(1999)” het groene hart van Dordrecht worden. Blijkens de kaart op bladzijde 49 van deze ontwikkelingsvisie zullen de groene elementen in het plangebied zowel aan de noord- als aan de zuidkant aansluiten op groene elementen in de Dordwijkzone. Uit de plantoelichting blijkt dat naast de aanleg van de ecologische zone de bouw van woningen aan de achterzijde van de percelen aan de Stevensweg een doelstelling van het plan is. Hiermee beoogt het gemeentebestuur een nieuwe bebouwingsgrens te creëren waaraan de voorzijde van woningen is gesitueerd en op grond waarvan voldoende opbrengsten kunnen worden gegenereerd om de aanleg van deze zone te kunnen bekostigen. De meest westelijk gelegen strook met de bestemming “Groenvoorzieningen (G)” in het plangebied heeft een breedte van ongeveer 125 meter en de oostelijke strook van ongeveer 55 meter. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding om te oordelen dat verweerders zich niet op het standpunt hebben kunnen stellen dat de zone die in het plan is voorzien voldoende is om de ecologische zone te versterken. De Afdeling ziet, op grond van de stukken, waaronder het deskundigenbericht, voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet hebben kunnen instemmen met de doelstellingen van het plan. 2.4.
- Appellante heeft een houthandel op haar perceel aan de [locatie sub 3]. Aan de gronden van het perceel van appellante is de bestemming “Bedrijfsdoeleinden (B)” met de aanduiding “hout bewerkend bedrijf (ho)” toegekend. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor een houthandel. Ingevolge het vijfde lid in samenhang met de plankaart is voor het voorste deel van het perceel de maximale bouwhoogte 8 meter. Voor het grootste deel van het perceel bedraagt de maximale bouwhoogte 10 meter. Bij het vaststellen van de maximale bouwhoogtes is het gemeentebestuur uitgegaan van de bestaande hoogtes. Dit heeft geresulteerd in een maximale bouwhoogte van 10 meter voor het binnengebied en de bebouwing aan de [locaties]. Vastgesteld moet worden dat de aan het perceel van appellante toegekende hoogtes hiermee in overeenstemming zijn. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat het gebied aan de [locatie] geen industrieterrein is, acht de Afdeling het standpunt van verweerders dat een hogere dan in het plan voorziene maximale bouwhoogte uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is, niet onredelijk. Ingevolge artikel 9, zesde lid, van de planvoorschriften, in samenhang met de plankaart, is het bebouwingspercentage voor het perceel van appellante 60%. Voor het bepalen van de maximale bebouwingspercentages is uitgegaan van de op de percelen voorkomende bebouwing en is rekening gehouden met enige uitbreiding. Het perceel van appellante heeft een oppervlak van 12.570 m
- De aanwezige bebouwing heeft een oppervlak van 7034 m
- Gelet hierop en mede in aanmerking genomen de aard en het karakter van het gebied is de Afdeling van oordeel dat verweerders hebben kunnen stellen dat een ruimer bebouwingspercentage niet verantwoord is. 2.4.
- De Afdeling overweegt dat, in tegenstelling tot hetgeen verweerders hebben gesteld, het beroep van appellante ten aanzien van de vrees voor geur- en visuele hinder en de brandveiligheidseisen, ontvankelijk is, nu het gaat om ondersteunende argumenten voor het in de zienswijzen en bedenkingen aangevoerde bezwaar dat moet worden gevreesd voor het leefklimaat van de voorziene woningen. 2.4.4.
- De aan de achterzijde grenzende percelen hebben de bestemmingen “Groenvoorzieningen (G)”, deels met de aanduiding “gebied waarvoor wijzigingsbevoegdheid geldt (I)” en “Woongebied II (W II)”. Aan de gronden ten oosten van het perceel van appellante is de bestemming “Gemengd woongebied (GW)” toegekend. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming “Groenvoorzieningen (G)” voorzover op de plankaart nader aangeduid met “I” te wijzigen in de bestemming “Woongebied II (W II)”. Ingevolge artikel 7, eerste lid, zijn de als “Woongebied II (W II)” aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden, verkeersdoeleinden, groen- en speelvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Ingevolge artikel 5, eerste lid, voorzover hier van belang, zijn de als “Gemengd woongebied (GW)”, aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden, verkeersdoeleinden, groen- en speelvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Ingevolge artikel 7, vierde lid, onder b, en artikel 5, zesde lid, onder b, is de realisering van woningen en andere geluidsgevoelige objecten slechts toegestaan indien de geluidsbelasting welke als gevolg van bedrijven optreedt op de gevels niet meer bedraagt dan 50 dB(A) gedurende de dagperiode en 40 dB(A) gedurende de nachtperiode. Voor de gronden met de bestemming “Woongebied II (W II)” geldt ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften dat de voorgevelrooilijn op een afstand van minimaal zeven meter van de ontsluitingsweg langs het perceel moet zijn gesitueerd en dat de afstand tussen hoofdgebouwen en de zijdelingse perceelsgrens minimaal drie meter dient te bedragen. Voor aan- en bijgebouwen geldt dat zij op minimaal één meter afstand van de zijdelingse perceelsgrens opgericht dienen te worden. Ingevolge artikel 5, zevende lid, onder e, f en g, van de planvoorschriften moeten woningen op de gronden met de bestemming “Gemengd woongebied (GW)” in de voorgevelrooilijn worden gebouwd, dient de afstand tussen vrijstaande hoofdgebouwen en de zijdelingse perceelsgrens en tussen hoofdgebouwen twee aaneen en de onbebouwde perceelsgrens ten minste drie meter te bedragen. Het gemeentebestuur heeft een akoestisch onderzoek verricht waarvan de resultaten zijn vastgelegd in een verslag van 17 oktober
