200200164/1. Datum uitspraak: 11 juni 2003 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats], 2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], 3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats], 4. de gemeenteraad van Apeldoorn, 5. [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats], 6. [appellanten sub 6], wonend te [woonplaats], 7. [appellant sub 7a] en de dorpsraad Oosterhuizen, wonend respectievelijk gevestigd te [plaats] , 8. de Gewestelijke Land- en Tuinbouw Organisatie, gevestigd te Deventer, 9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats], 10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats], 11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats], 12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats], 13. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats], 14. [appellant sub 14], wonend te [woonplaats], 15. de vereniging "Vereniging Natuurmonumenten", gevestigd te 's-Graveland, e.a., 16. [appellanten sub 16], wonend te [woonplaats], 17. [appellanten sub 17], wonend te [woonplaats], 18. [appellante sub 18], wonend te [woonplaats], 19. de vereniging "Bewonersvereniging Immenberg", gevestigd te Beekbergen, 20. de besloten vennootschap "Exploitatiemaatschappij Landgoed De Valouwe B.V.", gevestigd te Apeldoorn, e.a., 21. [appellante sub 21], gevestigd te [plaats], 22. [appellante sub 22], wonend te [woonplaats], 23. [appellanten sub 23], wonend te [woonplaats], 24. [appellanten sub 24], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 26 april 2001 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn vastgesteld het bestemmingsplan "Stuwwalrand Parkzone Zuid". Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 december 2001, nr. RE2001.45177, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. Bij brief van 1 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft twee deskundigenberichten uitgebracht, gedateerd 30 september en 12 december 2002 (hierna: deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 en 20 maart 2003, waar appellanten zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. [appellanten sub 6], [appellante sub 22], [appellanten sub 7], [appellant sub 9] en [appellanten sub 5] zijn echter niet verschenen. Verweerder en de gemeenteraad hebben zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn als partij [gemachtigde] (camping Pallieter), [gemachtigde] (camping Groot Panorama) en [gemachtigde] (camping De Hertenhorst) gehoord. 2. Overwegingen Overgangsrecht 2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447). Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht. Ontvankelijkheid 2.2. In artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat het instellen van beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef, van de Awb wordt een beroepschrift ondertekend. Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, aanhef, van de Awb kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Indien een beroep is ingesteld bij de Afdeling kan zij krachtens artikel 8:24, tweede lid, van de gemachtigde, niet zijnde een advocaat of procureur, een schriftelijke machtiging verlangen. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Appellanten [appellanten sub 6] hebben in hun beroepschrift verklaard dat beroep mede wordt ingesteld namens [partij a] en [partij b]. Daarbij hebben zij geen machtiging of andere stukken overgelegd waaruit de gestelde vertegenwoordiging blijkt. Appellanten zijn bij aangetekende brief van 28 februari 2002 verzocht de gestelde vertegenwoordiging aan te tonen. Zij zijn tot en met 28 maart 2002 hiertoe in de gelegenheid gesteld. Hierbij is vermeld dat, indien dat niet binnen de gestelde termijn gebeurt, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep, voorzover ingesteld namens [partij a] en [partij b], niet-ontvankelijk wordt verklaard. Appellanten hebben de gestelde vertegenwoordiging niet binnen de aldus gestelde termijn aangetoond. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellanten in verzuim zijn geweest. Het beroep van [appellanten sub 6], voorzover ingesteld namens [partij a] en [partij b], is niet-ontvankelijk. 2.3. [appellanten sub 6] hebben hun beroep voorts mede ingediend namens [partij c], [partij d] en [partij e]. [partij c], [partij d] en [partij e] hebben geen zienswijzen tegen het ontwerp-plan ingebracht bij de gemeenteraad, noch bedenkingen tegen het vastgestelde plan ingebracht bij verweerder. In het stelsel, neergelegd in artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met artikel 23, tweede lid, en artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, door degene die tijdig tegen het ontwerp-plan een zienswijze bij de gemeenteraad en tegen het vastgestelde plan bedenkingen bij het college van gedeputeerde staten heeft ingebracht. Dit is slechts anders, voorzover hier van belang, indien het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze en bedenkingen in te brengen. Deze uitzonderingen doen zich hier niet voor. Het beroep van [partij c], [partij d] en [partij e] is dan ook niet-ontvankelijk. 2.4. De door [appellanten sub 3] ingediende beroepsgronden, gericht tegen het verlenen van goedkeuring aan plandelen met de bestemming "Verblijfsrecreatie" en gericht tegen het verlenen van goedkeuring aan mogelijke toekomstige uitbreidingen van verblijfsrecreatieterreinen met uitzondering van de mogelijke toekomstige uitbreiding van Vakantiecentrum De Hertenhorst, voorzover gelegen onder het tracé van de hoogspanningsleiding van 150 kV, steunen niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Ook de door [appellanten sub 23] ingediende beroepsgronden gericht tegen het verlenen van goedkeuring aan de voorschriften met betrekking tot verblijfsrecreatie voorzover deze algemene en bijzondere uitbreidingsregels bevatten, steunen niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. In het stelsel, neergeteld in artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, tweede lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Deze uitzonderingen doen zich hier niet voor. De beroepen van [appellanten sub 3] en [appellanten sub 23] zijn in zoverre dan ook niet-ontvankelijk. Toetsingskader 2.5. Aan de orde is een aantal geschillen inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast. Planbeschrijving 2.6. Het plan heeft betrekking op de gronden ten zuidwesten van de gemeente Apeldoorn. Het plangebied wordt in het oosten begrensd door het talud van het Apeldoorns Kanaal, in het noorden door rijksweg A 1 en in het westen door de Arnhemseweg, de Berg en Dalweg, de Noordweg en de Oude Barneveldseweg. In het zuiden grenst het plangebied aan het grondgebied van de gemeenten Arnhem, Rozendaal en Brummen. Binnen het plangebied liggen delen van het Centraal Veluws Natuurgebied (hierna: het CVN) en een stuwwalrand. Het plan beoogt het behoud en de ontwikkeling van natuur en landschapswaarden en de duurzame verweving van ruimtelijke functies. Verweerder heeft het plan gedeeltelijk goedgekeurd. Formele bezwaren 2.7. De Vereniging Natuurmonumenten e.a. hebben als formeel bezwaar aangevoerd dat verweerder hun bedenking dat ten onrechte geen milieueffectbeoordeling (hierna: de m.e.r.-beoordelingsprocedure) heeft plaatsgevonden gezien de in het plan voorziene uitbreiding van recreatiebedrijven, buiten beschouwing heeft gelaten. 