(1992)zoals nader uitgewerkt in de nota “Op Maat” en de beleidsbrief “Bedrijventerreinenbeleid in groeiklasse 1-, 2- en 3-kernen” van 6 juli
- Verweerder zal blijkens dit overgangsbeleid het beleid neergelegd in de nota “Op Maat” toepassen in de geest van het nieuwe streekplan. In het voorgaande streekplan werd Mill aangeduid als een kern in groeiklasse
- Op grond van de genoemde beleidsnota is bij kernen in de groeiklasse 1, 2 en 3 bij een uitbreiding van meer dan 10-15% van de huidige bedrijfsomvang een nadere afweging van de bedrijfsbelangen met de planologische belangen in een bestemmingsplan noodzakelijk. Dit beleid acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk. Het onderhavige plan voorziet in een directe uitbreidingsmogelijkheid van meer dan 10-15% van de bestaande bedrijfsomvang zonder dat daarbij een nadere afweging is vereist. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder deze uitbreidingsmogelijkheid terecht in strijd met het provinciale beleid geacht. Ter zitting is van de zijde van verweerder bevestigd dat het bedrijf van appellante ter plaatse wel met 10-15% zou mogen uitbreiden. Het beroep van appellante geeft, naar het oordeel van de Afdeling, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. 2.4.
- Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft daarom in zoverre terecht goedkeuring onthouden aan het plan. Het beroep van [appelante sub 2] is in zoverre ongegrond. 2.
- Appellante stelt voorts dat verweerder ten onrechte het plan heeft goedgekeurd, voorzover het plan niet voorziet in een hogere goot-, en bouwhoogte, alsmede een hoger bebouwingspercentage. 2.5.
- De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat grotere dan de in het plan toegestane hoogten niet passen bij het landelijke karakter van Mill. De gemeenteraad is van mening dat een bebouwingspercentage van 70% reeds hoog is voor een bedrijventerrein in een niet-stedelijk gebied. 2.5.
- Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft daarbij overwogen dat onvoldoende is gebleken dat de in het plan opgenomen hoogten ontoereikend zijn. Bij het bepalen van het bebouwingspercentage is, volgens verweerder, onder meer rekening gehouden met de veiligheidsaspecten en met het parkeren op eigen terrein. Verweerder heeft derhalve ingestemd met een bebouwingspercentage van 70%. 2.5.
- Gelet op de nota “Op Maat” dient de uitbreiding van bedrijven in het landelijk gebied zorgvuldig te gebeuren. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aard, schaal en omvang van een bedrijfsvestiging dient te passen bij de aard, schaal en omvang van de kern. Gelet op het landelijke karakter van Mill heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toestaan van grotere hoogten dan die in het plan zijn opgenomen planologisch niet wenselijk is. Tevens heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat een hoger bebouwingspercentage dan 70% evenmin wenselijk is. Daarbij merkt de Afdeling op dat blijkens de stukken voor nieuwe bedrijfspercelen binnen hetzelfde exploitatiegebied slechts een bebouwingspercentage van 60% geldt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder dan ook in redelijkheid kunnen instemmen met het standpunt van de gemeenteraad dat voor een goede planologische inpassing van een bedrijventerrein in landelijk gebied een relatief beperkte hoogte en dichtheid van de bebouwing is vereist. Overigens heeft appellante ter zitting verklaard dat bij een uitbreiding van het bedrijfsterrein met 10-15% een grotere bouwhoogte voorlopig niet nodig zal zijn. 2.5.
- Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is in zoverre ongegrond. 2.
- Ten aanzien van [appelant sub 1] dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Met betrekking tot [appelante sub 2] bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van appellant sub 1 gegrond; II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 11 juni 2002, no. 801032, voorzover verweerder goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming “Woondoeleinden –W3-“ en “Dorpslandschap”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart; III. verklaart het beroep van appellante sub 2 ongegrond; IV. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 693,37, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellant; V. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellant sub 1 het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat. w.g. Lauwaars w.g. De Rooy Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003 234-425.