- Uit de bij het onderzoek behorende figuur 1a en b is af te leiden dat de 50 dB(A)waarde uitsluitend ten aanzien van de gronden met de bestemming “Groenvoorzieningen (G)” wordt overschreden tot ongeveer 60 meter uit de perceelsgrens van appellante. Gelet hierop en de hierboven weergegeven planregeling stelt de Afdeling vast dat woningbouw derhalve mogelijk is op drie meter uit de perceelsgrens. Ingevolge artikel 9, eerste lid, tweede alinea, van de planvoorschriften, mogen alleen bedrijven die behoren tot de categorieën 1 en 2 van de tot het plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten zich vestigen. Het bedrijf van appellante, zo blijkt onweersproken uit het deskundigenbericht, verkoopt gezaagd hout en plaatmaterialen aan handelaren en kan het hout eventueel bewerken. Het bewerken kan bestaan uit schaven, afkorten en het profileren van het hout. Hiertoe heeft het bedrijf een gesloten loods waarin onder meer een zaag, een schaafmachine en een freesmachine staan opgesteld. Blijkens het deskundigenbericht moet het bedrijf, gelet op de bewerkingen die het uitvoert, worden aangemerkt als de tot categorie 3 behorende “overige houtwarenindustrie” van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. De Afdeling ziet geen reden daarover anders te oordelen. Ter zitting is komen vast te staan dat noch het gemeentebestuur noch verweerders ter plaatse onderzoek hebben verricht naar de aard van de bedrijfsactiviteiten van appellante maar dat de regeling zoals die ingevolge het vorige plan gold is overgenomen. Naar het oordeel van de Afdeling had het op de weg van verweerders en het gemeentebestuur gelegen onderzoek te doen naar de aard van de bedrijfsactiviteiten. Dat ingevolge het elfde lid van de planvoorschriften burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen voor een categorie 3 bedrijf indien is gebleken dat het bedrijf naar aard en inrichting kan worden gelijkgesteld met categorie 1 en 2 bedrijven, doet hier niet aan af. De Afdeling overweegt dat de categoriebepaling in het bijzonder van belang is bij het vaststellen van hinder. Ingevolge de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn die categorie 3 bedrijven toegestaan welke door hun aard toelaatbaar zijn aan de rand van rustige woonwijken. Ingevolge de aan de Staat van Bedrijfsactiviteiten ten grondslag liggende VNG-brochure wordt ten aanzien van een categorie 3 bedrijf als dat van appellante een afstand tot woningen in een rustige woonwijk van 100 meter geïndiceerd. Blijkens de VNG-brochure is bij de vaststelling van deze afstand niet alleen het aspect van de geluidhinder van belang, maar ook onder meer dat van stof en geur. Bij de afweging van de betrokken belangen is, zo is gebleken, geen rekening gehouden met alle relevante hinderaspecten. Daargelaten of een bepaling zoals opgenomen in de artikelen 7, vierde lid, onder b en artikel 5, zesde lid, onder b, van de planvoorschriften juist is, is de Afdeling, gelet op het bovenstaande en gezien het deskundigenbericht, van oordeel dat verweerders niet in redelijkheid het standpunt hebben kunnen innemen dat het plan een goed woon- en leefklimaat waarborgt. 2.4.4.
- Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerders, door het plandeel goed te keuren, hebben gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van appellante sub 3 is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op deze punten dient te worden vernietigd. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemmingen “Gemengd woongebied (GW)”, “Woongebied II (WII)”, “Groenvoorzieningen (G)” en “Bedrijfsdoeleinden (B)” zoals nader aangegeven op een bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart. 2.
- Verweerders dienen ten aanzien van appellanten sub 1 en 2 op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van appellante sub 3 is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de beroepen van appellanten gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 27 november 2001, no. DRGG/ARB/01/4967A, voorzover het betreft a. het plandeel met de bestemming “Woongebied II (WII)” zoals nader aangegeven op een bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart; b. de plandelen met de bestemmingen “Gemengd woongebied (GW)”, “Woongebied II (WII)”, “Groenvoorzieningen (G)” en “Bedrijfsdoeleinden (B)” zoals nader aangegeven op een bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart; III. onthoudt goedkeuring aan de onder II.b. genoemde plandelen; IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover het de onder II.b. genoemde plandelen betreft; V. verklaart de beroepen van appellanten voor het overige ongegrond; VI. veroordeelt gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door appellanten sub 1 en 2 in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot voor ieder afzonderlijk een bedrag van € 644,00, welke bedragen geheel zijn toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan appellanten; VII. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 voor appellant sub 1 en € 218,00 voor appellante sub 2 en 3 afzonderlijk) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en drs. G.A. Posthumus en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Van Onselen Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 15 januari
- 178-290.