(1992)aangewezen als onderdeel van het ecologisch kerngebied dat het overgrote deel van het buitengebied Arnhem-Noord omvat. Hier zouden volgens de plantoelichting natuurlijke ontwikkelingen ongestoord moeten kunnen plaatsvinden en dat is slechts verenigbaar met een minimum aan menselijke activiteiten. Hoewel de aanwezige landschapsstructuur in principe gehandhaafd blijft, vormen de sportvelden volgens de plantoelichting wel een ernstige barrière in het ecologisch kerngebied. In het woongebied ligt het accent van het groenbeleid op ecologie, gebruik en beeld. De bebouwing wordt als een knelpunt gezien voor de ontwikkeling van het groen. In de Groenvisie is een gewenste ontwikkelingsrichting aangegeven, die binnen het plangebied, voor onder andere de ecologische structuur en de landschapstypologie, een afname van menselijke activiteit beoogt. Voorts staat in de plantoelichting het volgende. Het woongebied van Schaarsbergen vormt een vreemd element in de stedelijke uitleg van Arnhem. Het zuidelijk deel is ontstaan nadat aan het eind van de 19e eeuw grote delen van het landgoed Menthenberg werden afgestoten en bebouwd. Met name langs de Bakenbergseweg en de Kemperbergerweg ontstond sporadische bebouwing in een waardevol landschap. De ruime kavels en het vele particuliere groen dragen nog extra bij aan de ruimtelijke en visuele kwaliteit. Om deze redenen dient ook in de woonwijk zelf behoedzaam omgegaan te worden met de verhouding tussen bebouwd en onbebouwd en is het niet zo dat her en der gedeelten van grote tuinen voor bebouwing in aanmerking komen. Met name ook aan de Bakenbergseweg dient de bebouwing “diffuus” te blijven en – naar het noorden toe – royaal met groen omringd te zijn als overgang naar de visueel waardevolle open ruimten van Hoog Erf en het daarachter gelegen bos. Dit betekent dat de mogelijkheden tot uitbreiding van de bebouwing in de woongebieden met landschappelijke waarden slechts beperkt aanwezig zijn. De toepassing van woongebieden met landschappelijke waarden in dit plan is er volgens de plantoelichting dan ook op gericht om verdergaande verstedelijking binnen het plangebied tegen te gaan en de landschappelijke waarden een volwaardige functie te geven. De Afdeling acht bovengenoemd gemeentelijk beleid niet onredelijk. 2.6.3.
- De Afdeling is van oordeel dat verweerder het planonderdeel terecht in overeenstemming met het gemeentelijk beleid heeft geacht. Niet gebleken is voorts van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder aanleiding had moeten zien van dit beleid af te wijken. De omstandigheid dat, zoals appellant stelt, de door hem gewenste seniorenwoning onmogelijk tegen zijn huidige woonhuis kan worden aangebouwd, heeft verweerder niet als een zodanig omstandigheid behoeven zien. Hetzelfde geldt voor de door appellant aangevoerde omstandigheid dat gronden in andere delen van het plangebied de bestemming “Woondoeleinden” zonder de toevoeging “met behoud van landschappelijke waarden” hebben gekregen. Deze bestemming rust immers enkel op bepaalde gronden ten noorden van de sportvelden, terwijl bovengenoemd gemeentelijk beleid vooral betrekking heeft op het zuidelijk deel van het plangebied. De omstandigheid dat volgens appellant de door hem gewenste seniorenwoning onzichtbaar in de groene omgeving kan worden ingepast, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit planonderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 2.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellant genoemde planonderdelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht in zoverre goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Recreatieve doeleinden met landschappelijke waarden – sport” ten zuiden van het perceel van appellant, voor zover voetballen daar mogelijk is; II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. R. Cleton en drs. G.A. Posthumus, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Z.N. Kammeraat, ambtenaar van Staat. w.g. Bartel w.g. Kammeraat Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2003 295.