2.7.1. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen deze bedenking buiten beschouwing te laten daar appellanten dit bezwaar niet als zienswijze kenbaar hebben gemaakt. De Afdeling overweegt dat verweerder bij het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan, naar aanleiding van een bedenking van de Stichting Hoenderloo Leefbaar, voldoende is ingegaan op de vraag of in dit geval de m.e.r.-beoordelingsprocedure gevolgd had dienen te worden. Het feit dat verweerder bij het bestreden besluit de hier bedoelde bedenking van appellanten buiten beschouwing heeft gelaten, geeft geen aanleiding te oordelen dat in dit verband aan de goedkeuring van het bestemmingsplan op dit punt gebreken kleven. Het bezwaar treft geen doel. 2.8. De Vereniging Natuurmonumenten e.a. hebben voorts bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop verweerder de ingediende bedenkingen ten aanzien van de in het plan voorziene uitbreidingen van vijf recreatieterreinen heeft behandeld. 2.8.1. De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat verweerder de bezwaren samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een bedenking afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten door verweerder niet in de besluitvorming is betrokken. Het bezwaar treft geen doel. 2.9. Landgoed De Valouwe B.V. e.a. hebben aangevoerd dat in strijd met artikel 10:30, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de motivering van het bestreden besluit niet duidelijk is verwezen naar hetgeen in het overleg, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, naar voren is gebracht. 2.9.1. De Afdeling stelt vast dat verweerder met toepassing van artikel 10:30 de gemeenteraad van Apeldoorn de gelegenheid tot overleg heeft geboden. Namens de gemeenteraad is ambtelijk gereageerd op een concept van het besluit van verweerder. Die reactie betrof in hoofdzaak de planvoorschriften. Die reactie en een daaropvolgend bestuurlijk overleg hebben er toe geleid dat verweerder van enkele voorgenomen onthoudingen van goedkeuring heeft afgezien. In het bestreden besluit wordt weliswaar niet uitdrukkelijk verwezen naar het hetgeen in het overleg aan de orde is gesteld, echter de Afdeling ziet hierin, gelet op artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, geen aanleiding om het bestreden besluit niet in stand te laten. Hiertoe wordt in aanmerking genomen dat dit besluit voldoende duidelijk doet uitkomen om welke redenen verweerder niet kan instemmen met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid verblijfsrecreatie fase 1 en 2" op de plankaart ter plaatse van de recreatieterreinen Bospark Beekbergen en De Valouwe, waarop de bezwaren van appellanten met name betrekking hebben. Niet is aannemelijk geworden dat belanghebbenden door het niet in acht nemen van dit voorschrift zijn benadeeld. Het bezwaar treft geen doel. 2.10. [appellanten sub 24] heeft aangevoerd dat het plan niet binnen 4 maanden is vastgesteld. 2.10.1. De Afdeling overweegt dat weliswaar de in artikel 25 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestelde termijn is overschreden, doch uit deze wettelijke bepaling noch uit enig andere bepaling kan worden afgeleid dat de gemeenteraad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder in de termijnoverschrijding aanleiding had moeten zien om goedkeuring aan het plan te onthouden. Het bezwaar treft geen doel. De beroepen met betrekking tot verblijfsrecreatie 2.11. De beroepen van [appellanten sub 3], de Vereniging Natuurmonumenten e.a., [appellanten sub 16], de Bewonersvereniging Immenberg, Landgoed De Valouwe B.V. e.a., [appellanten sub 23] en [appellanten sub 24] zijn geheel of ten dele gericht tegen het bestreden besluit voorzover dat betrekking heeft op de mogelijkheden die het plan biedt voor de (uitbreiding van) verblijfsrecreatie. De beroepsgronden van meer algemene strekking zullen eerst worden behandeld waarna ingegaan zal worden op de overige beroepsonderdelen. Milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) 2.12. De Vereniging Natuurmonumenten e.a. en de Bewonersvereniging Immenberg hebben in beroep gesteld dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan een milieueffectrapport (hierna: MER) diende te worden gemaakt, dan wel een m.e.r.-beoordelingsprocedure diende te worden gevolgd, nu het plan voorziet in omvangrijke recreatieve uitbreidingen. Zij voeren daartoe aan dat een m.e.r.-plicht voortvloeit uit het Besluit milieueffectrapportage 1994 zoals gewijzigd op 7 mei 1999 en in werking getreden op 6 juli 1999 (hierna: Besluit m.e.r.). Appellanten stellen verder dat mede gezien Europese regelgeving en rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ten onrechte geen m.e.r.- beoordelingsprocedure is gevolgd. Hierbij en ook wat betreft de m.e.r.-plicht dient, volgens appellanten, gekeken te worden naar de cumulatieve effecten van de vijf uitbreidingslocaties in de speciale beschermingszone Veluwe (hierna: SBZ), naar de effecten van deze uitbreidingen samen met soortgelijke uitbreidingen die andere plannen van de gemeenteraad van Apeldoorn mogelijk maken en tenslotte naar de cumulatie van effecten van alle op handen zijnde soortgelijke uitbreidingen binnen de SBZ/het CVN. 2.12.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan geen MER gemaakt behoefde te worden, dan wel een m.e.r.-beoordelingsprocedure gevolgd diende te worden. Hij heeft daartoe wat betreft de m.e.r.-beoordelingsprocedure overwogen dat, los van de vraag of de vijf beoogde uitbreidingen als één gezamenlijke activiteit dienen te worden beschouwd in de zin van het Besluit m.e.r., de drempelwaarde genoemd onder 10.1 in onderdeel D van dat besluit niet wordt overschreden. 2.12.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Daarbij worden een of meer besluiten van bestuursorganen ter zake van die activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan een MER moet worden gemaakt. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit m.e.r. worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven. In onderdeel C van de bijlage is in categorie 10.1, voorzover hier van belang, bepaald dat een MER moet worden gemaakt in het kader van een ruimtelijk plan dat als eerste voorziet in de mogelijke aanleg van een recreatieve of toeristische voorziening met een oppervlakte van 20 hectare of meer in een gevoelig gebied. 2.12.3. Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, ten aanzien waarvan het bevoegd gezag krachtens artikel 7.8b en 7.8d moet bepalen of voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt ondernomen, een MER moet worden gemaakt. Daarbij worden één of meer besluiten van bestuursorganen ter zake van die activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan, indien het bevoegd gezag daartoe besluit, het in de eerste volzin bedoelde MER moet worden gemaakt. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r. worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven. In onderdeel D van de bijlage is in categorie 10.1, voorzover hier van belang, bepaald dat de m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden gevolgd in het kader van het ruimtelijk plan dat als eerste voorziet in de mogelijke aanleg, wijziging of uitbreiding van een recreatieve of toeristische voorziening met een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. 