(1992)behorende plankaart 2 is af te leiden dat het plangebied wordt gerekend tot de “agrarische hoofdstructuur”. De gronden zijn daarnaast aangemerkt als “agrarisch ontwikkelingsgebied voor vollegrondsgroenteteelt”. Ten oosten van het plangebied liggen de Rucphense bossen. Deze bossen behoren blijkens het streekplan tot de groene hoofdstructuur. Voorafgaand aan de vaststelling van het plan is een veldonderzoek verricht in het gebied Laagveld. Het betreft het onderzoek “Inventarisatie natuurwaarden Laagveld” (G. Lubbers, nota 135, 2001). Uit dit onderzoek blijkt dat de natuurwaarden wat betreft de flora geconcentreerd zijn langs de perceelsranden en waterlopen. In het plangebied bevinden zich voorts verschillende soorten kikkers. Verder is uit dit onderzoek gebleken dat in het plangebied onder meer patrijzen en roodborsttapuiten voorkomen. Deze twee soorten worden vermeld op de door de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij vastgestelde zogenoemde Rode Lijst van 27 januari 1994 (Stcr. 20), nr. J.941773, een nationale lijst van met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende soorten als bedoeld in bijlage V van de Vogelrichtlijn (79/409/EEG). 2.3.4.
- De Afdeling overweegt als volgt. Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat het plan een zekere aantasting van de natuurwaarden tot gevolg zal hebben, doch hij acht deze aantasting niet zodanig dat een groter gewicht moet worden toegekend aan het belang dat is gediend bij de realisering van deze woningbouwlocatie dan aan het belang van de bescherming van de natuurwaarden. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. In dit verband is van belang dat niet is gebleken dat het onderzoek “Inventarisatie natuurwaarden Laagveld” zodanige gebreken vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van hun besluit niet had mogen baseren. Voorts merkt de Afdeling in dit verband op dat het feit dat de patrijs en roodborsttapuit worden vermeld op de Rode Lijst niet leidt tot een andersluidend oordeel. Daarbij is mede van betekenis dat het voorkomen van een soort op de Rode Lijst niet betekent dat speciale beschermende bepalingen van kracht zijn. De Afdeling heeft bij haar oordeel verder in aanmerking genomen dat de afstand tussen het plangebied en de Rucphense bossen zodanig is dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen invloed zal hebben op deze bossen. De Afdeling volgt verder het standpunt van verweerder dat geen verplichting bestaat het verlies aan deze waarden te compenseren. Daarbij neemt zij in aanmerking dat het plangebied niet ligt in de groene hoofdstructuur en niet een hoofdfunctie bos of natuur heeft. 2.3.
- Ten aanzien van het betoog van appellanten sub 1 dat op grond van de Natuurbeschermingswet en/of artikel 75 van de Flora- en faunawet ontheffing moet worden verleend, overweegt de Afdeling dat verweerder het plan niet heeft kunnen goedkeuren indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat op grond van deze wetten geen ontheffing zou kunnen worden verleend. Verweerder heeft zich deze vraag in het kader van de uitvoerbaarheid van het plan gesteld. Hij stelt dat in het gehele gebied Laagveld voldoende leefomgeving resteert en dat niet is te verwachten dat de benodigde ontheffingen niet zullen worden verleend. De Afdeling ziet geen reden om hierover anders te oordelen. 2.3.
- Blijkens de stukken is mede gelet op de lage ligging en het natte karakter van het plangebied een waterhuishoudingsplan opgesteld ten einde de effecten van het plan op de waterhuishouding te minimaliseren. Uit dit plan volgt dat de grondwaterstand zo min mogelijk zal worden verlaagd en dat maatregelen worden getroffen regenwater van afvalwater te scheiden en regenwater vast te houden. De Afdeling stelt vast dat er veranderingen zullen optreden wat betreft de waterhuishouding. Gelet op het feit dat de maatregelen getroffen in het kader van het waterhuishoudingsplan tot gevolg hebben dat de effecten op de waterhuishouding geminimaliseerd worden, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het effect van het plan op de waterhuishouding in het gebied beperkt is. In dit verband merkt de Afdeling op dat appellanten sub 2 niet aannemelijk hebben gemaakt dat het plan leidt tot een aanmerkelijk hogere waterstand op hun gronden. 2.3.
