(1987)is het gebied 't Hazeleger aangeduid als stads- en dorpsgebied, overige kern en bestaand woongebied. Deze aanduiding in het streekplan, het gegeven dat veel recreatiewoningen inmiddels permanent bewoond werden en het feit dat verschillende illegale verbouwingen op het terrein hadden plaatsgevonden, waren voor het college van burgemeester en wethouders van Renkum aanleiding om bij besluit van 31 januari 1995 de zogenoemde "Toetsingscriteria bouwaanvragen op het terrein 't Hazeleger" vast te stellen. Deze toetsingscriteria zijn toegezonden aan de bewoners van 't Hazeleger en zijn gepubliceerd in de Veluwepost. De toetsingscriteria vermelden onder meer dat de hoofdbebouwing op 't Hazeleger voor wonen mag worden gebruikt, geven bouwvoorschriften en een overgangsbepaling op grond waarvan gebouwen die op een perceel aanwezig zijn en afwijken van deze regeling onder voorwaarden mogen worden gehandhaafd, gedeeltelijk vernieuwd, veranderd of vergroot. Het college van burgemeester en wethouders van Renkum heeft in de periode van 31 januari 1995 tot 9 juli 2001, het moment waarop de toetsingscriteria werden ingetrokken, op basis van deze toetsingscriteria diverse bouwvergunningen verleend voor bouwplannen op 't Hazeleger. Naar aanleiding van de vaststelling van het Streekplan Gelderland 1996 (25 september 1996), waarin het gebied waarin 't Hazeleger ligt is aangeduid als "Landelijk gebied A", heeft het gemeentebestuur van Renkum overleg gevoerd met de dienst Gemeentelijke Plannen van de provincie Gelderland. De provinciale dienst heeft het gemeentebestuur bij brief van 5 maart 1997 geïnformeerd over de gevolgen van het veranderde streekplanbeleid voor het gebied 't Hazeleger: "Enerzijds betekent dit dat de daarbinnen aanwezige andere functies (zoals i.c. de woningen in 't Hazeleger) ondergeschikt zullen dienen te zijn aan de hoofdfunctie c.q. de hoofdbestemming. Anderzijds betekent dit dat de bestaande woningen specifiek bestemd moeten worden, waarbij de bestaande situatie als uitgangspunt genomen moet worden en de diverse feitelijke gebruiksfuncties (woning resp. recreatiewoning) van elkaar onderscheiden dienen te worden". Bij brief van 9 juli 2001 heeft de inspecteur voor de ruimtelijke ordening het college van burgemeester en wethouders van Renkum ingelicht over de uitkomsten van een onderzoek dat verricht is naar de naleving van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de daaruit voortvloeiende regelgeving in de gemeente Renkum. De inspecteur constateerde een aantal overtredingen ten aanzien van 't Hazeleger. Het betreft volgens de inspecteur onder meer: permanente bewoning van recreatiewoningen, bouwen zonder bouwvergunning, afgifte van bouwvergunningen in strijd met de vigerende bestemming en afgifte van bouwvergunningen op grond van een interne richtlijn. De inspecteur kondigde in deze brief onder meer aan dat degenen die na 31 januari 1995 een bouwvergunning hebben gekregen rekening dienen te houden met verzoeken van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, tot vernietiging, en voor zover de woningen nog in aanbouw zijn tevens tot schorsing van deze vergunningen. 2.9.
- In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat enkel het langdurig tijdsverloop van het met de vigerende bestemming strijdig gebruik geen aanleiding geeft af te wijken van het beleid. Zoals uit het voorgaande blijkt doen zich in dit geval echter meer bijzondere omstandigheden voor. Verweerder heeft niet bezien of deze omstandigheden aanleiding geven in dit geval een uitzondering te maken op het beleid. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van de gemeenteraad is in zoverre en de beroepen van [appellant sub 7], [appellant sub 8], en de Vereniging het Hazeleger Wolfheze en 83 anderen zijn geheel gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan de bestemming "Bos- en natuurgebied" in de categorie "bos met meervoudige doelstelling" en de zone "landelijk wonen" voor het gebied 't Hazeleger, en artikel 8, eerste lid, onder e, en artikel 8, tweede lid, onder c, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. overige onderdelen van de planvoorschriften 2.
- [appellanten sub 13] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 13, tweede lid, onder a. Zij zijn van mening dat bestaande woningen uitsluitend op grond van de bestaande omvang in een bepaalde bebouwingscategorie zijn opgenomen. Naar de mening van appellanten hadden ook andere factoren, zoals de oppervlakte van het perceel, daarbij een rol moeten spelen. 2.10.
- De gemeenteraad heeft aan de bestaande woningen in het plangebied de bestemming "Woondoeleinden" in de bebouwingscategorie a, b, c of d toegekend. In artikel 13, tweede lid, is een bebouwingsregeling opgenomen die inhoudt dat per bebouwingscategorie de maximaal toegestane inhoud van de woning, hoogte en goothoogte is bepaald. Een woning is op basis van de bestaande inhoud ingedeeld in een bebouwingscategorie. 2.10.
- Verweerder heeft overwogen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 2.10.