2.12.4. Niet in geding is dat de gronden onderdeel zijn van een gevoelig gebied als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Vast staat dat het plan een gefaseerde uitbreiding van de recreatieve bedrijven van in totaal ongeveer 9 hectare mogelijk maakt. Wat betreft de stelling van appellanten dat bij de vraag of de m.e.r.-beoordelingsprocedure gevolgd had moeten worden dan wel een MER gemaakt had moeten worden, tevens rekening moet worden gehouden met eventuele cumulatie van recreatieprojecten in het plangebied en in de omgeving van het plangebied, overweegt de Afdeling allereerst dat wat betreft de in dit plan voorziene totale uitbreiding van de recreatieve bedrijven de drempelwaarde van 10 hectare respectievelijk 20 hectare niet wordt overschreden. Voorts ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in dit geval rekening had dienen te worden gehouden met mogelijke uitbreidingen van recreatieve voorzieningen op gronden die buiten het plangebied liggen maar binnen het grondgebied van de gemeente Apeldoorn of met mogelijke uitbreidingen daarbuiten binnen de SBZ. Appellanten hebben in dit verband met name gewezen op het (ontwerp)bestemmingsplan voor het gebied rond Hoenderloo dat tevens in de SBZ en het CVN ligt. Ter zitting is gebleken dat de in dat plan voorziene uitbreidingen van verblijfsrecreatieve terreinen ongeveer 18 hectare bedragen en dat een m.e.r.-beoordelingsprocedure in het kader van dat plan heeft plaatsgevonden. Voorts is niet gebleken van zodanige planologische samenhang tussen de door appellanten bedoelde uitbreidingen en de in dit plan voorziene uitbreidingen dat verweerder de door appellanten bedoelde uitbreidingen had moeten betrekken bij de beoordeling van de vraag of het onderhavige plan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is. In dit verband is van belang dat ter zitting is komen vast te staan dat de kortste afstand tussen een beoogde uitbreiding in het plangebied en een voorziene uitbreiding daarbuiten ongeveer 400 meter is. Verder is van belang dat de uitbreidingen die in het plan zijn voorzien met name samenhangen met extensivering van het gebruik van de terreinen en met kwaliteitsverbetering. Mede gezien de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in dit geval recreatieprojecten planologisch zijn gesplitst teneinde de m.e.r.-(beoordelings)plicht te ontlopen. Uit het voorgaande volgt dat, anders dan appellanten stellen, het plan op dit punt niet in strijd is met Europese regelgeving betreffende de m.e.r. of anderszins in strijd is met het recht. Verweerder is terecht ervan uitgegaan dat een milieueffectbeoordeling bij de vaststelling van het plan niet noodzakelijk was. Ook is het standpunt van verweerder dat van een m.e.r.-plicht ten aanzien van de uitbreidingen geen sprake is, juist. Deze bezwaren treffen geen doel. De Habitat- en Vogelrichtlijn en de uitbreiding van de verblijfsrecreatie 2.13. De Vereniging Natuurmonumenten e.a. en de Bewonersvereniging Immenberg stellen dat het plan in strijd is met de Habitatrichtlijn (richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992) en de Vogelrichtlijn (richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979), in het bijzonder met artikel 6, tweede, derde en vierde lid van de Habitatrichtlijn, gezien (de uitbreiding van) het recreatieve gebruik van gronden. [appellanten sub 3] en [appellanten sub 23] stellen dat het plan in strijd is met voornoemde richtlijnen voorzover daarmee de uitbreidingen van camping De Hertenhorst, respectievelijk camping Pallieter mogelijk worden gemaakt. De Vereniging Natuurmonumenten e.a. betogen voorts dat de in het plan voorziene recreatieve uitbreidingen, in het bijzonder in combinatie met bestaand gebruik en andere uitbreidingen die worden gerealiseerd in de SBZ, zullen leiden tot aantasting van waarden die worden beschermd door artikel 4, 5 en 6 van het Verdrag van Bern van 19 september 1979, inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke leefmilieu (hierna: het Verdrag). Appellanten betogen dat het niet is uitgesloten dat verschillende planten- en diersoorten wel in de bijlagen van het Verdrag zijn opgenomen maar niet in een bijlage bij de Habitatrichtlijn. Naar de mening van appellanten is verweerder hieraan ten onrechte voorbijgegaan. Verschillende appellanten hebben verder gesteld dat verweerder ten onrechte de wijzigingsbevoegdheden opgenomen in artikel 4.6 en 4.7 van de planvoorschriften heeft goedgekeurd omdat een wijzigingsbevoegdheid een te licht instrument is voor de ingrijpende wijzigingen die deze artikelen mogelijk maken. Voorts zijn voornoemde bepalingen volgens hen in strijd met de rechtszekerheid. 2.13.1. De gemeenteraad heeft aan de gronden waarop 34 verblijfsrecreatieve bedrijven liggen, de bestemming "Verblijfsrecreatie" toegekend. Uitbreiding van de verblijfsrecreatieterreinen is alleen mogelijk op grond van de in de artikelen 4.6 en 4.7 van de voorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheden voor plandelen met de bestemming "Bos en natuurgebied" in samenhang met de op de plankaart aangegeven aanduidingen "wijzigingsbevoegdheid verblijfsrecreatie fase 1" en "wijzigingsbevoegdheid verblijfsrecreatie fase 2". Deze aanduidingen zijn toegekend aan de terreinen van vijf recreatiebedrijven die in het plangebied liggen. De gemeenteraad heeft naar aanleiding van de zienswijzen van appellanten onderzocht in hoeverre de uitbreiding van de verblijfsrecreatie significante gevolgen kan hebben voor de ingevolge het Verdrag te beschermen soorten. Ontheffing op grond van het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet is niet nodig, nu geen sprake is van inrichtingswerkzaamheden die verstoring van het leefgebied van de desbetreffende soorten tot gevolg kan hebben, aldus de gemeenteraad. 2.13.2. Verweerder heeft overwogen dat het plan in zoverre niet in strijd is met de Vogel- en Habitatrichtlijn. Hij heeft zich in zijn besluitvorming mede gebaseerd op het rapport "Beekbergen, toetsing Reconstructie Recreatiebedrijven aan Habitatrichtlijn" van januari 2001 opgesteld door [naam opsteller]. Hij heeft voorts goedkeuring onthouden aan de uitbreidingsmogelijkheden van drie recreatiebedrijven en aan artikel 3.9, vierde lid, onder a, van de voorschriften op grond waarvan vrijstelling kan worden verleend teneinde de bebouwde grondoppervlakte van een verblijfsrecreatiefterrein door middel van inbreiding te vergroten voor de bouw van recreatiewoningen. Verweerder heeft in de in de bedenkingen gestelde strijdigheid van het plan met het Verdrag evenmin reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten. Hij heeft daarbij onder meer overwogen dat artikel 4 in samenhang met artikel 9 van het Verdrag de verdragsluitende partijen verplicht om door middel van wetgeving en beleid de gewenste bescherming tot stand te brengen en niet om ieder concreet project aan de doelstelling van het Verdrag te toetsen. Voorts heeft verweerder wat betreft de wijzigingsbevoegdheid overwogen dat de gevolgen van de bestreden voorschriften in dit geval niet zo ingrijpend zijn dat een planherziening is geboden. Hij heeft hierbij verder overwogen dat de wijziging van een bestemmingsplan een bevoegdheid is en dat de in het plan in dit verband opgenomen voorwaarden voldoende waarborgen bieden voor de bescherming van de aanwezige waarden. 