [appellant sub 17] (gedeeltelijk) 2.
  94. [appellant sub 12] en [appellant sub 17] kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden -An-" die is toegekend aan een deel van hun perceel. Zij menen hierdoor in hun bedrijfsvoering te worden beperkt doordat voor tal van bedrijfsmatige werkzaamheden een aanlegvergunning is vereist. Verder vindt [appellant sub 12] dat op zijn perceel geen natuurwaarden aanwezig zijn. 2.17.
  95. De gemeenteraad heeft aan de percelen van appellanten een agrarische bestemming toegekend. Volgens de gemeenteraad is dit in overeenstemming met de aanwezige natuurwaarden en de provinciale nota 'Ecologische bouwstenen voor de groene hoofdstructuur'. Verder heeft de gemeenteraad aan de percelen onder andere de differentiatie "levensgemeenschappen van sloten en slootkanten" toegekend. Ter bescherming van deze waarden acht de gemeenteraad een aanlegvergunningstelsel nodig. 2.17.
  96. Verweerders hebben het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij kunnen instemmen met het standpunt van de gemeenteraad hieromtrent. 2.17.
  97. Zoals is overwogen in 2.6.2 en 2.7.3, acht de Afdeling het provinciale beleid terzake het aanwijzen van plantenkerngebieden niet onredelijk. Het gebied ten zuidoosten van de kom van Zeeland is een kwelgebied met een grote dichtheid en variatie aan vochtige graslandvegetaties en bloemrijke sloot- en greppelkanten. Dit gebied, waaronder de gronden van appellanten, is blijkens de kaartbijlage van de nota 'Ecologische bouwstenen voor de groene hoofdstructuur' aangeduid als natuurkerngebied voor planten en plantengezelschappen. In de nota is onder meer vermeld dat onder andere een stabiel, natuurlijk waterpeil of een hoge waterstand, een goede waterkwaliteit, een natuurgericht waterbeheer, een ongestoorde bodem en een natuurgericht beheer van het vegetatiedek essentieel zijn voor het handhaven van bijzondere plantensoorten ter plaatse. Niet is gebleken dat de in de nota aangegeven natuurwaarden niet meer actueel zijn. Verweerders hebben het plan in zoverre terecht in overeenstemming met het provinciale beleid geacht. De beroepen van appellanten geven geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan het beleid hebben kunnen vasthouden. Voorts hebben verweerders zich op het standpunt kunnen stellen dat diverse werken en/of werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting van de aanwezige natuurwaarden en dat daarom een aanlegvergunningvereiste voor deze werken en/of werkzaamheden in gebieden met de bovengenoemde differentiatie kan bijdragen aan de bescherming van de op deze gronden aanwezige natuurwaarden. In dit verband overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat het vereiste van een aanlegvergunning zodanige beperkingen voor de bedrijfsvoering van appellanten meebrengt dat zij onevenredig in hun bedrijfsvoering zullen worden belemmerd. De Afdeling overweegt hiertoe onder andere dat geen aanlegvergunning geldt voor werken en/of werkzaamheden die van geringe omvang zijn dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen. Daarnaast dient bij de vraag of al dan niet een aanlegvergunning wordt afgegeven een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het belang van de desbetreffende werken en/of werkzaamheden en anderzijds de schadelijkheid voor de aanwezige waarden. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd wat betreft het aanlegvergunningstelsel, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. De beroepen van [appellant sub 12] en [appellant sub 17] zijn op dit punt ongegrond. Agrarische bouwvlakken Provinciaal en gemeentelijk beleid 2.
  98. Uit het streekplan en de met het oog op de uitvoering daarvan vastgestelde Handleiding buitengebied volgt dat het provinciale beleid onder andere is gericht op bescherming van de landschappelijke waarden, onder andere door het voorkomen van verdere verstening van het buitengebied. In dit verband wordt er naar gestreefd zoveel mogelijk gebruik te maken van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen in plaats van nieuwvestiging. Uitbreiding van bedrijfsbebouwing moet zoveel mogelijk worden gesitueerd aansluitend aan bestaande bebouwing. In dit kader moet een agrarisch bouwblok een reële maat hebben, rekening houdend met reëel te verwachten bedrijfseconomische ontwikkelingen en met omliggende ruimtelijke kwaliteiten. Een bouwvlak van 1 hectare met een uitbreidingsmogelijkheid tot 1,5 hectare achten verweerders in het algemeen voldoende voor de continuïteit van een gewone, agrarische bedrijfsvoering. Voor bedrijven die in de bestaande situatie deze omvang al hebben bereikt, dient maatwerk te worden toegepast bij het bepalen van het bouwvlak. Zij achten in deze gevallen een reële uitbreidingsmogelijkheid aanvaardbaar. Voorts is voor een doelmatige exploitatie van een agrarisch bedrijf de aanwezigheid van één bedrijfswoning verantwoord. De bouw van een tweede agrarische bedrijfswoning is in het algemeen niet noodzakelijk. Daaraan zal door het provinciebestuur alleen worden meegewerkt indien wordt aangetoond dat in het bedrijf twee volwaardige arbeidskrachten werken, wier continuïteit op de langere termijn wordt gewaarborgd, en het bedrijf zonder een tweede agrarische bedrijfswoning redelijkerwijs op langere termijn niet te exploiteren is. Volgens het gemeentelijke beleid is, in overeenstemming met het vorenstaande, nieuwvestiging en hervestiging van agrarische bedrijven op nieuwe locaties niet wenselijk. Om dit te bewerkstelligen hanteert de gemeenteraad onder andere het principe van bouwvlak op maat. Hierbij heeft hij bestaande agrarische bedrijven met een reële bedrijfsomvang positief bestemd door middel van een agrarisch bouwvlak. Dit bouwvlak omvat in beginsel de bestaande opstallen en biedt ruimte waar nieuwe uitbreiding nodig is. De omvang van het bouwvlak is gerelateerd aan de continuïteit van het bedrijf, de bedrijfsomvang, het bedrijfstype, de huidige in gebruik zijnde opstallen en de ligging in het plangebied. Gezien hun ontwikkelingsbehoefte hebben hoofdberoepbedrijven een ruimere uitbreidingsmogelijkheid gekregen dan nevenberoepbedrijven. Verder zijn de uitbreidingsmogelijkheden voor (intensieve) agrarische bedrijven in gebieden met kwetsbare landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden beperkt. De agrarische bouwvlakken zijn aangegeven op de detailplankaarten door middel van de medebestemming "Agrarische doeleinden -A-". Hierop is artikel 19 van de planvoorschriften van toepassing. Verder heeft de gemeenteraad het provinciale beleid inzake een tweede bedrijfswoning onder andere opgenomen in artikel 22, derde lid, onder b, van de planvoorschriften. Daarnaast is ingevolge artikel 22, derde lid, onder c, van de planvoorschriften bepaald dat aan de bouw van extra woongelegenheid ten behoeve van het voormalig agrarisch bedrijfshoofd, die nog enige tijd in het bedrijf werkzaam zal zijn, geen medewerking zal worden verleend. Extra woongelegenheid zal moeten worden gezocht in de bestaande bouwmassa van de bedrijfswoning. Het vorenstaande door verweerders toegepaste beleid komt de Afdeling niet onredelijk voor. Het beroep van [appellante sub 3] 2.
