(1995)houdt het beleid ten aanzien van agrarische bebouwing in dat op agrarische gronden in beginsel alleen gebouwen en andere bouwwerken toelaatbaar zijn die noodzakelijk zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering van volwaardige bedrijven. Dit beleid is verder uitgewerkt in de Handleiding agrarische bouwaanvragen en aanlegvergunningen (hierna: de Handleiding) die verweerder bij de beoordeling van het plan heeft gebruikt. Dit beleid acht de Afdeling niet onredelijk. Ingevolge artikel 1, veertiende lid, van de planvoorschriften is een agrarisch bedrijf als volwaardig aangemerkt indien dat duurzaam werkgelegenheid biedt aan ten minste één volledige arbeidskracht die een hoofdberoep, hoofdbestaan en volledige dagtaak in het bedrijf vindt. Van duurzame werkgelegenheid is sprake indien voldoende aannemelijk is dat het bedrijf over een periode van ten minste tien jaar gelijk blijft qua aard, omvang en arbeidsbehoefte. Deze beschrijving komt overeen met die in de Handleiding. In hoofdstuk 5 van de Handleiding wordt per bedrijfstak de normatieve omvang aangegeven. Indien een bedrijf agrarische bedrijfstakken combineert kan de omvang van elke tak worden opgeteld voor de beoordeling van de volwaardigheid. Deze uitgangspunten komen de Afdeling niet onredelijk voor. Appellant heeft 15 meststieren, 60 zoogkoeien en 40 stuks jongvee. Krachtens de aan hem verleende vergunning van 6 juli 1993 in het kader van de Wet milieubeheer mag hij daarnaast 200 schapen houden. Vaststaat dat appellant hiervan tot dusver geen gebruik heeft gemaakt. In de op 9 april 2002 afgegeven revisievergunning is het houden van 200 schapen niet vergund. Voorts houdt appellant vier paarden en tien pony’s. Deze dieren zijn niet in de vergunning van 6 juli 1993 opgenomen maar wel toegekend krachtens de vergunning van 9 april
- Niet in geding is dat appellant 2,2 hectare grond in eigendom heeft. Daarnaast huurt hij volgens het deskundigenbericht ongeveer 290 hectare grond in de omgeving voor telkens een periode van één jaar. Appellant stelt dat hij ruim 460 hectare grond tot zijn beschikking heeft, maar dit heeft hij niet aannemelijk gemaakt. De Afdeling ziet voorts, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding om te oordelen dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de terreinen niet duurzaam ter beschikking staan van appellant. Het feit dat, zoals appellant stelt, het bij gronden in natuurgebieden niet gebruikelijk is voor een langere duur dan één jaar te verhuren, maakt dit niet anders. De Afdeling is op grond van de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het ter zitting verhandelde voorts niet gebleken van een volwaardige arbeidskracht die een volledige dagtaak en inkomensvorming heeft in het bedrijf. Zij neemt daarbij mede in aanmerking dat appellant een volledige baan heeft als procesoperator en eigenaar is van een uitzendbureau. Verder dient, anders dan appellant stelt, in het kader van een bestemmingsplan voldoende inzicht te bestaan in de milieuaspecten en de mogelijke invloed op het woon- en leefklimaat van de in de nabijheid staande woningen. De afstand van het perceel met de nadere aanwijzing tot deze woningen bedraagt enkele tientallen meters. Blijkens de stukken is tegen het besluit waarin is beslist op de bezwaren tegen de aan appellant verleende revisievergunning van 9 april 2002 beroep ingesteld bij de Afdeling. Gelet hierop en op de genoemde afstand volgt de Afdeling het standpunt van verweerder dat ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende aannemelijk was dat een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat de normatieve omvang en de duurzaamheid van het bedrijf van appellant niet voldoen aan de in de Handleiding genoemde criteria voor een volwaardig bedrijf. Niet is gebleken van omstandigheden die een uitzondering hierop rechtvaardigen. 2.
- Gelet op al het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de nadere aanwijzing in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan de nadere aanwijzing. Het beroep is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat. w.g. Dolman w.g. Klein Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 22 januari
- 176-290.