2.13.3. In de artikelen 4 tot en met 6 van de Habitatrichtlijn is de bescherming van gebieden geregeld. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van deze richtlijn, voorzover hier van belang, stellen de Lid-Staten een lijst van gebieden op, waarop staat aangegeven welke van bepaalde typen habitats en soorten in die gebieden voorkomen. De lijst moet binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie worden toegezonden. Het tweede lid, eerste alinea, bepaalt dat de Commissie een ontwerp-lijst van gebieden van communautair belang uitwerkt. De derde alinea van dit artikellid bepaalt dat de Commissie volgens de procedure van artikel 21 een lijst van gebieden van communautair belang vaststelt. Ingevolge het derde lid dient dit te geschieden binnen zes jaar na kennisgeving van de richtlijn. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat de Lid-Staat gebieden van communautair belang zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aanwijst als speciale beschermingszone. Ingevolge het vijfde lid van dit artikel gelden, zodra een gebied op de in het tweede lid, derde alinea, bedoelde lijst is geplaatst, voor dat gebied de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid. In artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn is bepaald dat de Lid-Staten passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van de richtlijn, een significant effect zouden kunnen hebben. Ingevolge artikel 6, derde lid, van deze richtlijn, voorzover hier van belang, wordt voor plannen of projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een speciale beschermingszone een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingdoelstellingen van dat gebied. De bevoegde instanties mogen slechts toestemming voor het plan of project geven, nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten. In artikel 6, vierde lid, van deze richtlijn, voorzover hier van belang, is bepaald dat indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, de Lid-Staat alle nodige compenserende maatregelen neemt om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De Lid-Staat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen. Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd. 2.13.4. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn, dienen de Lid-Staten voor de leefgebieden van de in bijlage I van de richtlijn genoemde vogelsoorten speciale beschermingsmaatregelen te treffen, met name door het aanwijzen van de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten meest geschikte gebieden als speciale beschermingszone. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn dienen de Lid-Staten soortgelijke maatregelen te nemen ten aanzien van de niet in bijlage I genoemde en geregeld voorkomende trekvogels ten aanzien van hun broed-, rui- en overwinteringsgebieden en rustplaatsen in hun trekzones. In artikel 7 van de Habitatrichtlijn is bepaald dat het beschermingsregime van artikel 6, tweede, derde en vierde lid van de Habitatrichtlijn, op de krachtens de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszones van toepassing is. 2.13.5. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat de gemeenteraad binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd. 2.13.6. Ingevolge artikel 4.6, eerste lid aanhef, van de planvoorschriften is de gemeenteraad bevoegd, met inachtneming van de in artikel 2.1 opgenomen algemene beschrijving in hoofdlijnen en de in artikel 3.9 lid 2 opgenomen specifieke beschrijving in hoofdlijnen, de bestemming "Bos en natuurgebied" met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid verblijfsrecreatie fase 1" te wijzigen in de bestemming "Verblijfsrecreatie", ten behoeve van uitbreiding van het aan die gronden grenzende verblijfsrecreatieterrein. Onder a t/m j zijn de voorwaarden opgenomen waaraan bij wijziging moet worden voldaan. In artikel 4.7 is een vrijwel identieke bepaling opgenomen die het mogelijk maakt om de bestemming "Bos en natuurgebied" met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid verblijfsrecreatie fase 2" te wijzigen in de bestemming "Verblijfsrecreatie", ten behoeve van uitbreiding van het aan die gronden grenzende verblijfsrecreatieterrein. 2.14. Wat betreft de bezwaren van appellanten die samenhangen met de status van gronden als SBZ overweegt de Afdeling het volgende. 2.14.1. De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft bij besluit 24 maart 2000, ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, de Veluwe aangewezen als SBZ. Delen van het plangebied vallen onder deze aanwijzing. Uit het aanwijzingsbesluit blijkt dat het gebied zich kwalificeert als SBZ omdat het gebied behoort tot een van de vijf belangrijkste broedgebieden in Nederland van de wespendief, nachtzwaluw, ijsvogel, zwarte specht, boomleeuwerik, duinpieper en grauwe klauwier. 2.14.2. Zoals eerder is overwogen, maakt het plan een gefaseerde uitbreiding van de recreatieve bedrijven van in totaal ongeveer 9 hectare mogelijk. Uit de stukken blijkt dat de gemeenteraad ten behoeve van het onderzoek naar de gevolgen van de verblijfsrecreatie voor de natuurwaarden in het gebied de volgende rapporten bij zijn beoordeling heeft betrokken: de Ontwikkelingsvisie recreatieconcentratie Beekbergen e.o., de Rapportage van het Landschapsecologisch onderzoek in het Centraal Veluws Natuurgebied –3- van september 1996 opgesteld door de Sector milieu van de Dienst groen, natuur en landschap van de gemeente Apeldoorn, en het Eindrapport van het landschapsecologisch onderzoek in Beekbergen-Loenen van oktober 1991 van de Sector milieu van de Dienst Bos, Natuur en Landschap van de gemeente Apeldoorn. Voorts heeft de gemeenteraad een onderzoek laten uitvoeren of het recreatieve gebruik significante gevolgen zal of kan hebben voor aangewezen habitats en/of prioritaire soorten en habitattypen als bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn. Daartoe is het rapport Beekbergen, toetsing reconstructie recreatiebedrijven aan Habitatrichtlijn van januari 2001 opgesteld door [naam opsteller]. Ook verweerder heeft dit rapport in zijn besluitvorming betrokken. In het rapport wordt onder meer op de volgende vraag ingegaan: "wordt het plangebied gebruikt als (deel)habitat of corridor door een diersoort, waarvoor de SBZ is aangewezen en verslechtert het initiatief de kwaliteit hiervan?" In het rapport wordt geconcludeerd dat wat betreft het hier aan de orde zijnde bezwaar alleen de ontwikkeling van de uitbreidingslocatie Groot Panorama negatieve gevolgen heeft. Dit betreft het verlies van het leefmilieu van 1 broedpaar van de soort boomleeuwerik. Omdat in de hele SBZ 1.400 broedparen voorkomen wordt in het rapport geconcludeerd dat van een significant gevolg voor de totale populatie van de boomleeuwerik binnen de SBZ geen sprake is. Niet is aannemelijk gemaakt dat de uitkomsten van dit onderzoek voor wat betreft de bezwaren die samenhangen met de status van het gebied als SBZ onjuist zijn en dat verweerder zich hierop bij het nemen van het besluit niet had mogen baseren. 