  99. [appellante sub 3] exploiteert aan de [locatie 3] te [plaats] een agrarisch bedrijf. Zij kan zich niet met het bestreden besluit verenigen voorzover verweerders goedkeuring hebben onthouden aan het plandeel met de aanduiding "glastuinbouwbedrijf (g)", wat betreft haar bouwperceel aan de [locatie 3] te [plaats]. Hiertoe stelt zij dat de opbrengst van de teeltactiviteiten in de kas ongeveer 14% van de totale omzet van het bedrijf vormt. 2.19.
  100. Ingevolge artikel 19, tweede lid, onder c, en derde lid, van de planvoorschriften zijn binnen het gehele bestemmingsvlak “Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-“ kassen, anders dan tijdelijke en ondersteunende kassen, mogelijk ten behoeve van als zodanig op de detailplankaarten aangeduide glastuinbouwbedrijven. 2.19.
  101. Verweerders hebben het plandeel in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij zijn van mening dat de kassen een bedrijfsondersteunend karakter hebben en dat daarom niet gesproken kan worden van een bestaand gespecialiseerd glastuinbouwbedrijf. Toekenning van de aanduiding aan dit plandeel achten zij in strijd met het door hen ter zake gevoerde beleid. 2.19.
  102. Zoals is overwogen in 2.10.3, acht de Afdeling het provinciale beleid inzake ondersteunende kassen niet onredelijk. Het aan appellante toegekende bestemmingsvlak is ongeveer 1 hectare groot en ligt blijkens de streekplankaart niet binnen een agrarisch ontwikkelingsgebied voor glastuinbouw. Het bedrijf van appellante omvat ongeveer 73 hectare grond voor de teelt van vollegrondsgroentegewassen en boomkwekerijproducten. Daarnaast omvat het bedrijf kassen met een oppervlakte van ongeveer 2.400 m² waarin lelies worden gekweekt. Gelet op de totale omvang van de gronden van appellante, het gebruik en de omvang van de kassen in relatie tot de totale bedrijfsvoering is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat geen sprake is van een volwaardig glastuinbouwbedrijf. De door de gemeenteraad toegekende bestemming leidt er evenwel toe dat de vestiging van een glastuinbouwbedrijf mogelijk wordt gemaakt ter grootte van ongeveer 1 hectare. Verweerders hebben dit terecht in strijd geacht met het provinciale beleid. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die een uitzondering op het beleid rechtvaardigen. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben onthouden aan het plan. Het beroep van [appellante sub 3] is op dit punt ongegrond. Overigens merkt de Afdeling op dat de gemeenteraad bij het opstellen van een nieuw plan in het kader van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening er rekening mee dient te houden dat binnen het bestemmingsvlak kassen aanwezig zijn met een totaal oppervlak van ongeveer 2.400 m². De huidige plansystematiek laat ingevolge artikel 19, derde lid, onder f, van de planvoorschriften slechts ondersteunende kassen toe met een maximale oppervlakte van 1.000 m² indien het niet gaat om een glastuinbouwbedrijf. 2.
  103. Verder kan appellante zich niet met het bestreden besluit verenigen voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de omvang van en de bouwmogelijkheden binnen haar bouwvlak. Zij stelt dat de bedrijfswoning als burgerwoning bestemd dient te worden omdat deze woning niet meer tot het bedrijf behoort. Daarnaast meent zij dat het mogelijk moet zijn een nieuwe bedrijfswoning te bouwen. Verder vindt appellante dat het aan haar toegekende bouwvlak te klein is. 2.20.
  104. De gemeenteraad heeft aan de gronden van appellante de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-" toegekend. 2.20.
  105. Verweerders hebben het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij stellen dat de gemeenteraad op de juiste wijze invulling heeft gegeven aan het provinciale beleid terzake. 2.20.
  106. In 1995 hebben [appellante sub 3] het agrarische bedrijf van hun ouders overgenomen. Binnen het bouwvlak staan een woning, een schuur, kassen en twee bouwketen. Hiervan hebben [appellante sub 3] niet de woning en de schuur overgenomen. Tot 1995 deed de woning dienst als bedrijfswoning van het overgenomen bedrijf. Eén van de maten woont in deze woning, die nog in eigendom is van de ouders. De Afdeling is van oordeel dat verweerders zich op het standpunt hebben kunnen stellen dat de enkele omstandigheid dat het bedrijf los van de bedrijfswoning door appellante is aangekocht, niet met zich brengt dat de woning niet meer als bedrijfswoning beschouwd dient te worden. Verweerders hebben zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat het toekennen van een afzonderlijke woonbestemming in strijd is met hun restrictieve beleid inzake burgerwoningen in het buitengebied in verband met het tegengaan van verstening van het buitengebied. Daarnaast overweegt de Afdeling dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bouw van een tweede bedrijfswoning noodzakelijk is. Niet is gebleken dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan het beleid hebben kunnen vasthouden. Verder heeft de gemeenteraad in overeenstemming met het provinciale beleid voor het bedrijf van appellante op detailplankaart 41 een bouwvlak van ongeveer 1 hectare ingetekend. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die een uitzondering op het beleid rechtvaardigen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het bouwvlak nog enige uitbreidingsmogelijkheden biedt aan het bedrijf van appellante. Uit de stukken is gebleken dat het bouwen van een nieuwe loods ter plaatse noodzakelijk is. Het bouwvlak biedt hiertoe voldoende ruimte. Voorts is niet gebleken dat appellante ten tijde van het nemen van het bestreden besluit concrete uitbreidingsplannen had voor kassen ter grootte van ongeveer 2,5 hectare. Verder is niet aannemelijk geworden dat door het niet toekennen van een groter bouwperceel de bedrijfsvoering onevenredig zal worden geschaad. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellante sub 3] is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 4] 2.
  107. [appellant sub 4] exploiteert aan de [locatie 4] een bedrijf dat grondstoffen voor de teelt van paddestoelen vervaardigt. Hij kan zich niet met het bestreden besluit verenigen, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de omvang van zijn bouwvlak. Hij stelt dat verweerders niet van hun beleid inzake het toekennen van reële uitbreidingsmogelijkheden aan agrarische bedrijven hebben kunnen afwijken. 2.21.
  108. De gemeenteraad heeft aan het bedrijf zeer beperkte uitbreidingsmogelijkheden toegekend omdat uitbreiding van het bedrijf in zuidoostelijke richting er toe zal leiden dat de openheid aan de Vensteeg en daarmee het doorzicht naar het achterliggende landschap verloren gaat. 2.21.
