(2001)in procedure gebracht. De gemeente ’s-Hertogenbosch heeft, naar uit de reactie van verweerder op inspraak op het ontwerp-besluit 2001 is gebleken, een studie verricht naar de “Ontsluitingsproblematiek A2-zone” (Boersma van Alteren, november 1999). In deze studie is rekening gehouden met de toekomstige ruimtelijke en economische ontwikkelingen. In de studie wordt geconcludeerd dat volstaan kan worden met één centrale aansluiting op de A2 ter plaatse van de Bruistensingel/Rodenborchweg (aansluiting Rosmalen). Een extra aansluiting in knooppunt Empel is niet noodzakelijk. Bovendien is een extra aansluiting nadelig voor de doorstroming en de verkeersveiligheid op de A2 en leidt tot onbedoeld lokaal gebruik van de A
- Voorts zijn de verkeersprognoses voor de ombouw van de A2, regio ’s-Hertogenbosch, technische rapportage 11 mei 2000, aangepast. Op grond van hetgeen door appellant is aangevoerd, kan de Afdeling niet tot de conclusie komen dat verweerder niet van de aangepaste verkeersprognoses kon uitgaan. Uit het verweerschrift is gebleken dat het vergroten van de aansluiting Rosmalen zowel wat betreft geluidhinder als wat betreft ruimtebeslag een veel kleinere invloed op de omgeving heeft dan het volledig maken van het knooppunt Empel. De Afdeling komt dit standpunt niet onjuist voor. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat ontsluiting via de Bruistensingel/Rodenborchweg tot verkeersproblemen zal leiden. 2.4.2.
- [appellant sub 4] voert in beroep verder aan dat verweerder ten onrechte voor zijn woning aan de [locatie sub 4] geen hogere waarde in het kader van de Wet geluidhinder heeft vastgesteld. 2.4.2.
- Ingevolge artikel 74, eerste lid, onder a, sub 1o, van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg bestaande uit drie of meer rijstroken een zone die aan weerszijden van de weg in stedelijk gebied 350 meter bedraagt. Gelet op dit artikel en gelet op de Regeling bepaling geluidszones langs wegen 1993 van 30 maart 1993 (Stcrt. 1993, 72) bevindt de zone zich naast de weg. Naar uit de bij het tracébesluit behorende kaart 8 blijkt, is de woning van appellant gelegen in de nabijheid van het te reconstrueren gedeelte Bruistensingel/Rodenborchweg. Het gedeelte van deze weg dat in het tracébesluit is opgenomen eindigt aan de westzijde van de kruising met de Empelseweg. De woning van appellant staat aan de oostzijde van evengenoemde kruising. Gelet op de ligging van de zone bevindt de woning van appellant zich niet binnen de in artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder bedoelde zone. Derhalve bestond voor verweerder geen reden om de woning van appellant in het akoestisch onderzoek te betrekken. 2.4.2.
- Voor zover appellant stelt dat als gevolg van het te reconstrueren gedeelte Bruistensingel/Rodenborchweg de voorkeursgrenswaarde voor de woning [locatie] wordt overschreden, wijst de Afdeling erop dat verweerder voor deze woning een hogere waarde heeft vastgesteld. Niet is aannemelijk geworden dat deze hogere waarde ten onrechte is vastgesteld. 2.4.
- Voorts heeft appellant erop gewezen dat de ecologische verbindingszone tussen de Rodenborchweg en knooppunt Hintham, anders dan in het ontwerp-tracébesluit 1998, vervalt en wordt vervangen door een strook grond in de buurt van Sint-Michielsgestel. Hij meent dat het vervallen van de ecologische verbindingszone onvoldoende gemotiveerd is. 2.4.3.
- De plasdrasstrook, die was voorzien tussen de aansluiting Rosmalen (Rodenborchweg) en knooppunt Hintham (Graafsebaan), als een verbinding tussen het natuurgebied de Heinis en het Aa-dal/landgoed de Wamsberg, is in het tracébesluit niet opgenomen. De ontsluiting van de Heinis is nog steeds als extra maatregel opgenomen echter niet langs de A2 maar via de Grote Wetering naar de Maasuiterwaarden. Naar uit de toelichting bij het tracébesluit blijkt is de bedoelde plasdrasstrook vervallen en is besloten de beperkte hoeveelheid compensatie buiten het wegtracé te realiseren om de volgende redenen: - het is niet zinvol om binnen de invloedssfeer van de weg te compenseren; - in de Trajectnota was er nog sprake van een stedelijke en een landelijke kant van de weg. Nu ook aan de oostzijde van de weg stedelijke ontwikkelingen te verwachten zijn, worden ligging en functionaliteit van de zone (gerelateerd aan de omvang) minder gunstig; - nader onderzoek heeft uitgewezen dat het moeilijk is een ecologisch zinvolle plasdrassituatie te realiseren op een breedte van 10 meter; aangezien de grondwaterstand plaatselijk vrij laag is, zijn te diepe en steile ontgravingen nodig; - de ecologische ontsluiting van de Heinis is ook te realiseren in noordoostelijke richting, waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande watergangen; - door het vervallen van de plasdrasstrook is het ruimtebeslag van de A2 te beperken met 2 meter. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat het vervallen van de ecologische verbindingszone onvoldoende is gemotiveerd. Voorts is de Afdeling niet aannemelijk geworden dat verweerder niet voor de in het tracébesluit opgenomen compenserende maatregelen heeft kunnen kiezen. 2.4.
- In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze onderdelen anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. 2.
- Proceskostenveroordeling 2.5.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en drs. G.A. Posthumus, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G.L. de Vette, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. De Vette Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2003 196.