2.14.3. Zoals eerder is overwogen zijn uitbreidingen van recreatiebedrijven slechts mogelijk door een wijzigingsplan. Naar aanleiding van het laatstgenoemd rapport heeft de gemeenteraad aan de wijzigingsbevoegdheden voor uitbreiding van de recreatiebedrijven een criterium toegevoegd dat inhoudt dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid alleen is toegestaan voorzover natuurwetenschappelijke/ecologische waarden niet onevenredig worden aangetast. De Afdeling overweegt verder dat bij gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid zal moeten worden nagegaan of wijziging van de oorspronkelijke bestemming uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op andere betrokken belangen, gerechtvaardigd is. Zo zal bij de gebruikmaking van de bevoegdheid aandacht moeten worden geschonken aan de mogelijke nadelige effecten van het door de wijziging mogelijk gemaakte gebruik van de gronden wat betreft de ornithologische waarden die de aanwijzing als speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn beoogt te beschermen. 2.14.4. Gelet op al het voorgaande is de Afdeling allereerst van oordeel dat verweerder, afgezien van hetgeen de Afdeling hieronder in de overwegingen 2.15 en 2.17 oordeelt, terecht heeft overwogen dat de desbetreffende in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden in zoverre door voldoende objectieve normen zijn begrensd en dat het bestreden besluit in zoverre niet in strijd is met het recht. Het standpunt van verweerder dat deze wijzigingsbevoegdheden, anders dan appellanten betogen, voor het in dit geval beoogde doel niet als een te licht instrument moeten worden aangemerkt, acht de Afdeling juist. Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet zal leiden tot storende factoren met een significant effect in de als speciale beschermingszone aangewezen gebieden. Evenmin is – ook als zou worden aangenomen dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn van toepassing is (en rechtstreeks werkt) – het plan op dit punt in strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Immers de afwezigheid van storende factoren met een significant effect betekent dat van strijd met dit lid geen sprake is. Voorts is, daargelaten of het vierde lid van artikel 6 van de Habitatrichtlijn rechtstreekse werking heeft, door het ontbreken van zodanige factoren, deze bepaling in dit geval niet van toepassing. Deze bezwaren treffen geen doel. 2.15. Wat betreft de bezwaren van appellanten aangaande de soortenbescherming (niet zijnde vogels) voortvloeiende uit de Habitatrichtlijn en nationale wetgeving als de Natuurbeschermingswet, de aanmelding als Habitatgebied en het Verdrag van Bern, overweegt de Afdeling als volgt. 2.15.1. De artikelen 12 tot en met 16 van de Habitatrichtlijn hebben betrekking op de bescherming van soorten. Artikel 16, eerste lid, van deze richtlijn bepaalt dat wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, de Lid-Staten mogen afwijken van het bepaalde in de artikelen 12, 13, 14 en 15, letters
- a)en
- b)in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. 2.15.2. De Afdeling overweegt allereerst dat ten tijde van het bestreden besluit de Flora- en faunawet nog niet in werking was getreden en dat in verband met de hier aan de orde zijnde bezwaren de Natuurbeschermingswet geldt. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet, voorzover hier van belang, is het verboden een plant, behorende tot een beschermde plantensoort, of een deel daarvan uit te steken, te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ingevolge artikel 24, derde lid, van de Natuurbeschermingswet, voorzover hier van belang, is het verboden zonder noodzaak een dier, behorende tot een beschermde diersoort, te verontrusten of zijn nest, hol of voortplantings- of rustplaats te verstoren dan wel te beschadigen of te vernielen. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet, voorzover hier van belang, kan door of vanwege de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (thans Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) van dit verbod ontheffing worden verleend. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet, voorzover hier van belang, kan in de in dit artikellid genoemde gevallen ten aanzien van niet-gekweekte dieren of planten behorende tot beschermde soorten die zijn genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, slechts ontheffing of vrijstelling worden verleend, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Met het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet wordt blijkens de daarbij behorende Nota van toelichting beoogd de Habitatrichtlijn volledig te kunnen uitvoeren. 2.15.3. De vraag of de richtlijn, in het bijzonder artikel 16, eerste lid, correct is geïmplementeerd in het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet, heeft de Afdeling bevestigend beantwoord in haar uitspraak van 21 januari 2001, 200004163/1 (JB 2001/68, M en R 2001/3, nr. 29, en JM 2001/44). Nu het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet de correcte implementatie van artikel 16, eerste lid, van de Habitatrichtlijn bevat, dient de toelaatbaarheid van inbreuken op het natuurlijk verspreidingsgebied van de beschermde dier- en plantensoorten te worden beoordeeld in het kader van een aanvraag van een ontheffing op grond van de Natuurbeschermingswet. Dit neemt echter niet weg dat verweerder geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voorzover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat een ontheffing op grond van de Natuurbeschermingswet niet zou kunnen worden verleend. Evenmin had verweerder aan het plan goedkeuring kunnen verlenen, indien hij in redelijkheid had moeten inzien dat het plan mede gelet op artikel 2, eerste lid, van het Besluit ontheffingen en vrijstellingen Natuurbeschermingswet, er toe zou leiden dat het natuurlijke verspreidingsgebied van de beschermde soorten in die mate wordt aangetast dat zij daarin niet meer kunnen voorbestaan. Naar het oordeel van de Afdeling maakt het voornoemde rapport Beekbergen, toetsing reconstructie recreatiebedrijven aan Habitatrichtlijn onvoldoende inzichtelijk wat de gevolgen van de uitbreidingen zijn voor de ter plaatse voorkomende soorten (anders dan vogels). Verweerder heeft zich in zijn besluitvorming wat betreft deze bezwaren van appellanten dan ook ten onrechte hierop gebaseerd. Uit dit onderzoek kan dan ook niet worden afgeleid of op voorhand aannemelijk is dat een ontheffing op grond van de Natuurbeschermingswet kan worden verleend. Weliswaar zal op grond van de artikelen 4.6 en 4.7 van de voorschriften in het kader van het wijzigingsplan ook onderzoek moeten plaatsvinden naar de aantasting van de op dat moment aanwezige natuurwetenschappelijke/ecologische waarden, maar reeds bij de beoordeling van de planologische aanvaardbaarheid van de wijzigingsbevoegdheid dient verweerder te bezien of op voorhand aannemelijk is dat een ontheffing op grond van de Natuurbeschermingswet verleend zou kunnen worden. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. 