  109. Verweerders hebben het plan op dit punt niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Zij stellen zich op het standpunt dat in dit geval een uitzondering op het provinciale beleid is gerechtvaardigd. Zij kunnen instemmen met het standpunt van de gemeenteraad hieromtrent. 2.21.
  110. Aan appellant is blijkens detailplankaart 96 een bouwvlak toegekend van ongeveer 6.450 m². Vaststaat dat het plan in strijd met het provinciale beleid inzake het toekennen van reële uitbreidingsmogelijkheden aan agrarische bedrijven zeer beperkte uitbreidingsmogelijkheden biedt aan appellant. Aan de rondom het bedrijf van appellant liggende gronden zijn de bestemmingen "Agrarische gebied met natuurwaarden -An-" en "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-" toegekend. Verder is blijkens hulpkaart B aan de gronden onder andere de differentiatie "landschappelijk besloten gebied" toegekend. Het voorgaande in aanmerking nemend is de Afdeling van oordeel dat verweerders niet voldoende hebben aangegeven waaruit de openheid van het achterliggende gebied bestaat en waarom in afwijking van het provinciale beleid aan appellant geen reële uitbreidingsmogelijkheden worden toegekend. De enige omstandigheid dat appellant geen concrete uitbreidingsplannen heeft, is in dit geval onvoldoende om geen reële uitbreidingsmogelijkheden toe te kennen aan het bedrijf van appellant. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 4] is, voorzover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het bouwvlak op het perceel van appellant. Het beroep van [appellant sub 10] (gedeeltelijk) 2.
  111. [appellant sub 10] exploiteert een agrarisch bedrijf aan de [locatie 5]. Hij kan zich niet met het bestreden besluit verenigen, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de omvang van zijn bouwvlak. Hij meent dat het bouwvlak onder andere te klein is voor een tweede bedrijfswoning. 2.22.
  112. De gemeenteraad heeft aan het perceel van appellant de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-" met de differentiatie "landschappelijk open gebied" toegekend. Het bouwvlak is bestemd tot “Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-“ met de aanduiding “niet-grondgebonden -ng-”. 2.22.
  113. Verweerders hebben het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij stellen dat de gemeenteraad op juiste wijze invulling heeft gegeven aan het provinciale beleid. 2.22.
  114. Op het perceel van appellant is op detailplankaart 11 een bouwvlak ingetekend van ongeveer 1,25 hectare. Gelet op de bestaande bebouwing binnen het bouwvlak ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, inclusief de door appellant genoemde stal, biedt het bouwvlak in overeenstemming met het provinciale beleid reële uitbreidingsmogelijkheden. Het beroep geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan het beleid hebben kunnen vasthouden. Hiertoe overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat appellant ten tijde van het nemen van het bestreden besluit concrete uitbreidingsplannen had in verband met huidige dan wel toekomstige regelgeving. Evenmin is gebleken dat appellant ten tijde van het nemen van het bestreden besluit concrete bouwplannen had voor een tweede bedrijfswoning dan wel dat de bouw hiervan noodzakelijk is. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich op het standpunt kunnen stellen dat appellant door het niet toekennen van een groter bouwvlak niet onevenredig in zijn bedrijfsvoering zal worden geschaad. Het vorenstaande in aanmerking genomen, hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 10] is op dit punt ongegrond. Het beroep van [appellant sub 12] (gedeeltelijk) 2.
  115. [appellant sub 12] kan zich niet met het bestreden besluit verenigen, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de omvang van zijn bouwvlak op het perceel aan de [locatie 6]. Appellant stelt dat het bouwvlak geen reële uitbreidingsmogelijkheden biedt en geen rekening houdt met toekomstige ontwikkelingen binnen zijn bedrijfstak. 2.23.
  116. Aan een deel van het perceel van appellanten is de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarden -An-" toegekend. Het bouwvlak is bestemd tot "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" met de aanduiding "niet-grondgebonden -ng-". 2.23.
  117. Verweerders hebben het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij stellen dat in overeenstemming met het provinciale beleid een bouwvlak op maat is toegekend. 2.23.
  118. Op detailplankaart 96 is voor het bedrijf van appellant een bouwvlak ingetekend van ongeveer 1 hectare. Op het bouwvlak staan een bedrijfswoning, twaalf cellen voor het kweken van champignons en twee cellen voor de opslag van materiaal. Ten zuidoosten van de cellen is een verharding aangebracht voor het manoeuvreren van vrachtauto's. Ten zuidwesten van de cellen is een parkeerterrein aangelegd. De huidige inrichting van het bouwvlak biedt beperkte uitbreidingsmogelijkheden. Reële uitbreiding van het bedrijf kan alleen worden gerealiseerd indien het binnen het bouwvlak gelegen parkeerterrein wordt opgeofferd en het bouwvlak anders wordt ingericht. Verweerders hebben dit onvoldoende in hun besluitvorming betrokken. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 12] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het bouwvlak op het perceel van appellant, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 13] 2.
  119. [appellant sub 13], die een gemengd agrarisch bedrijf exploiteert op het perceel [locatie 7] te [plaats], heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan een gedeelte van zijn agrarisch bouwvlak als aangegeven op detailplankaart
  120. Hij bestrijdt het standpunt van verweerders dat de bestaande bebouwing en voorzieningen een bouwvlak met een omvang van 2,5 hectare niet rechtvaardigen. Appellant stelt tevens dat de kadastrale ondergrond van de plankaart niet overeenkomt met de feitelijk op zijn perceel aanwezige bebouwing. Door de onthouding van goedkeuring komt een deel van de bebouwing buiten het bouwvlak te liggen. 2.24.
  121. Aan de huiskavel van appellant is de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-" toegekend. Aan 2,5 hectare in het noordelijk deel van de huiskavel met daarop de bedrijfsgebouwen en sleufsilo's is de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" toegekend. Dit plandeel betreft tevens het bouwvlak. 2.24.
  122. Verweerders hebben het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en hebben aan een deel van het bouwvlak, ongeveer 0,5 hectare, goedkeuring onthouden. Verweerders stellen zich op het standpunt dat het plan door toekenning van een bouwvlak van 2,5 hectare voorziet in uitbreidingsmogelijkheden die in strijd zijn met hun beleid terzake. Voorts is hen niet gebleken van vergunde uitbreidingsplannen die een afwijking van hun beleid rechtvaardigen. 2.24.
  123. Zoals is overwogen in 2.18, acht de Afdeling het provinciale beleid inzake de omvang van een agrarisch bouwblok in het algemeen niet onredelijk. Verweerders hebben het plan in zoverre terecht in strijd met het provinciale beleid geacht. Blijkens het deskundigenbericht staan op het noordelijk deel van de huiskavel drie gebouwen en vier sleufsilo's. Twee van deze sleufsilo's zijn als gevolg van de onthouding van goedkeuring buiten het bouwvlak komen te liggen. Op grond van het bepaalde in artikel 8, derde lid, sub 1, van de voorschriften zijn sleufsilo's niet toegestaan op de gronden met de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-". Bovendien zijn gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ingevolge het bepaalde in artikel 19, derde lid, sub a, uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Verweerders zijn derhalve bij hun beoordeling van een onjuiste feitelijke situatie uitgegaan. Uit het deskundigenbericht blijkt verder dat burgemeester en wethouders bij besluit van 13 april 1999 een bouwvergunning hebben verleend voor de bouw van een stal van 1.500 m
  124. Gelet hierop hebben verweerders zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vergunde uitbreidingsplannen. Uit het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting blijkt voorts dat na de bouw van de stal het bedrijf slechts een beperkte uitbreidingsruimte over heeft. Verweerders hebben het voorgaande onvoldoende in hun besluitvorming betrokken. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 13] is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan een deel van het bouwvlak als aangegeven op detailplankaart
  125. Het beroep van [appellanten sub 14] 2.
  126. [appellanten sub 14], die een stieren-jongveebedrijf aan het [locatie 8] te [plaats] exploiteren, hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan een gedeelte van het aan hun perceel toegekende bouwvlak, zoals aangegeven op detailplankaart
  127. Appellanten vrezen hierdoor in hun bedrijfsvoering te worden geschaad. 2.25.
  128. De gemeenteraad heeft aan de huiskavel van appellanten de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijk/cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-" toegekend. Naar aanleiding van de zienswijze van appellanten is het oppervlak van het deel van de gronden waaraan de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" met de aanduiding "niet-grondgebonden -ng-" is toegekend, vergroot tot 0,5 hectare. 2.25.
  129. Verweerders hebben het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en hebben aan een deel van het bouwvlak goedkeuring onthouden. Verweerders overwegen dat het bouwvlak voorziet in uitbreidingsmogelijkheden die, mede in relatie tot de beperkte omvang van de huidige bedrijfsactiviteiten, niet voldoen aan het ter zake gevoerde beleid. Voorts is verweerders niet gebleken van vergunde uitbreidingsplannen die een afwijking van het beleid rechtvaardigen. 2.25.
  130. Blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, heeft het bedrijf een geringere omvang dan 35 Nederlandse grootte eenheid (hierna: Nge). Volgens het provinciale beleid worden bedrijven met een omvang tussen 9 en 35 Nge niet aangemerkt als volwaardige bedrijven maar als nevenberoepsbedrijven en worden deze voorzien van een eng begrensd bouwvlak, waarbinnen de bestaande bebouwing en voorzieningen zijn geconcentreerd. Dit beleid is niet onredelijk. Verweerders hebben het plan in zoverre terecht in strijd met het provinciale beleid geacht. Het beroep geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan het beleid hebben kunnen vasthouden. Het bouwvlak heeft na de onthouding van goedkeuring een omvang van ongeveer 0,3 hectare. Wat betreft het voornemen van appellanten de stal en de twee sleufsilo's te vergroten, is, mede gelet op het deskundigenbericht, niet aannemelijk geworden dat deze uitbreidingsplannen niet binnen het resterende bouwvlak kunnen worden gerealiseerd. De Afdeling merkt voorts op dat in artikel 22, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak van een niet-grondgebonden bedrijf binnen de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden – Alca-". In sub 2 van dat artikellid is onder meer bepaald dat aangetoond moet worden dat de uitbreiding buiten het bestaande bestemmingsvlak/bouwvlak noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf. Verweerders hebben in het algemeen ingestemd met de afwegingsaspecten die aan deze wijzigingsbevoegdheden zijn verbonden en hebben ter zitting meegedeeld dat, indien wordt voldaan aan de voorwaarden, uitbreiding van het bedrijf mogelijk is. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op deze onderdelen strijdt met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben onthouden aan het plan. Het beroep van [appellanten sub 14] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 17] (gedeeltelijk) 2.
  131. [appellant sub 17] kan zich niet met het bestreden besluit verenigen, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de omvang van zijn bouwvlak aan de [locatie 9]. 2.26.
  132. De gemeenteraad heeft aan het perceel van appellant deels de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-" toegekend. Het bouwvlak in dit plandeel is medebestemd tot “Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-“ met de aanduiding “grondgebonden -gr-”. 2.26.
  133. Verweerders hebben het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij stellen dat in overeenstemming met het provinciale beleid een bouwvlak op maat is toegekend. 2.26.
  134. Op detailplankaart 97 is voor het bedrijf van appellant een bouwvlak ingetekend van ongeveer 1,4 hectare. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was dit bouwvlak nog niet volledig benut. Echter op 8 februari 2000, derhalve voor het nemen van het bestreden besluit, heeft appellant een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van een nieuwe stal. Indien deze stal wordt gebouwd, is het bouwvlak nagenoeg geheel bebouwd. Het bouwvlak biedt dan geen reële uitbreidingsmogelijkheden meer aan het bedrijf van appellant. Verweerders hebben in het bestreden besluit de aanvraag voor de bouwvergunning ten onrechte niet meegenomen in hun besluit als zijnde een concreet uitbreidingsplan. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 17] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het bouwvlak op het perceel van appellant, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 20] (gedeeltelijk) 2.
  135. Appellant kan zich niet met het bestreden besluit verenigen, voorzover verweerders daarbij goedkeuring hebben verleend aan de omvang van het bouwvlak op zijn perceel aan de [locatie 10]. 2.27.
  136. Het bouwvlak heeft de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleiden -A-“ met de aanduiding “grondgebonden -gr-”. 2.27.
  137. Verweerders hebben het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij zijn van mening dat de gemeenteraad heeft gehandeld in overeenstemming met het provinciale beleid terzake. 2.27.
  138. Op detailplankaart 21 is voor het bedrijf van appellant een bouwvlak ingetekend van ongeveer 1 hectare. Op het bouwvlak staan een woonhuis, twee jongveestallen, een ligboxenstal, een veldschuur, een werktuigenloods, een tweede opslagloods en twee sleufsilo's. Gelet op de bestaande bebouwing binnen het bouwvlak ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, biedt het bouwvlak in overeenstemming met het provinciale beleid reële uitbreidingsmogelijkheden. Het beroep geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan het beleid hebben kunnen vasthouden. Verder is niet gebleken dat appellant ten tijde van het nemen van het bestreden besluit al over zodanige concrete plannen voor uitbreiding beschikte, dat verweerders hiermee in hun besluitvorming in redelijkheid rekening hadden moeten houden. Voorts is niet gebleken dat appellant door het niet toekennen van een groter bouwvlak onevenredig in zijn bedrijfsvoering zal worden geschaad. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders op dit punt terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 20] is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellante sub 27] en [appellant sub 27a] (gedeeltelijk) 2.
  139. [appellante sub 27] en [appellant sub 27a] kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de omvang van het bouwvlak voor hun bedrijf aan de [locatie 11]. 2.28.
  140. De gemeenteraad heeft aan het bouwvlak de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleiden -A-“ met de aanduiding “grondgebonden -gr-” toegekend. 2.28.
  141. Verweerders hebben het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij zijn van mening dat de gemeenteraad heeft gehandeld in overeenstemming met het provinciale beleid terzake. 2.28.
  142. Op detailplankaart 57 is voor het bedrijf van appellant een bouwvlak ingetekend van ongeveer 1,4 hectare. Gelet op de bestaande bebouwing binnen het bouwvlak ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, inclusief de door appellant genoemde opslagloods, biedt het bouwvlak in overeenstemming met het provinciale beleid reële uitbreidingsmogelijkheden. In dit verband is gebleken dat op het westelijke deel van het bouwvlak over een lengte van ongeveer 110 meter een onbebouwde strook, variërend van ongeveer 28 tot ongeveer 34 meter breed, aanwezig is. Niet is gebleken dat deze strook geen reële uitbreidingsmogelijkheden biedt aan het bedrijf van appellanten. Het beroep geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan het beleid hebben kunnen vasthouden. Voorts is niet gebleken dat appellanten ten tijde van het nemen van het bestreden besluit al over zodanige concrete plannen voor uitbreiding beschikten, dat verweerders hiermee bij hun beoordeling in redelijkheid rekening hadden moeten houden. Verder is niet gebleken dat appellanten door het niet toekennen van een groter bouwvlak onevenredig in hun bedrijfsvoering zullen worden geschaad. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders op dit punt terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellante sub 27] en [appellant sub 27a] is in zoverre ongegrond. 2.
  143. Voorts stellen appellanten dat verweerders ten onrechte goedkeuring aan het plan hebben verleend voorzover daarin geen bouwvlak is opgenomen tussen het perceel [locatie 11] en het daarnaast gelegen pad. 2.29.
  144. De gemeenteraad acht het in strijd met het streekplanbeleid om bouwvlakken op te nemen voor de nieuwvestiging van agrarische bedrijven. 2.29.
  145. Verweerders hebben het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en hebben ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad. 2.29.
  146. Het uitgangspunt van het provinciale beleid is, zoals is overwogen in 2.18, onder andere verdere (gespreide) verstening tegen te gaan. Dit is te voorkomen door in plaats van nieuwvestiging, zoveel mogelijk gebruik te maken van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. Uitbreiding van bedrijfsbebouwing moet zoveel mogelijk worden gesitueerd aansluitend aan bestaande bebouwing. Onder het vorige plan "Uitbreidingsplan in hoofdzaak" hadden de desbetreffende gronden de bestemming "Landelijk gebied A". Blijkens de bij het vorige plan behorende plankaart was op deze gronden geen bouwvlak ingetekend. Ingevolge artikel 2, onder A, van de planvoorschriften mochten op de gronden uitsluitend bedrijfsgebouwen, woningen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van een agrarisch bedrijf worden gebouwd. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was op de gronden een agrarisch bedrijf, noch bebouwing, aanwezig. Gelet hierop zou dus sprake zijn van nieuwvestiging. Verweerders hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre in strijd is met het provinciale beleid. Het beroep geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan het beleid hebben kunnen vasthouden. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders op dit punt terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellante sub 27] en [appellant sub 27a] is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellante sub 2] (gedeeltelijk) 2.
  147. [appellante sub 2] verzet zich tegen het bestreden besluit, voorzover dit niet voorziet in de mogelijkheid bedrijfsgebouwen op te richten op een perceel landbouwgrond aan de Rijksweg. 2.30.
  148. Aan het perceel aan de Rijksweg heeft de gemeenteraad de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" toegekend. Er is geen agrarisch bouwvlak aan dit perceel gegeven. 2.30.
  149. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat het toekennen van een agrarisch bouwvlak in strijd is met het door hen gevoerde beleid inzake nieuwvestiging van agrarische bedrijven. Zij achten dit deel van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en hebben het plan in zoverre goedgekeurd. 2.30.
  150. Het provinciale beleid dat alleen een bouwvlak wordt toegekend, indien op een perceel een reëel en volwaardig agrarisch bedrijf is gevestigd, en dat in plaats van nieuwvestiging van agrarische bedrijven zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van vrijkomende agrarische bedrijfslocaties, acht de Afdeling, zoals in 2.18 is overwogen, niet onredelijk. Verweerders hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in overeenstemming is met het provinciale beleid. Het beroep van appellante geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan het beleid hebben kunnen vast houden. In dit verband is van belang dat vast staat dat appellante ter plaatse geen agrarische bedrijvigheid uitoefent. Verweerders hebben voorts geen aanleiding behoeven te zien van hun beleid af te wijken in de door appellante gestelde omstandigheid dat onder het vorige plan wel bebouwing mogelijk was. Daarbij overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit punt. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders op dit punt terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 2] in zoverre ongegrond. Het beroep van de gemeenteraad van Landerd (gedeeltelijk) 2.
  151. De gemeenteraad heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden voor de vergroting van agrarische bouwvlakken en aan het toetsingskader voor de toepassing daarvan. Appellant wijst er op dat in het streekplan geen maximum oppervlak voor bouwvlakken is opgenomen. Hij stelt dat het bestemmingsplan een uiterst gedifferentieerde regeling bevat, waarin de in het streekplan vervatte afwegingsaspecten terzake op een goede manier zijn verwerkt. Zo is in artikel 22, tweede lid, onder b, c, d en e, van de voorschriften verzekerd dat een bouwvlakvergroting niet gepaard kan gaan met een onevenredige aantasting van de ruimtelijke omgevingskwaliteiten. Appellant betoogt dat hiermee is voldaan aan de in het besluit van verweerders omschreven eis dat een genuanceerd gebiedsgericht beleid noodzakelijk is. Voorts is hij van mening dat het opnemen van een maximale maat van 1,5 hectare een agrarisch bedrijf op slot zet. 2.31.
  152. Verweerders hebben goedkeuring onthouden aan artikel 21, tabel 2, van de planvoorschriften betreffende plandelen met de bestemmingen "Agrarische gebied met natuurwaarden -An-“ (artikel 7), “Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-“ (artikel 8) en “Agrarische gebied -Ag-“ (artikel 9) wat betreft de zinsneden: "Agrarische bedrijfsdoeleinden (artikel 19)”, "vergroting bestemmingsvlak/bouwvlak", "lid 2b" en "AAB", alsmede aan artikel 22 tweede lid, onder b, c, d en e. Verweerders hebben in het algemeen ingestemd met de door de gemeenteraad gehanteerde systematiek bij het toekennen van bouwvlakken aan agrarische bedrijven. Zij hebben verder overwogen dat de in het streekplan genoemde afwegingsaspecten ten aanzien van het vergroten van een bouwvlak weliswaar op een goede manier in de wijzigingsbevoegdheden zijn verwerkt, maar dat ten onrechte een maximum oppervlaktemaat ontbreekt die is toegesneden op de ligging van bouwvlakken in de provinciale groene hoofdstructuur, in agrarisch gebied met meerwaarden of in agrarisch gebied. Hierdoor kunnen in alle gebieden bouwvlakken onbegrensd worden vergroot. Verweerders zijn van mening dat een bouwvlakomvang van 1 tot 1,5 hectare voor de normale agrarische bedrijfsvoering voldoende is. Ook achten zij ongewenst dat de maximale maten voor glastuinbouwbedrijven, zoals opgenomen in de "Beleidsnota Glastuinbouw", door toepassing van deze wijzigingsbevoegdheden kunnen worden overschreden. 2.31.