- De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de in artikel 13 geregelde differentiatie uit stedenbouwkundig oogpunt relevant is te achten, aangezien hierdoor een verdere verstening van het buitengebied kan worden voorkomen. Het beroep van [appellanten sub 13] is in zoverre ongegrond. 2.
- De gemeenteraad stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de artikelen 7 en
- De gemeenteraad is van mening dat het afgraven van bepaalde delen van de uiterwaarden ter uitvoering van de nota "Ruimte voor Rijntakken", op basis van deze voorschriften wel mogelijk is. 2.11.
- Verweerder heeft het plan op deze punten in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft goedkeuring onthouden aan de artikelen 7 en
- Hij heeft overwogen dat deze voorschriften, die betrekking hebben op gronden met de bestemmingen "Uiterwaarde" en "zone ten behoeve van de waterstaatsdoeleinden", ten onrechte niet voorzien in het afgraven van de uiterwaarden ten behoeve van de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier. Verweerder verwijst in dit verband naar de projecten in het kader van de nota "Ruimte voor Rijntakken". 2.11.
- De Afdeling is met verweerder van oordeel dat het plan niet voorziet in het afgraven van de uiterwaarden ten behoeve van de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier. In de doeleindenomschrijving van artikel 7 is de vergroting van de afvoercapaciteit niet als doeleinde genoemd. Het aanlegvergunningvereiste voor afgraven, zoals opgenomen in artikel 7, derde lid, ziet niet, zoals de gemeenteraad ook heeft gesteld, op de grootschalige afgravingen die voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier nodig kunnen zijn. In artikel 24 is de vergroting van de afvoercapaciteit wel als doeleinde genoemd, maar uit het bepaalde in artikel 3 en het bepaalde in het tweede en derde lid van artikel 24 blijkt dat deze dubbelbestemming slechts ziet op een beperking van de bouwmogelijkheden die de bestemming "Uiterwaarde" biedt. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hij heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan de artikelen 7 en 24 van de planvoorschriften. Het beroep van de gemeenteraad is in zoverre ongegrond. [appellant sub 5] 2.
- [appellant sub 5] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en de aanduiding "S" (stacaravan). Appellant stelt dat dit perceel ruim veertig jaar wordt gebruikt voor het plaatsen van stacaravans en toeristische standplaatsen. Dit gebruik maakt naar zijn mening geen inbreuk op het aan het perceel grenzende bos. Hij stelt dat hij niet voornemens is dit gebruik binnen de planperiode te beëindigen. 2.12.
- De gemeenteraad heeft aan het perceel de bovengenoemde bestemming en aanduiding toegekend. Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder a en b, zijn gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf en de bescherming van landschapswaarden. Deze landschapswaarden zijn als zodanig op de kaart 'landschapswaardering' aangegeven. Het kan onder meer betreffen: hoogteverschillen, openheid en rust. Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder c, zijn op de gronden met de aanduiding "S" maximaal vier stacaravans toegelaten. 2.12.
- Verweerder heeft dit onderdeel van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij heeft overwogen dat het perceel met de aanduiding "S" grenst aan een bosrand. Deze bosrand heeft de bestemming "Bos- en natuurgebied" in de categorie "bos met accent op natuurbehoud". Gelet op deze bestemming en de te handhaven waarden (hoogteverschillen, openheid en rust) heeft verweerder het planologisch onjuist geacht tegen deze bestemming een terrein te projecteren met de aanduiding "S". 2.12.
- De Afdeling is van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder het gegeven dat het perceel al langere tijd in gebruik is bij de camping van [appellant sub 5] en het belang dat hij heeft bij handhaving van dit gebruik bij zijn afweging heeft betrokken. Voorts zijn op de bij het plan behorende kaart 'landschapswaardering' voor de gronden waarvoor de aanduiding "S" geldt geen specifieke landschapswaarden aangegeven. In artikel 8, het planvoorschrift dat betrekking heeft op de bestemming "Bos- en natuurgebied", zijn de door verweerder genoemde waarden evenmin specifiek genoemd. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en de aanduiding "S" wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. [appellant sub 6] 2.
- De [appellant sub 6] exploiteert een agrarisch bedrijf aan de [locatie sub 6]. Zij stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover dat niet voorziet in een bouwblok van 1 hectare voor haar bedrijf. Appellante wenst een uitbreiding van het agrarisch bouwblok in oostelijke en in westelijke richting. Verder stelt zij dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 32, beschrijving in hoofdlijnen, deelgebied 5 uiterwaarden, voorzover daarin het gebruik van de uiterwaarden ten behoeve van de landbouw niet als hoofdfunctie is genoemd. 2.13.
- De gemeenteraad heeft voor het bedrijf van appellante in het plan een agrarisch bouwblok opgenomen van ongeveer 6.300 m
- De gemeenteraad heeft de gewenste verdere uitbreiding van het bouwperceel in westelijke richting niet gehonoreerd omdat dit ten koste zou gaan van een bestaand bosgebied. Verder heeft hij de rangschikking van de functies voor de uiterwaarden, zoals opgenomen in artikel 32, juist geacht. 2.13.
