(1984)strijdige gebruik van de visvijvers op vorengenoemd perceel te beëindigen. Tegen beide besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 april 2001 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 10 april 2001 deels gegrond, deels ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 augustus 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover dat is gericht tegen de last onder dwangsom, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 10 april 2001 gegrond verklaard, dat besluit herroepen, bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit, en voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 oktober
- Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 14 november 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend. Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is [vergunninghouder] te [plaats] in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hij heeft te kennen gegeven van deze gelegenheid gebruik te willen maken. Bij brief van 26 november 2002 heeft [vergunninghouder] een memorie ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2003, waar appellant in persoon, het college, vertegenwoordigd door G.H.H. Slaats, ambtenaar der gemeente, en [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen.
- Overwegingen 2.
- Het hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van het college van 30 oktober 2001, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 9 april 2001, waarbij appellant onder aanzegging van bestuursdwang is aangeschreven tot verwijdering van de blokhut en de parkeerverharding, ongegrond is verklaard. 2.
- De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat appellant in strijd heeft gehandeld met de voorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied”