200200980/1. Datum uitspraak: 15 januari 2003 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de maten zijn [maten], appellante, en burgemeester en wethouders van Weert, verweerders. 1. Procesverloop Bij besluit van 12 december 2001 hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een vergunning verleend voor het veranderen van een legkippenhouderij en akkerbouwbedrijf op de percelen [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit aangehechte besluit is op 9 januari 2002 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 18 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 maart 2002. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 22 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en verweerders, vertegenwoordigd door J. Truijen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [partij], in persoon. 2. Overwegingen 2.1. Bij besluit van 25 juli 1977 hebben verweerders een vergunning krachtens de Hinderwet verleend voor het houden van 20.000 legkippen op het perceel [locatie] te [plaats]. Bij besluit van 13 november 1990 hebben zij een vergunning krachtens de Hinderwet verleend voor het houden van 80.000 legkippen op het perceel [locatie] te [plaats]. Deze vergunning is gewijzigd bij het besluit krachtens de Wet milieubeheer van 22 september 1999. De onderhavige milieuvergunning strekt tot de samenvoeging van deze twee bedrijfsonderdelen tot een inrichting bestemd voor het houden van 91.120 legkippen, 20 schapen, 5 paarden en 5 zoogkoeien, alsmede voor akkerbouw. De legkippen worden gehuisvest op het perceel aan de [locatie], het overige vee op het perceel aan de [locatie], alwaar tevens goederen worden opgeslagen en materieel wordt gestald. 2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten. 2.3. Appellante betoogt dat voorschrift 1.4a naast voorschrift 1.4 onnodig bezwarend is. Er is geen aanleiding voor de preventieve bestrijding van vliegen, aldus appellante. 2.3.1. Verweerders stellen dat er een kans is op vliegenoverlast door de langdurige opslag van van buiten de inrichting afkomstige mest. De beste methode om deze overlast te voorkomen is preventieve bestrijding, aldus verweerders. 2.3.2. In voorschrift 1.4 is bepaald dat, telkens wanneer in de inrichting ongedierte wordt waargenomen zoals ratten, muizen, insecten, mijten e.d., daartegen doeltreffende bestrijdingsmaatregelen moeten worden getroffen. In voorschrift 1.4a is bepaald dat er preventieve bestrijding van vliegen plaats dient te vinden, waarbij de wijze waarop dit plaatsvindt dient te zijn beschreven; tevens moet een logboek bijgehouden worden met de boekhoudgegevens van de aangeschafte middelen ter (preventieve) bestrijding van vliegen. 2.3.3. Gelet op hetgeen verweerders hebben gesteld en het verhandelde ter zitting, hebben zij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 1.4a, naast voorschrift 1.4, nodig is om vliegenoverlast te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken. In hetgeen appellante betoogt bestaat geen grond voor het oordeel dat dit voorschrift onredelijk bezwarend is. 2.4. Appellante maakt voorts bezwaar tegen voorschrift 4.4, voorzover hierbij de verplichting is opgelegd om water uit te rijden over het land overeenkomstig het Besluit gebruik dierlijke meststoffen. Volgens haar kan de vergunning slechts betrekking hebben op activiteiten binnen de inrichting. 2.4.1. In de lijst met begrippen behorende bij de vergunningvoorschriften staat dat onder BGDM wordt verstaan: Besluit gebruik dierlijke meststoffen. In voorschrift 4.4 is bepaald dat het poets- en schrobwater uit de stallen, het waswater van de voertuigen voor veevoer en het spoelwater van kippen- en eiercontainers en kratten moet worden afgevoerd naar een opvangpunt en conform het gestelde in BGDM dient te worden uitgereden over het land; het transport naar de opvangput dient te geschieden door middel van een goed gesloten buizensysteem of een daaraan gelijkwaardige voorziening. 