- Verweerder heeft in de bedenkingen van appellante geen aanleiding gezien deze delen van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft overwogen dat het plan in een vrijstellingsmogelijkheid voor de oprichting van een mestopslagplaats voorziet, zodat zonder vergroting van het bouwperceel aan de oostzijde toch met de belangen van appellante rekening kan worden gehouden. Verder heeft verweerder ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad. 2.13.
- Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, kan worden afgeleid dat de westelijke grens van het agrarisch bouwperceel van appellante op ongeveer vijf meter van het plandeel met de bestemming "Bos- en natuurgebied" in de categorie "bos met meervoudige doelstellingen", ligt. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afstand tussen de grens van het agrarisch bouwperceel en het bosgebied uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening nodig is. 2.13.
- In artikel 6, derde lid, onder b, is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarden vrijstelling kan verlenen van het bepaalde in artikel 6 voor het oprichten van mestopslagplaatsen buiten het bouwperceel met een hoogte van maximaal 4 meter en een bebouwd oppervlak van maximaal 75 m
- Appellante heeft in beroep gesteld dat zij om vergroting van haar bouwperceel in oostelijke richting heeft verzocht omdat zij een grotere mestopslagplaats wil oprichten dan na toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid mogelijk is. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zonder vergroting van het bouwperceel met de belangen van appellante bij het oprichten van een mestopslagplaats rekening kan worden gehouden. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" voor de gronden grenzend aan de oostzijde van het agrarisch bouwperceel van appellante wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. 2.13.
- De Afdeling acht het standpunt van verweerder dat het bepaalde in artikel 32, beschrijving in hoofdlijnen, deelgebied 5, uiterwaarden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, niet onredelijk. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat ingevolge artikel 7, eerste lid, gronden met de bestemming "Uiterwaarde" onder meer bestemd zijn voor de bescherming en het behoud van natuur- en landschapswaarden en de uitoefening van het agrarisch bedrijf. In artikel 32, de beschrijving in hoofdlijnen, die onder meer gebruikt wordt voor het toetsen van wijzigings- en vrijstellingsbevoegdheden, is vermeld dat het beleid voor de uiterwaarden gericht is op natuur- en landschapsontwikkeling en daarnaast op het laten voortbestaan van de agrarische functie. De agrarische functie van de gronden in de uiterwaarden is dan ook in het plan bestemd. De omstandigheid dat in de beschrijving in hoofdlijnen tevens is vermeld dat natuur en landschap als hoofdfuncties worden aangemerkt en landbouw als nevenfunctie, acht de Afdeling gezien de waarden in het gebied niet onredelijk. Het beroep van de [appellant sub 6] is dan ook in zoverre ongegrond. 2.
- Verweerder dient ten aanzien van appellanten sub 1, 2, 3, 5, 6, 10, 11 en 13 op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling ziet geen aanleiding voor de vergoeding van de verzochte kosten voor het opstellen van een deskundigenrapport door appellanten sub
- Ten aanzien van de appellanten sub 4, 7, 8, 9 en 14 is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van appellante sub 12 bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor zover het de ingelaste bedenkingen, en van [appellanten sub 13], voorzover het artikel 10, tweede lid, van de planvoorschriften betreft, niet-ontvankelijk, II. verklaart het beroep van a. [appellant sub 1], de gemeenteraad, de [appellant sub 6] en [appellanten sub 13], gedeeltelijk gegrond; b. [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], de Vereniging het Hazeleger Wolfheze en [appellant sub 14], geheel gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 16 oktober 2001, no. RE2001.29727, voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan: a. artikel 33, tweede lid, onder 5, tweede gedachtestip; b. artikel 8, eerste lid, onder e, en artikel 8, tweede lid, onder c; c. de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden, categorie a" voor de woningen [locaties]; d. het plandeel met de bestemming "Bos- en natuurgebied" in de categorie "bos met meervoudige doelstelling" en de zone "landelijk wonen" voor 't Hazeleger; e. het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en de aanduiding "S" voor [appellant sub 5]; en voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan: f. het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" grenzend aan de oostzijde van het agrarisch bouwvlak voor de [appellant sub 6]. IV. verklaart het beroep van de gemeenteraad, [appellanten sub 13] en de [appellant sub 6] voor het overige en het beroep van [appellant sub 12], geheel ongegrond; V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellanten sub 1, 2, 3, 5, 6, 10, 11 en 13 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 3948,72, van welk bedrag € 3703,00 is toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand (appellanten sub 1: € 805,00; appellant sub 2: € 322,00; appellant sub 3: € 122,86; appellant sub 5: € 644,00; appellante sub 6: € 322,00; appellante sub 10: € 122,86; appellanten sub 11: € 805,00; appellanten sub 13: € 805,00); deze bedragen dienen door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellanten; VI. gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten sub 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 13 en 14 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt (appellanten sub 1 € 204,20; appellanten sub 2, 3, 5, 7, 8, 9, 10, 13 en 14 ieder € 109,00; appellanten sub 4, 6 en 11, ieder: € 218,00). Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat. w.g. Kosto w.g. Verbeek Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2003 388.