  153. In het plan zijn, zoals reeds in 2.18 is overwogen, de bestaande agrarische bedrijven met een reële bedrijfsomvang als zodanig bestemd door middel van een agrarisch bouwvlak op maat. Dit bouwvlak omvat in beginsel de bestaande opstallen en biedt ruimte voor uitbreiding. Aan zogenoemde nevenberoepsbedrijven die bedrijfsactiviteiten hebben van 9 tot 35 Nge is, zoals ook in 2.25.3 is overwogen, een bouwvlak toegekend dat is gerelateerd aan de bestaande bebouwing en voorzieningen. Voor de overige bedrijven is een maatvoering van 1 hectare gehanteerd. Agrarische bedrijven die nu, al dan niet inclusief concrete uitbreidingsplannen, een bouwvlak van meer dan 1 hectare hebben, zijn vervat in een groter bouwvlak. Ten aanzien van de vergroting van agrarische bouwvlakken is in artikel 22, tweede lid, onder b tot en met e, van de planvoorschriften een toetsingskader opgenomen voor het vergroten van agrarische bouwvlakken. De vergrotingsmogelijkheden zijn gerelateerd aan het soort agrarisch bedrijf (grondgebonden, niet-grondgebonden en glastuinbouwbedrijven) en de waarden en bestemmingen van het omliggende gebied. Voorts zijn afwegingscriteria opgenomen wanneer een vergroting zal worden toegestaan. 2.31.
  154. Uit het streekplan volgt, zoals eveneens reeds is overwogen in 2.18, dat het provinciale beleid erop is gericht verdere verstening van het buitengebied tegen te gaan. Het plangebied is op de streekplankaart voor een groot deel aangeduid als "agrarisch gebied", behorende tot de Agrarische hoofdstructuur. Omtrent het agrarisch vestigingsbeleid vermeldt het streekplan dat binnen de Agrarische hoofdstructuur onder meer uitbreiding van agrarische bedrijven mogelijk moet blijven met inachtneming van algemeen geldende voorwaarden ter bescherming van milieu- en landschappelijke waarden, zodat de concurrentiekracht behouden blijft en duurzaam produceren bereikbaar wordt. Zoals eerder is overwogen, acht de Afdeling voornoemd beleid niet onredelijk. Anders dan appellant, is de Afdeling van oordeel dat het streekplan verweerders in zoverre aanknopingspunten biedt de oppervlakte van grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bouwvlakken te beperken ondanks het feit dat het streekplan geen maximale oppervlakte maat voor deze bouwvlakken bevat. Verweerders hanteren bij de besluitvorming omtrent ter goedkeuring aangeboden bestemmingsplannen als beleidsmatige maatstaf dat de omvang van voornoemde bouwvlakken, na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, maximaal 1,5 hectare mag bedragen. Het provinciale beleid met betrekking tot de uitbreidingsmogelijkheden van glastuinbouwbedrijven buiten de ontwikkelingsgebieden is nader uitgewerkt in de Handleiding buitengebied van maart
  155. Voor deze sector is een vergroting van het bouwvlak tot 2 hectare glas mogelijk zonder dat de noodzaak daartoe behoeft te zijn aangetoond. Ook dit beleid acht de Afdeling, zoals eerder is overwogen, niet onredelijk. 2.31.
  156. De Afdeling overweegt dat de in het plan opgenomen regeling door het ontbreken van een maximale oppervlaktemaat het mogelijk maakt dat bouwvlakken van grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven en glastuinbouwbedrijven in alle gebieden, ook die welke in de provinciale groene hoofdstructuur liggen, in beginsel onbegrensd kunnen worden uitgebreid. De Afdeling deelt het standpunt van verweerders dat een dergelijke algemene regeling dient te worden onderbouwd door agrarische noodzaak. Verweerders hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat de wijzigingsbevoegdheden wegens het ontbreken van een plafond in strijd zijn met het provinciale beleid. Het beroep van appellant geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet in redelijkheid aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat door het opnemen van een maximale oppervlaktemaat de agrarische bedrijven op slot zullen worden gezet. Van belang is dat bij het toekennen van de bouwvlakken rekening is gehouden met een reële uitbreidingsmogelijkheid. Gelet op het voorgaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt strijdt met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben onthouden aan het in geding zijnde onderdeel van tabel 2 van artikel 21 en aan artikel 22, tweede lid, onder b tot en met e, van de voorschriften. Het beroep van de gemeenteraad is in zoverre ongegrond. Overige agrarische beroepsonderdelen De beroepen van [appellant sub 10] (gedeeltelijk) en [appellant sub 20] (gedeeltelijk) 2.
  157. [appellant sub 10] en [appellant sub 20] kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan ecologische verbindingszones. [appellant sub 10] noemt in dit verband met name gronden nabij zijn perceel ten zuiden van de Erfdijk. 2.32.
  158. De gemeenteraad heeft in artikel 22 van de planvoorschriften een regeling opgenomen betreffende ecologische verbindingszones. 2.32.
  159. Verweerders hebben het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en deze delen van het plan goedgekeurd. 2.32.
  160. De Afdeling overweegt dat de gemeenteraad de op plankaart 2 aangegeven ecologische verbindingszones heeft overgenomen uit het Begrenzingenplan "Oost-Brabant". Ingevolge artikel 22, zeventiende lid, onder b, van de planvoorschriften is het streven erop gericht gronden die zijn aangeduid als ecologische verbindingszones, zodanig in te richten dat een verbinding ontstaat tussen enkele natuurkerngebieden, die op dit moment nog worden gescheiden door agrarisch gebied. Om dit doel te bereiken is het mogelijk terzake van het gebruik van deze gronden beheersovereenkomsten te sluiten met de desbetreffende agrariërs. In dat geval zal geen bestemmingswijziging plaatsvinden. Een andere methode om dit doel te bereiken is het aankopen van voornoemde gronden. Dan zal een bestemmingswijziging van agrarisch gebied naar natuurgebied plaatsvinden. In de afweging hierbij dienen ook andere waarden, zoals agrarische, betrokken te worden. Verweerders kunnen zich in deze regeling vinden. Dit komt de Afdeling niet onredelijk voor. De ecologische verbindingszone ten zuiden van de Erfdijk is als zodanig aangegeven in het begrenzingenplan. Niet is gebleken dat hierbij is uitgegaan van onjuiste feiten of omstandigheden. Verder overweegt de Afdeling dat het voorliggende plan geen verplichting kan bevatten mee te werken aan het verwezenlijken van een ecologische verbindingszone. Eerst nadat overeenstemming is bereikt met de eigenaar van de gronden of nadat deze gronden zijn aangekocht kunnen de ecologische verbindingszones worden gerealiseerd. Verder is niet gebleken dat het aanduiden van voornoemde ecologische verbindingszone op plankaart 2 zal leiden tot een onevenredige belemmering in de bedrijfsvoering van [appellant sub 10]. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders op dit punt terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. De beroepen van [appellant sub 10] en [appellant sub 20] zijn in zoverre ongegrond. 2.