- Ten aanzien van het betoog van appellanten dat één bestemmingsplan voor het gebied Laagveld had moeten worden vastgesteld overweegt de Afdeling dat gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. De Afdeling is gelet op de stukken van oordeel dat in dit geval verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd. In dit verband overweegt de Afdeling dat niet gebleken is van een zodanige samenhang met het overige deel van het gebied Laagveld dat dit plan niet afzonderlijk kon worden vastgesteld. 2.3.
- Op de plankaart is met de aanduiding “hindercirkel agrarisch bedrijf” de hindercirkel van het ten zuiden van het plangebied gelegen bedrijf van appellanten sub 2 aangegeven. Niet in geding is dat de straal van de hindercirkel van het pluimveebedrijf van appellanten 265 meter is, en dat in principe vanaf de rand van het bouwblok van appellanten moet worden gemeten. De afstand tussen het bouwblok van het bedrijf, zoals aangegeven op de plankaart behorende bij het bij besluit van de gemeenteraad van 20 december 2001 vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied Laagveld”, en de hindercirkel is minder dan 265 meter, doch hierbij is rekening gehouden met een vrij te houden strook langs de weg waaraan het bedrijf ligt, de Langeveldsestraat. De afstand van de hindercirkel tot de as van de Langeveldsestraat bedraagt 250 meter. Uit artikel 14.1 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied Laagveld” volgt dat voor bebouwing van de langs lokale wegverbindingen gelegen gronden een afstand van 15 meter uit de as van de rijbaan in acht moet worden genomen. Uit artikel 14.2 van de planvoorschriften volgt evenwel dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen teneinde af te kunnen wijken van de in artikel 14.1 voorgeschreven afstand, mits sprake blijft van voldoende verkeersveiligheid. Ter zitting heeft de gemeenteraad zich op het standpunt gesteld dat gezien de feitelijke situatie ter plekke vrijstelling als bedoeld in artikel 14.2 van de planvoorschriften niet zal worden verleend. Het bedrijf heeft aldus tot op een afstand van 265 meter van de op de plankaart aangegeven hindercirkel de mogelijkheid te bouwen. Gelet op het vorenstaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat de stankcirkel van het bedrijf van appellanten onjuist op de plankaart is aangegeven. 2.3.
- Blijkens de plankaart is aan de gronden binnen de hindercirkel de bestemming “Woondoeleinden” toegekend. Uit artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften volgt dat deze gronden zijn bestemd voor woondoeleinden, verkeersdoeleinden, groenvoorzieningen, infiltratievoorzieningen en voorzieningen van openbaar nut. Uit artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften volgt dat burgemeester en wethouders overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening deze bestemming uitwerken met inachtneming van de uitwerkingsregels. In deze uitwerkingsregels is niet opgenomen dat het niet mogelijk is te bouwen binnen de hindercirkel van het bedrijf van appellanten. Uit deze regels volgt verder dat tot het tijdstip waarop het uitgewerkte plan rechtskracht heeft verkregen niet mag worden gebouwd, tenzij het bouwplan in overeenstemming is met het voor het plangebied vast te stellen uitgewerkte plan dat ter inzage is gelegd en mits van verweerder een verklaring van geen bezwaar is ontvangen. Gelet op het voorgaande is het niet mogelijk op basis van dit plan in het plangebied te bouwen. Aangezien de bestemming “Woondoeleinden” de verwezenlijking van diverse doeleinden en voorzieningen mogelijk maakt, bestaat voorts de mogelijkheid de gronden met deze bestemming zodanig in te richten dat er geen stankgevoelige bebouwing binnen de hindercirkel van het bedrijf van appellanten kan worden opgericht. De Afdeling ziet dan ook geen grond om te oordelen dat het plan op dit punt in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Overigens is ter zitting van de zijde van de gemeenteraad toegezegd dat het uitwerkingsplan geen bouwmogelijkheden binnen de cirkel mogelijk zal maken. Voorts stelt de Afdeling vast dat het bedrijf ten zuiden van de huidige bedrijfsbebouwing ruimte heeft uit te breiden. Niet is aannemelijk gemaakt dat door toekomstige dierenwelzijnsregelgeving de hinder veroorzaakt door het bedrijf, met name in de vorm van geluidsoverlast, zal toenemen. Voor een beperking van de bedrijfsvoering van appellanten ten gevolge van het plan behoeft gelet op het vorenstaande niet te worden gevreesd. 2.3.
- Ten aanzien van de door appellanten naar voren gebrachte alternatieve locaties voor de bouw van woningen, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. 2.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. De beroepen van appellanten zijn derhalve ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra w.g. Troost Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003 234-316.