200001633/1 Datum uitspraak: 5 februari 2003 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
(1997)en afgeleid van afspraken gemaakt in het kader van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra. In verband hiermee acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat behoefte bestaat aan de voorziene woonbebouwing niet onjuist. Met betrekking tot de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid is van belang dat de terrasvormige uitvoering van de bebouwing in artikel 13a, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften is voorgeschreven, zodat een meer geleidelijke overgang in zuidelijke en oostelijke richting kan worden bewerkstelligd. Eveneens dient betekenis te worden toegekend aan de in het plan opgenomen mogelijkheid ten westen van de in het geding zijnde bouwlocatie hoogbouw op te richten. Op deze gronden met de bestemming “Centrumdoeleinden I, nader uit te werken ex art. 11 WRO”, die liggen op de hoek van de Oostlaan en Emmastraat, mag de bebouwing immers ingevolge artikel 7, derde lid, onder k, van de planvoorschriften maximaal 5 bouwlagen bedragen. Dit in aanmerking genomen acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat de voorziene woonbebouwing stedenbouwkundig aanvaardbaar is, niet onredelijk. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet strijdig is met een goede ruimtelijke ordening. 2.
- Appellanten sub 2 en 3 voeren aan dat in het plan ten onrechte de mogelijkheid is opgenomen op het Hazelaarplein een supermarkt te vestigen. Volgens hen bestaat geen behoefte aan een supermarkt en zijn de betrokken gronden ongeschikt voor een dergelijk bedrijf vanwege de ligging buiten het centrum en de verwachte overlast. Ook voeren appellanten sub 2 en 3 aan dat voor de komst van de supermarkt een bestaande gymzaal moet verdwijnen. Tot slot wijzen zij op een alternatieve vestigingslocatie voor de supermarkt. 2.6.
- Verweerder heeft het plan in zoverre niet strijdig geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hij ziet geen distributieplanologische redenen om goedkeuring te onthouden. Voorts is volgens hem de verwachting dat de supermarkt leidt tot overlast, onjuist. 2.6.
- De Afdeling overweegt dat naast de in overweging 2.5.2 genoemde taakstelling voor woningbouw op binnenstedelijke locaties tevens een taakstelling geldt voor woningbouw op nieuwbouwlocaties. Deze bedraagt 33.500 woningen, zo is in het Streekplan Zuid-Holland West 1997 ook als kernpunt geformuleerd. Hoewel de exacte verdeling tussen de verschillende bouwlocaties nog niet vaststaat, wordt vooralsnog wat betreft de locaties in de voormalige gemeente Pijnacker gesproken over 3.700 woningen. In verband hiermee acht de Afdeling niet onaannemelijk dat het inwonertal van de gemeente zal stijgen en dat daarmee behoefte aan meer winkelvoorzieningen zoals een supermarkt zal ontstaan. Wat betreft de geschiktheid van de gronden voor een supermarkt ziet de Afdeling, gelet op de ligging nabij de Westlaan, geen reden voor het oordeel dat de betrokken gronden in redelijkheid niet tot het centrumgebied konden worden gerekend. Verder acht zij niet aannemelijk dat de komst van de supermarkt zal leiden tot een zodanige overlast dat verweerder reeds daarom geen goedkeuring heeft kunnen verlenen aan het betrokken onderdeel van het plan. Hierbij neemt zij in aanmerking de bevindingen van het Beleidsplan Verkeer en Milieu voorzover het geluid en luchtkwaliteit betreft, en de Rapportage Verkeersaspecten Hazelaarplein voorzover het veiligheid en parkeren betreft, waarvan de onjuistheid niet is gebleken. Aldus bestaat geen grond om aan te nemen dat de in het geding zijnde gronden niet geschikt zijn voor de bouw van een supermarkt. Aangaande het verdwijnen van de gymzaal hebben appellanten sub 2 en 3 niet aangegeven waarom verweerder aan het belang bij het voortbestaan van de gymzaal groter gewicht had moeten toekennen dan aan het belang bij de vestiging van de beoogde supermarkt zoals dat hiervoor is weergegeven. Wat betreft het bestaan van een alternatieve vestigingslocatie voor de supermarkt overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen, indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het vorenstaande in aanmerking genomen heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. Onder vorengenoemde omstandigheden ziet de Afdeling in hetgeen appellanten sub 2 en 3 hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voorzover hier aan de orde, niet strijdig is met een goede ruimtelijke ordening. 2.