2.15.4. Delen van het plangebied staan voorts op de lijst van Habitatgebieden die de Nederlandse regering op grond van artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn aan de Commissie heeft toegezonden. Ten tijde van het bestreden besluit was de communautaire lijst als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn nog niet vastgesteld, zodat de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in zoverre nog niet golden. De Afdeling is van oordeel dat het beginsel van de gemeenschapstrouw (artikel 10 van het EG-Verdrag) meebrengt dat de lidstaten en hun organen zich in een geval als dit gedurende de termijn tussen de inzending van een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn en de vaststelling van de lijst door de Commissie, dienen te onthouden van activiteiten die het bereiken van het door de Habitatrichtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar kunnen brengen. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het rapport Beekbergen, toetsing reconstructie recreatiebedrijven aan Habitatrichtlijn, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich ook wat betreft dit punt in zijn besluitvorming ten onrechte op dit onderzoek heeft gebaseerd. Het bestreden besluit is ook in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. 2.15.5. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Verdrag neemt iedere Verdragsluitende Partij passende en noodzakelijke maatregelen in de vorm van wetten en voorschriften om de leefmilieus van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten te beschermen, in het bijzonder van de soorten, genoemd in de bijlagen I en II, en om de bedreigde natuurlijke leefmilieus in stand te houden. Ingevolge artikel 4, derde lid, verbinden de Verdragsluitende Partijen zich ertoe bijzondere aandacht te besteden aan de bescherming van de gebieden die van belang zijn voor de in de bijlagen II en III genoemde trekkende soorten en die gunstig liggen ten opzichte van de trekroutes, zoals overwinterings-, rust-, voeder-, broed- of ruiplaatsen. Ingevolge artikel 5, voorzover hier van belang, neemt iedere Verdragsluitende Partij passende en noodzakelijke maatregelen in de vorm van wetten en voorschriften om te zorgen voor bijzondere bescherming van de in het wild voorkomende plantensoorten genoemd in Bijlage I. Het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden of ontwortelen van bedoelde planten is verboden. Ingevolge artikel 6, voorzover hier van belang, neemt iedere Verdragsluitende Partij passende en noodzakelijke maatregelen in de vorm van wetten en voorschriften om te zorgen voor bijzondere bescherming van de in het wild voorkomende diersoorten, genoemd in Bijlage II. Waar het deze soorten betreft, is met name verboden: a. iedere vorm van opzettelijk vangen, in bezit houden en opzettelijk doden; b. het opzettelijk aantasten of vernielen van broed- of rustplaatsen; c. het opzettelijk verstoren van de in het wil voorkomende diersoorten, met name gedurende de broedperiode, de periode waarin de jongen afhankelijk zijn, den de overwinteringsperiode, voorzover hiermee duidelijk wordt ingegaan tegen de doelstellingen van dit Verdrag; d. het opzettelijk vernielen of rapen van eieren in de natuur of het in het bezit houden van eieren, zelfs wanneer deze leeg zijn; Ingevolge artikel 9, eerste lid, voor zover relevant, mag iedere Verdragsluitende Partij afwijken van het bepaalde in artikel 4, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de afwijkingen geen aantasting met zich brengen van het voortbestaan van de desbetreffende populatie, in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid, de veiligheid in de lucht of andere openbare belangen van essentiële aard. 2.15.6. De Afdeling overweegt dat het Verdrag is ondertekend door de Europese Gemeenschap en door de lidstaten afzonderlijk, waaronder Nederland. De Europese Gemeenschap heeft uitvoering gegeven aan het Verdrag door middel van de Habitatrichtlijn. Voorzover de in het Verdrag geregelde materie valt onder de competentie van de Gemeenschap, is er voor een toetsing in het kader van artikel 94 van de Grondwet geen plaats. Het Verdrag komt voorzover de Habitatrichtlijn daarmee in overeenstemming is via deze richtlijn tot gelding en de rechtsgevolgen van het Verdrag worden binnen de Gemeenschap door deze richtlijn beheerst. Gelet op het belang van een uniforme uitleg van het Gemeenschapsrecht is er daarom in zoverre geen aanleiding voor rechtstreekse toetsing van het plan aan het Verdrag, zo aan de bepalingen van dit verdrag in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen al rechtstreekse werking toekomt. De Afdeling stelt vast dat de bescherming van leefmilieus als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Verdrag, door het Gemeenschapsrecht wordt beheerst nu onder meer de Habitatrichtlijn hierin door middel van de gebiedsbescherming voorziet. Een van de selectiecriteria voor aanwijzing van een gebied van communautair belang als bedoeld in de Habitatrichtlijn (bijlage III Habitatrichtlijn) betreft de geografische ligging van het gebied ten opzichte van de trekroutes van diersoorten. De bescherming van de gebieden die van belang zijn voor trekkende soorten (artikel 4, derde lid, van het Verdrag) wordt derhalve tevens beheerst door het Gemeenschapsrecht. Ook de bescherming van planten- en diersoorten als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het Verdrag, wordt door het Gemeenschapsrecht beheerst nu onder meer de Habitatrichtlijn hierin door middel van soortenbescherming voorziet. Voorzover uit het Verdrag een onderzoeksverplichting naar bepaalde leefgebieden en/of planten- en diersoorten zou voortvloeien, merkt de Afdeling op dat een dergelijke verplichting tevens uit het stelsel van de Habitatrichtlijn voortvloeit. Wat betreft het betoog van appellanten dat het niet is uitgesloten dat verschillende planten- en diersoorten wel in de bijlagen van het Verdrag zijn opgenomen en niet in een bijlage bij de Habitatrichtlijn, overweegt de Afdeling allereerst dat uit de stukken blijkt dat de gemeenteraad de ingevolge het Verdrag te beschermen soorten heeft bezien in het licht van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Verder is onvoldoende aannemelijk geworden dat de door appellanten bedoelde planten- en diersoorten feitelijk ter plaatse voorkomen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het rapport Beekbergen, toetsing reconstructie recreatiebedrijven aan Habitatrichtlijn over de gevolgen van de uitbreidingen voor de ter plaatse voorkomende soorten (anders dan vogels), volgt echter dat het bestreden besluit in dit verband onzorgvuldig tot stand is gekomen. 2.15.7. Gezien het vorenstaande zijn de beroepen van de Vereniging Natuurmonumenten e.a., de Bewonersvereniging Immenberg, [appellanten sub 3] en [appellanten sub 23] in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de artikelen 4.6 en 4.7 van de planvoorschriften. Het rijks- , provinciale en gemeentelijke beleid 2.16. De Vereniging Natuurmonumenten e.a., de Bewonersvereniging Immenberg en [appellanten sub 3] wat betreft camping De Hertenhorst stellen op de gronden aangegeven in hun beroepschriften dat het bestreden besluit voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de in het plan voorziene uitbreidingen van recreatiebedrijven, in strijd is met het Structuurschema Groene Ruimte (hierna: SGR), het streekplan Gelderland van 1996 (hierna: het streekplan), de Streekplanuitwerking begrenzing en verstedelijkingscontouren, de beleidsnota Vraag-aanbod recreatiebungalows en het structuurplan van de gemeente Apeldoorn 1994. 