(1980)” had het perceel van appellante een tuin-, verkeers- en bijzondere doeleindenbestemming. Aan het perceel zijn in het voorliggende plan bovengenoemde bestemmingen toegekend. Ingevolge de planvoorschriften zijn alleen binnen de bestemming “Uit te werken woondoeleinden -UW-“ woningen mogelijk. Gelet op de opzet van het plan heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met de aan het perceel van appellante toegekende bestemmingen. Niet is gebleken dat de gemeenteraad de bestemmingen willekeurig of op oneigenlijke gronden heeft toegekend. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder op dit punt terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond. 2.
- Verder kan [appellant sub 2] zich niet met het bestreden besluit verenigen voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel dat voorziet in de ontsluiting van de Eygelshovergracht tegenover het perceel [locatie]. Zij stelt dat dit leidt tot een verkeersonveilige situatie. Daarnaast vreest zij geluidhinder, luchtverontreiniging en trillingshinder op het vorengenoemde perceel. 2.5.
- De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat de T-aansluiting nodig is ter ontsluiting van de Eygelshovergracht. Hij stelt dat de aansluiting niet intensief zal worden gebruikt waardoor de overlast voor de woning aan de [locatie] gering zal zijn. Verder meent hij dat er geen sprake is van een verkeersonveilige situatie omdat de aansluiting aan de buitenzijde van de kromming is gelegen waardoor er een beter overzicht op de verkeerssituatie is. 2.5.
- Verweerder heeft het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij kan instemmen met het standpunt van de gemeenteraad hieromtrent. 2.5.
- De Afdeling overweegt dat het plangebied ontsloten wordt door vier wegen, waaronder de Laan van Carisborg die uitkomt op de Eygelshovergracht recht voor het perceel van appellante. De Eygelshovergracht is een doorgaande weg. De huidige verkeersbelasting aldaar is ongeveer 6.000 motorvoertuigen per etmaal. De Laan van Carisborg dient blijkens de stukken ter ontsluiting van ongeveer 55 tot 65 woningen. Op basis hiervan heeft de gemeenteraad een verkeersprognose opgesteld. Hieruit is af te leiden dat de verkeersbelasting op de Laan van Carisborg wordt geschat op ongeveer 250 motorvoertuigen per etmaal. Ten gevolge hiervan stijgt ook de verkeersbelasting op de Eygelshovergracht met ongeveer 250 motorvoertuigen per etmaal. Niet is aannemelijk gemaakt dat hierbij is uitgegaan van onjuiste veronderstellingen. Mede gelet op de geringe toename van de verkeersbelasting op de Eygelshovergracht ten opzichte van de huidige verkeersbelasting aldaar heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de ontsluiting nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat voor de bewoners van de woning aan de [locatie]. 2.5.
- Verder overweegt de Afdeling dat verweerder terecht heeft betoogd dat het gemeentebestuur verkeersmaatregelen kan nemen ter voorkoming van verkeersonveilige situaties. Een en ander in aanmerking genomen heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan voldoende mogelijkheden biedt voor een verkeersveilige situatie ter plaatse. 2.5.
- Het vorenstaande in aanmerking genomen heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel. Het beroep van [appellant sub 2] is ook in zoverre ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk; II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat. w.g. Bartel w.g. Klein Nulent Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2003 210-409.