- Appellanten sub 2 en 3 stellen verder dat verweerder ten onrechte de goothoogte van 9 meter voor de bebouwing op het Hazelaarplein heeft goedgekeurd. Een dergelijke hoogte detoneert volgens hen in de omgeving. 2.7.
- Verweerder heeft deze goothoogte niet in strijd met de goede ruimtelijke ordening geacht. De hoogte geldt immers slechts voor een deel van het betrokken bouwvlak. Bovendien ligt dit gedeelte langs de ontsluitingsweg. 2.7.
- De Afdeling ziet in hetgeen appellanten sub 2 en 3 hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet strijdig is met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij neemt zij in aanmerking dat het plan in de omgeving van het Hazelaarplein bebouwing met een goothoogte van 7 meter mogelijk maakt. Voorts dient betekenis te worden toegekend aan het feit dat de in het geding zijnde goothoogte geldt voor een deel van het bouwvlak dat kleiner is dan het resterende deel waarvoor een bouwhoogte van 6 meter geldt. 2.
- Appellant sub 4 meent dat verweerder ten onrechte de in het plan opgenomen mogelijkheden voor veranderingen in het centrumgebied heeft goedgekeurd. Hij voert aan niet te zijn ingelicht omtrent het tijdstip van de vergadering van de provinciale planologische commissie en de aldaar besproken stukken. Voorts vreest hij dat de toegestane veranderingen zullen leiden tot een verkeerstoename en daarmee tot overlast. 2.8.
- Verweerder heeft het plan op dit punt, gezien de gemeentelijke verkeersstudies, niet strijdig geacht met een goede ruimtelijke ordening. 2.8.
- De Afdeling overweegt dat noch in de Wet op de Ruimtelijke Ordening noch in enig ander wettelijk voorschrift een bepaling valt aan te wijzen op grond waarvan verweerder verplicht is de indieners van bedenkingen in te lichten omtrent het tijdstip van de vergadering van de provinciale planologische commissie en de daar te bespreken stukken. Aldus kan hetgeen appellant sub 4 op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding zijn voor vernietiging van het bestreden besluit. 2.8.
- Verder is van belang dat het plan voorziet in een ontsluiting van het centrumgebied zoals nader aangegeven in de plantoelichting. De Afdeling acht niet aannemelijk dat deze ontsluitingswijze een eventuele toename van het verkeer vanwege de herinrichting van het gebied niet zou kunnen verwerken. Hierbij neemt zij in aanmerking de berekeningen die zijn uitgevoerd in het kader van het Beleidsplan Verkeer en Milieu, het Verkeersstructuurplan Dorp en de Rapportage Verkeersaspecten Hazelaarplein. Voorts dient naar het oordeel van de Afdeling betekenis te worden toegekend aan de mogelijkheid voor de gemeente Pijnacker-Nootdorp om maatregelen te treffen op grond van de wegenverkeerswetgeving. Voorts blijkt uit de plantoelichting dat de parkeerbehoefte in het plangebied ongeveer 868 parkeerplaatsen zal bedragen. In hetgeen appellant sub 4 heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit aantal onjuist is. Aangezien vele van de in het plan opgenomen bestemmingen de aanleg van parkeervoorzieningen mogelijk maken, bestaat evenmin reden om aan te nemen dat niet aan de vraag naar parkeerplaatsen in evengenoemde omvang zal kunnen worden voldaan en dat aldus door de in het plan voorziene herstructurering van het centrum een tekort aan parkeergelegenheid zal ontstaan. Gelet op het vorenstaande is niet aannemelijk dat de veranderingen in het centrumgebied zullen leiden tot een zodanige verkeersoverlast dat verweerder hieraan in redelijkheid overwegende betekenis had moeten toekennen. Aldus heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet strijdig is met een goede ruimtelijke ordening. 2.
- In hetgeen appellanten sub 1, 2, 3 en 4 hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. 2.
- De beroepen zijn ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellant sub 2b] niet-ontvankelijk; II. verklaart de beroepen van de overige appellanten ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Snijders Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003 279