2.16.1. Verweerder heeft in deze bedenkingen van appellanten geen reden gezien enig deel van het plan in strijd met het recht of een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. 2.16.2. In het SGR is het CVN aangewezen als kern- en natuurontwikkelingsgebied van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) en als waardevol cultuurlandschap. Volgens het SGR is het ruimtelijk beleid voor de EHS gericht op het instandhouden van de voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling wezenlijke kenmerken en waarden. Voor de kerngebieden geldt een basisbescherming. Het rijksbeleid staat ingrepen en ontwikkelingen in en in de onmiddellijke nabijheid van de kerngebieden niet toe, indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het kerngebied aantasten. Ook de basisbescherming voor natuurontwikkelingsgebieden is gericht op het voorkomen van onomkeerbare gevolgen. Voor beide categorieën geldt dat alleen bij een zwaarwegend maatschappelijk belang hiervan kan worden afgeweken. Uitgangspunt bij toepassing van het compensatiebeginsel is dat wat betreft areaal en kwaliteit in beginsel geen netto verlies aan waarden mag optreden. Wat betreft de afstemming tussen recreatie en natuur binnen de ecologische hoofdstructuur is het beleid gericht op de realisatie van een goede afstemming van de recreatie binnen de EHS op de natuurbeleidsdoelstellingen. Kwaliteitsverbetering van bestaande verblijfsrecreatieve accommodaties en bestaande toeristische attracties, inclusief beperkte areaaluitbreiding daarvoor is in de ecologische hoofdstructuur mogelijk, mits dit niet leidt tot noemenswaardige schade aan de natuur. Hetzelfde geldt voor wijziging van de aard van de verblijfsaccommodatie of attractie bij herstructurering van het bedrijf. Voorts geldt het compensatiebeginsel voor onder meer kerngebieden van de EHS. De geldigheidsduur van het SGR was ten tijde van het bestreden besluit vervallen. Dit betekent echter niet zonder meer dat het daarin vermelde beleid niet langer als rijksbeleid kan worden aangemerkt. In het streekplan zijn de verblijfsrecreatieve plandelen aangeduid als landelijk gebied A. In landelijk gebied A is de functie natuur richtinggevend voor de ontwikkeling van andere functies. Uitbreiding van bestaande bedrijven is onder voorwaarden mogelijk. In dit gebied wordt aan de ontwikkeling van bestaande bedrijven in het kader van productvernieuwing en kwaliteitsverbetering medewerking verleend, waarbij een maximale uitbreiding met 2 hectare acceptabel is. Wat betreft recreatiebungalowcomplexen zal het provinciebestuur slechts spaarzaam medewerking verlenen aan nieuwe initiatieven tot het realiseren van terreinen voor recreatiebungalows. Ontwikkelingen op dit gebied kunnen leiden tot marktverzadiging in de verhuurbungalowsector. Zowel nieuwe initiatieven als ook de omzetting van bestaande kampeerterreinen naar recreatiebungalowterreinen zullen door het provinciebestuur in hun regionale context worden beoordeeld. Voorts is in hoofdstuk 4.4.4. van het streekplan het beleid met betrekking tot het toeristisch recreatief perspectief in het CVN opgenomen. Dit beleid is in hoofdzaak gericht op stimulering van de kwaliteitsverbetering van het toeristisch recreatief product. Indien het voor de kwaliteitsverbetering noodzakelijk is, is extra ruimtebeslag bespreekbaar. Hierbij zijn de in de algemene uitgangspunten van beleid (hoofdstuk 3.5) genoemde criteria en de compensatieregeling van toepassing. De Afdeling acht het beleid inzake de verblijfsrecreatieve voorzieningen niet onredelijk. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uitbreiding van verblijfsrecreatie in het plangebied niet op voorhand in dit beleid wordt uitgesloten en het plan derhalve met dit beleid in overeenstemming is. De beroepen van appellanten geven geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan het beleid heeft kunnen vasthouden. 2.16.3. Wat betreft de stelling dat uitbreiding van recreatieterreinen een toeneming van het bebouwd oppervlak betekent die onverenigbaar is met de Streekplanuitwerking begrenzing en verstedelijkingscontouren overweegt de Afdeling dat deze streekplanuitwerking geen betrekking heeft op de functie verblijfsrecreatie in het buitengebied. In het streekplan is, zoals hiervoor is aangegeven, het beleid daaromtrent verwoord. Uit de stukken blijkt voorts dat de gemeenteraad bij de voorbereiding van het bestemmingsplan de provinciale beleidsnota Vraag-aanbod recreatiebungalows heeft betrokken. Deze nota heeft vooral betrekking op de vestiging van nieuwe parken binnen de provincie. De mogelijkheid bestaande recreatiebedrijven uit te breiden is daarmee niet in strijd. Ook is niet gebleken dat het plan op dit punt in strijd moet worden geacht met de provinciale Nota Veluwe 2010, die in november 2000 door het college van gedeputeerde staten is vastgesteld, waarin onder andere aandacht wordt besteed aan het thema "kwaliteitsimpuls voor natuurgerichte recreatie". In deze nota is aangeven dat de kwaliteitsimpuls onder meer gestalte zou moeten krijgen in een nog nader op te stellen krimp- en groeiplan voor verblijfsrecreatie. Ten tijde van de goedkeuring van het bestemmingsplan had deze nadere uitwerking van de Nota Veluwe 2010 nog niet plaatsgevonden, zodat verweerder hiermee geen rekening kon houden. Wat betreft de door appellanten gestelde strijdigheid met het structuurplan van de gemeente Apeldoorn 1994, overweegt de Afdeling dat een gemeentelijk structuurplan beleid bevat waarvan de gemeenteraad gemotiveerd kan afwijken. In dit geval heeft de gemeenteraad overwogen dat het structuurplan is achterhaald door het streekplan en de ontwikkelingen zoals die zich na 1994 hebben voorgedaan in de recreatieve sector. Dit komt de Afdeling niet onredelijk voor. Deze bezwaren treffen geen doel. Beroepen gericht tegen de compensatieregeling 2.17. De bezwaren van de Vereniging Natuurmonumenten e.a. en de Bewonersvereniging Immenberg betreffende de wijzigingsbevoegdheden van de artikelen 4.6 en 4.7 van de planvoorschriften hebben verder betrekking op de compensatieregeling van natuurwaarden. Zij zijn van mening dat deze in strijd is met de Vogel- en Habitatrichtlijn, het rijksbeleid en het provinciale beleid. 2.17.1. Zoals eerder is overwogen heeft verweerder de door de gemeenteraad getroffen regeling voor wijziging ten behoeve van de uitbreiding van verblijfsrecreatie niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en deze artikelen goedgekeurd. 2.17.2. In artikel 4.6 (Wijzigingsbevoegdheid, verblijfsrecreatie fase 1), eerste lid, onder d, is ten aanzien van compensatie het volgende bepaald: de onder c bedoelde compensatie dient te geschieden op een van de volgende locaties of wijze dan wel een combinatie daarvan: 1. een bestaand verblijfsrecreatief terrein binnen het CVN wordt gesaneerd en omgezet in een bos- of natuurbestemming; 2. een ander terrein in dan wel direct grenzend aan het CVN dan wel ter versterking van de Ecologische Hoofdstructuur wordt gesaneerd en wordt omgezet in een bos- of natuurbestemming; 3. door storting van de compensatiewaarde in een gemeentelijk boscompensatiefonds in ruil waarvoor de gemeente zorgdraagt voor de realisering van de compensatie op een wijze als bedoeld onder 1 of 2. In artikel 4.7 (Wijzigingsbevoegdheid, verblijfsrecreatie fase 2), eerste lid, onder d en e, is het volgende bepaald: de onder c bedoelde compensatie dient te geschieden door een bestaand verblijfsrecreatief dan wel ander terrein binnen het CVN te saneren en de bestemming om te zetten in een bos- of natuurbestemming; indien kan worden aangetoond dat niet kan worden voldaan aan evengenoemde voorwaarde, kan compensatie plaatsvinden door storting van de compensatiewaarde in een gemeentelijk boscompensatiefonds in ruil waarvoor de gemeente zorgdraagt voor de realisering van de compensatie op een terrein in dan wel direct grenzend aan het CVN dan wel ter versterking van de Ecologische Hoofdstructuur en de bestemming van dit terrein wordt omgezet in een bos en natuurbestemming. 