  161. [appellant sub 10] kan zich verder niet met het bestreden besluit verenigen, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de aan het populierenbos aan de Erfdijk toegekende bestemming "Bos met accent op natuur -Bn-". Hij stelt dat deze bestemming een te grote bescherming biedt aan dit gebied en dat hij hierdoor in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd. 2.33.
  162. De gemeenteraad is van mening dat de bosbestemming op de desbetreffende gronden recht doet aan de feitelijke situatie en dat appellant hierdoor niet in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd. 2.33.
  163. Verweerders hebben het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij kunnen instemmen met het standpunt van de gemeenteraad hieromtrent. 2.33.
  164. Het gemeentelijke beleid is erop gericht dat aan bossen met een minimale oppervlakte van 1 hectare een positieve bosbestemming wordt toegekend. Bosgebieden kleiner dan 1 hectare worden aangegeven als landschapselement. Verweerders kunnen zich hiermee verenigen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Het perceel aan de Erfdijk ten noorden van de kern Schaijk bestaat onder andere uit populieren en heeft een oppervlakte van meer dan 1 hectare. Gelet op de feitelijke situatie ter plaatse hebben verweerders het plan terecht in overeenstemming met het beleid geacht. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die een uitzondering op het beleid in dit geval rechtvaardigen. Hiertoe overweegt de Afdeling dat appellant, gelet op de afstand tussen het bosperceel en zijn perceel, niet aannemelijk heeft gemaakt door het plan onevenredig in zijn bedrijfsvoering te worden belemmerd. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 10] is op dit punt ongegrond. Beroepen met betrekking tot niet-agrarische bedrijven Provinciaal beleid 2.
  165. Uit het streekplan volgt dat het provinciale beleid erop is gericht verdere verstening van het buitengebied te voorkomen, onder meer door uitbreiding en nieuwvestiging van niet functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing tegen te gaan. Het beleid is erop gericht deze bedrijvigheid uit het buitengebied te weren omdat de inrichting van het buitengebied hierop niet is toegesneden. Daarom en om het buitengebied zijn landelijke karakter te laten behouden dienen deze activiteiten in principe te worden gesitueerd op bedrijventerreinen. Bestaande niet functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijven waarvoor de overheid geen actief saneringsbeleid nastreeft, dienen als zodanig te worden bestemd. Daarbij dienen in het algemeen redelijke uitbreidingsmogelijkheden te worden gewaarborgd. In dit kader wordt een maximale uitbreidingsmogelijkheid van 10 á 15% als redelijk beschouwd. Verder wordt een bedrijfswoning bij een niet functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijf in principe niet noodzakelijk geacht voor de exploitatie daarvan. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Het beroep van [appellante sub 6] 2.
  166. [appellante sub 6] stelt dat in het plan aan een gedeelte van haar gronden ten onrechte niet de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" is toegekend. 2.35.
  167. De gronden waarop het beroep van appellante betrekking heeft, zijn door de gemeenteraad bestemd tot "Agrarisch gebied -Ag-". Aan een gedeelte van deze gronden heeft de gemeenteraad voorts de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" en de aanduiding "B6" toegekend, zoals aangegeven op detailplankaart
  168. Ingevolge het bepaalde in artikel 20, eerste lid, onder a, van de voorschriften zijn gronden met deze aanduiding bedoeld voor de uitoefening van een transportbedrijf. Verder heeft de gemeenteraad een maximaal bebouwingsoppervlak van 2.531 m2 vastgesteld, welk oppervlak een uitbreidingsmogelijkheid van 15% impliceert. 2.35.
  169. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben daartoe overwogen dat de bestemmingsregeling voor de gronden van appellante, waarbij de bestaande situatie als zodanig is bestemd, in overeenstemming is met het provinciale beleid terzake. 2.35.
  170. Niet in geschil is dat een transportbedrijf niet functioneel aan het buitengebied is gebonden. Gesteld noch gebleken is dat binnen de gemeente Landerd de mogelijkheid bestaat van verplaatsing naar een bedrijventerrein of dat ten aanzien van het transportbedrijf een actief saneringsbeleid wordt gevoerd. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting blijkt dat appellante een gedeelte van de gronden aan de westzijde van haar bedrijf in gebruik heeft ten behoeve van het stallen en manoeuvreren van vrachtwagencombinaties. Tevens worden ter plaatse containers opgeslagen. De in het plan aan deze gronden toegekende bestemming is echter niet in overeenstemming met dit feitelijke gebruik. Verweerders zijn in hun besluitvorming hieraan voorbijgegaan. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellante sub 6] is gegrond, zodat het bestreden besluit, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" dat niet medebestemd is tot "Bedrijfsdoeleinden -B-" op detailplankaart 39 wat betreft de gronden aan de [locatie 12], wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 7] 2.
  171. [appellant sub 7] stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voorzover dit niet voorziet in een groter bebouwingsoppervlak en bestemmingsvlak ten behoeve van zijn autoverkoopbedrijf. In dit verband doet appellant tevens een beroep op het gelijkheidsbeginsel. 2.36.
  172. Aan de gronden waarop het beroep van appellant betrekking heeft, heeft de gemeenteraad de hoofdbestemming "Agrarisch gebied -Ag-" toegekend, waarbij een gedeelte van deze gronden is medebestemd tot "Bedrijfsdoeleinden -B-" met de aanduiding "B24", zoals aangegeven op detailplankaart
  173. Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder a, van de voorschriften zijn gronden met deze aanduiding bedoeld voor de uitoefening van een autoverkoopbedrijf. Verder heeft de gemeenteraad een maximaal bebouwingsoppervlak van 140 m2 vastgesteld, welk oppervlak een uitbreidingsmogelijkheid van 15% impliceert. 2.36.
  174. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben daartoe onder meer overwogen dat de bestaande situatie als zodanig in het plan is bestemd. 2.36.