2.4.2. Ter zitting is vastgesteld dat de bedrijvigheid die de vergunninghouder uitoefent over het land waarover op grond van het bepaalde in voorschrift 4.4 water zou moeten worden uitgereden, niet behoort tot de activiteiten van de inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend. Van bindingen in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer tussen de inrichting en dat land is geen sprake. Het desbetreffende land maakt dan ook geen onderdeel uit van de inrichting. Onder deze omstandigheden is het niet mogelijk om aan de milieuvergunning voorschriften te verbinden ten aanzien van het voorkomen van hinder bij het uitrijden van het water over dat land. Voorschrift 4.4 komt dan ook wegens strijd met het systeem van de Wet milieubeheer voor vernietiging in aanmerking voorzover het betreft de zinsnede ‘… en conform het gestelde in BGDM dient te worden uitgereden over het land’. 2.5. Appellante betoogt dat de voorschriften 15.5 en 15.6 onredelijk bezwarend zijn, gezien de geringe hinder die is te duchten van het wassen van vrachtwagens en containers en de afstand tot de dichtst bij de inrichting gelegen woning van derden. 2.5.1. Verweerders stellen dat de voorschriften 15.5 en 15.6 zijn opgenomen ter voorkoming van de hinder door spuitnevel en geluid. Deze voorschriften vormen geen belemmering voor de reinigingsactiviteiten, aldus verweerders. 2.5.2. In voorschrift 15.5 is bepaald dat de deuren en ramen van de wasplaats tijdens het reinigen van voertuigen, kippen- en eiercontainers en kratten geheel gesloten dienen te zijn. In voorschrift 15.6 is bepaald dat de ventilatoren in de wasplaats tijdens het reinigen van voertuigen, kippen- en eiercontainers en kratten buiten werking dienen te zijn gesteld. 2.5.3. Gezien de afstand van 200 meter van de wasplaats tot de dichtst daarbij gelegen woning van derden, hebben verweerders in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende gemotiveerd waarom van het in werking zijn van de wasplaats zodanige hinder door spuitnevel en geluid is te duchten dat de maatregelen opgenomen in de voorschriften 15.5 en 15.6 noodzakelijk zijn ter bescherming van het milieu. Deze voorschriften komen voor vernietiging in aanmerking. 2.6. Appellante betoogt dat voorschrift 15.7 onredelijk bezwarend is. Verweerders stellen dat voorschrift 15.7 is opgenomen omdat de reinigingsactiviteiten tot stank- en geluidhinder leiden en omdat op het buitenterrein van de inrichting geen voorzieningen aanwezig zijn om het reinigingswater op te vangen. Bovendien staat op het terrein van de inrichting een wasplaats, zo stellen verweerders. In voorschrift 15.7 is bepaald dat op het buitenterrein van de inrichting geen voertuigen, kippen- en eiercontainers en kratten mogen worden gereinigd. Gelet op hetgeen verweerders hebben overwogen, hebben zij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 15.7 nodig is ter bescherming van het milieu. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat dit voorschrift onredelijk bezwarend is. 2.7. Appellante maakt bezwaar tegen de voorschriften 17.4.6 en 17.5.4. Volgens haar hebben verweerders naar aanleiding van de tegen het ontwerp van het bestreden besluit ingebrachte bedenkingen ten onrechte het woord ‘geheel’ toegevoegd in deze voorschriften. Deze toevoeging is onnodig bezwarend, omdat de mestcontainers in dat geval niet alleen aan de bovenkant, maar aan alle kanten moeten worden afgedekt, aldus appellante. 2.7.1. Verweerders stellen dat, gezien voorschrift 17.4.4, deze voorschriften zo moeten worden gelezen dat slechts de bovenzijde van de containers geheel moet worden afgedekt, omdat deze zijde, anders dan de andere zijden van de containers, niet mestdicht hoeft te worden uitgevoerd. De toevoeging van het woord ‘geheel’ heeft dan ook tot doel onduidelijkheid te voorkomen over de vraag wanneer de bovenzijde van de containers afdoende is afgedekt, aldus verweerders. 2.7.2. In voorschrift 17.4.4 is bepaald dat de bodem en de wanden van de container(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.