  175. Niet in geding is dat een autoverkoopbedrijf een niet functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijf is. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders het plan in zoverre terecht in overeenstemming met het provinciale beleid terzake geacht. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan dit beleid hebben kunnen vasthouden. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat niet is gebleken dat appellant ten tijde van de vaststelling en de goedkeuring van het plan over een concreet uitbreidingsplan beschikte dat verweerders in hun besluitvorming hadden moeten betrekken. Ten aanzien van de door appellanten gemaakte vergelijking met de bestemmingsregeling voor het perceel van [appellant sub 15] aan [locatie 13] te [plaats] overweegt de Afdeling dat verweerders goedkeuring hebben onthouden aan het in het plan opgenomen bestemmingsvlak en de aanduidingen ten aanzien van de bebouwingsoppervlakte voor dit perceel, zodat reeds hierom een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Ook overigens is niet gebleken dat de situatie van het autoverkoopbedrijf van [appellant sub 15] zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerders om deze reden niet hebben kunnen instemmen met het plan. Gelet op het voorgaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Gelet hierop hebben verweerders het bestreden plandeel terecht goedgekeurd. Het beroep van [appellant sub 7] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 8] 2.
  176. [appellant sub 8] exploiteert een bedrijf in de bewerking, reparatie en in- en verkoop van machines en materieel aan de [locatie 14] te [plaats]. Hij stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voorzover dit niet voorziet in een positieve bestemming van zijn bedrijfsactiviteiten. Appellant voert daartoe aan dat het een reëel bedrijf betreft dat sinds 1979 ter plaatse is gevestigd. 2.37.
  177. De gemeenteraad heeft aan de gronden van appellant de hoofdbestemmingen "Bos met het accent op natuur -Bn-" en "Agrarisch gebied met natuurwaarden -An-" toegekend. Hij heeft daarbij overwogen dat de omvang van de opslag weliswaar aanzienlijk is maar dat geen sprake is van een bedrijfsvestiging of van een bedrijfsmatige activiteit. 2.37.
  178. Verweerders hebben de door de gemeenteraad getroffen regeling niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben gewezen op het provinciale beleid, dat erop is gericht niet functioneel aan het buitengebied gebonden activiteiten te weren. Zij achten van belang dat het een bosperceel betreft dat in de Groene Hoofdstructuur ligt en dat ter plaatse geen bedrijfsbebouwing aanwezig is. 2.37.
  179. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit punt niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening. Verweerders hebben naar het oordeel van de Afdeling het bestreden plandeel terecht in overeenstemming met het provinciale beleid ten aanzien van niet functioneel aan het buitengebied gebonden activiteiten geacht. Het beroep van appellant geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit geval niet aan het beleid hebben kunnen vasthouden. In dit verband is van belang dat het perceel van appellant in de Groene Hoofdstructuur ligt en dat ter plaatse sprake is van te beschermen natuurwaarden. Voorts is van belang dat de activiteiten van appellant in strijd zijn met de bestemming die in het vorige plan aan de gronden was toegekend en dat verweerders zich op het standpunt hebben gesteld dat het gebruik dat op de gronden plaats vindt, verplaatst moet worden. Niet aannemelijk is geworden dat dit laatste niet mogelijk is. Verweerders hebben in redelijkheid bij afweging van de betrokken belangen een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met de ter plaatse te beschermen natuurwaarden dan aan de belangen van appellant. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Gelet op al het voorgaande hebben verweerders het bestreden plandeel terecht goedgekeurd. Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond. De beroepen van de gemeenteraad van Landerd (gedeeltelijk) en de [appellante sub 9] 2.
  180. De gemeenteraad en [appellante sub 9] hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben onthouden aan de gronden aan de [locatie 15] te [plaats], waar het proefdierlaboratorium van [appellante sub 9] is gevestigd. Appellanten zijn van mening dat verweerders ten onrechte voorbij zijn gegaan aan de bebouwingsmogelijkheden voor dit perceel die voortvloeien uit het vorige plan. Zij bestrijden dat de in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheid in strijd is met het streekplan. Voorts stellen zij dat [appellante sub 9] al geruime tijd concrete bouwplannen heeft die corresponderen met de in het vastgestelde plan opgenomen bouwmogelijkheden. Tenslotte menen zij dat het bedrijf functioneel aan het buitengebied is gebonden. 2.38.
  181. De gemeenteraad heeft aan de gronden de bestemming "Bos met accent op natuur -Bn-" en op detailplankaart 131 de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" met daarin de aanduiding "B12" toegekend. Ingevolge het bepaalde in artikel 20, eerste lid, onder a, van de voorschriften zijn gronden met deze aanduiding bestemd voor de uitoefening van een laboratorium. Binnen het bestemmingsvlak is een bouwvlak toegekend van 22.100 m
  182. 2.38.
  183. Verweerders hebben het bestreden gedeelte van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en hebben hieraan goedkeuring onthouden. Zij hebben daarbij overwogen dat de omvang van het toegekende bouwvlak betekent dat een directe uitbreidingsmogelijkheid is toegestaan van ongeveer 430%. Verweerders achten dit in strijd met het door hen gevoerde beleid verdere verstening van het buitengebied tegen te gaan. Zij stellen zich verder op het standpunt dat geen rechten kunnen worden ontleend aan de bouwmogelijkheden die onder het vorige plan waren toegestaan daar, dit plan sterk verouderd is, de planologische inzichten gewijzigd zijn en concrete bouwplannen ontbreken. 2.38.
  184. Sinds 1964 is aan de Nistelrooiseweg een toxiciteitcentrum van [appellante sub 9] gevestigd, dat een belangrijke rol in het ontwikkelingsproces van nieuwe medicijnen vervult. In het vorige bestemmingsplan was aan de gronden van [appellante sub 9] de bestemming "Toxicologisch centrum" toegekend met een bebouwingsvlak van ongeveer 60.000 m2 zonder maximaal bebouwingspercentage. De Afdeling stelt vast dat verweerders het laboratorium van [appellante sub 9] hebben aangemerkt als niet functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid. De Afdeling acht dit niet onjuist. Dat de aard van de werkzaamheden maximale rust en stabiliteit vereisen die op deze locatie kunnen worden gewaarborgd, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat het laboratorium als een functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijfsactiviteit moet worden gezien. Blijkens het deskundigenbericht heeft [appellante sub 9] sinds het eind van de jaren '80 plannen om de deels verouderde bedrijfsgebouwen ter plaatse te verbeteren en uit te breiden. Daartoe is in 1993 het Masterplan [appellante sub 9] Schaijk opgesteld dat in de loop van de daarop volgende jaren verder is aangepast. Inmiddels is met de uitvoering daarvan begonnen en zijn vier nieuwe gebouwen opgericht waarvan drie met een bouwvergunning, verleend door burgemeester en wethouders van Landerd bij besluit van 23 maart
  185. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat geen sprake is van concrete bouwplannen. In dit geval heeft de gemeenteraad het bedrijf een bouwvlak op maat toegekend, rekening houdend met de uitbreidingswensen van [appellante sub 9], waarbij het bebouwingsoppervlak van 66.000 m2 is teruggebracht tot een bouwvlak van 22.100 m
  186. Verweerders hebben het voorgaande niet of onvoldoende in hun besluitvorming betrokken. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van de gemeenteraad is in zoverre en het beroep van

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.