2.17.3. In het SGR is het beleid met betrekking tot het compensatiebeginsel in hoofdstuk 6.6 uiteengezet. Onder meer is gesteld dat het uitgangspunt bij toepassing van het compensatiebeginsel is dat wat betreft areaal en kwaliteit in beginsel geen netto verlies aan waarden mag optreden. Voorts wordt een aantal stappen opgesomd, waaronder fysieke compensatie, die bij een ingreep in een bepaald gebied inhoud geven aan het beginsel "geen netto verlies". Ten aanzien van fysieke compensatie wordt gesteld dat als dit door overmacht niet of niet voldoende mogelijk is, deze wordt vervangen door financiële compensatie. Onder overmacht wordt in deze ook verstaan de dreiging van ernstige vertraging van de procedure. In het streekplan is op p. 86 het beleid met betrekking tot natuur- en boscompensatie verwoord. Onder meer is daarin gesteld dat aantasting van oppervlakte en kwaliteit van natuur en bos niet acceptabel is. Alleen als sprake is van een aan de specifieke locatie gebonden ontwikkeling waarvoor geen alternatieve locaties aanwezig zijn, kan natuur of bos plaatsmaken voor ander ruimtegebruik. Onttrekking dient altijd aansluitend aan een natuur- of boskern te worden gecompenseerd. Wanneer fysieke compensatie door de initiatiefnemer redelijkerwijs niet of maar gedeeltelijk mogelijk is en/of wanneer fysieke compensatie leidt tot onaanvaardbare procedurele vertragingen, kan gedeeltelijke of gehele financiële compensatie plaatsvinden, waarbij uitgangspunt is dat de oppervlakte natuur en bos niet vermindert. In de provinciale Richtlijn compensatie natuur en bos van 2 juli 1998 is dit provinciale beleid nader uitgewerkt. Onder meer is daarin verwoord dat aantasting van bos en natuur ten behoeve van andere functies slechts kan plaatsvinden als er geen alternatieve locaties zijn. Pas als wordt vastgesteld dat alternatieve locaties ontbreken kan fysieke compensatie plaatsvinden. Daarbij geldt onder andere dat planologische compensatie niet kan worden opgevat als natuur- en boscompensatie en dat ten tijde van de planvaststelling fysieke compensatie verzekerd dient te zijn. 2.17.4. Wat betreft de stelling van de Bewonersvereniging Immenberg dat uit de Vogel- en Habitatrichtlijn voortvloeit dat compensatie reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan dient te zijn verzekerd, overweegt de Afdeling dat in dit geval ten behoeve van de eventuele uitbreiding van verblijfsrecreatieterreinen een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zal moeten worden opgesteld. Gezien de voorwaarden hierbij zal bij de vaststelling van het wijzigingsplan moeten worden bezien of voldaan is aan de eis betreffende compensatie. De Afdeling overweegt verder dat het hier de uitbreiding en niet de nieuwvestiging van verblijfsrecreatieve terreinen betreft. In zoverre is derhalve volgens het streekplan sprake van een specifieke locatie gebonden ontwikkeling. Uit artikel 4.6, eerste lid, onder d, van de planvoorschriften volgt echter dat, anders dan is bepaald in artikel 4.7, eerste lid, onder e, financiële compensatie als een rechtstreeks en volwaardig alternatief voor fysieke compensatie mogelijk wordt gemaakt. De Afdeling overweegt dat dit in strijd is met het hiervoor aangehaalde provinciale beleid. Het standpunt van verweerder dat om recht te doen aan het grote belang van compensatie van natuur en bos hij een wijzigingsplan op dit punt nauwgezet zal toetsen aan het provinciale beleid, laat onverlet dat de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden in zoverre in overeenstemming dienen te zijn met het in dat beleid gehanteerde compensatiebeginsel. Het plan is dus wat betreft dit onderdeel in strijd met het streekplan. Het betreft hier evenwel een niet-essentiële beleidsuitspraak in het streekplan. Volgens hoofdstuk 5 van het streekplan is in dat kader afwijking van het streekplan mogelijk. Verweerder heeft dit blijkens het bestreden besluit miskend en geen afwijkingsprocedure in gang gezet. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met artikel 4a, achtste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De beroepen van de Vereniging Natuurmonumenten e.a. en de Bewonersvereniging Immenberg zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit ook om deze reden dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 4.6 van de planvoorschriften. Overige bezwaren tegen de artikelen 4.6 en 4.7 2.18. De Vereniging Natuurmonumenten e.a. en de Bewonersvereniging Immenberg hebben voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 4.6, eerste lid, onder f. Zij zijn onder meer van mening dat reeds het bestaan van permanente bewoning aanleiding dient te zijn om uitbreidingen tegen te gaan. 2.18.1. In artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder f, is bepaald dat slechts van de wijzigingsbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt als er geen permanente bewoning van recreatiewoningen en/of kampeermiddelen meer plaatsvindt, behoudens in de gevallen dat dit in het kader van de uitsterfregeling voorlopig wordt geaccepteerd. 2.18.2. In het streekplan is als onderdeel van het beleid ten aanzien van recreatiebungalowcomplexen opgenomen dat permanente bewoning van recreatiebungalows niet is toegestaan. Gemeentebesturen moeten in hun bestemmingsplannen en in hun afspraken met initiatiefnemers clausules opnemen die deze ongewenste ontwikkeling uitsluiten. Dit beleid is niet onredelijk. De Afdeling is mede gezien de uitleg terzake van de gemeenteraad en verweerder op de zitting van oordeel dat het plan met het provinciale beleid in overeenstemming is. De beroepen geven geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan het beleid heeft kunnen vasthouden. Voorzover de Bewonersvereniging Immenberg in dit verband heeft aangevoerd te vrezen dat het plan permanente bewoning niet zal tegenhouden en dat niet handhavend zal worden opgetreden, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering en handhaving daarvan. Voorts ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat van de kant van de gemeente niet handhavend zal worden opgetreden. In hetgeen de Vereniging Natuurmonumenten e.a. en de Bewonersvereniging Immenberg voor het overige met betrekking tot de artikelen 4.6 en 4.7 hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Deze bezwaren treffen evenmin doel. Beroepen gericht tegen overige voorschiften Artikel 3.9, derde lid, onder b 2.19. [appellanten sub 3], [appellanten sub 16] en Landgoed De Valouwe B.V. e.a. (hierna: Landgoed De Valouwe B.V.) kunnen zich niet verenigen met de onthouding van goedkeuring aan artikel 3.9, derde lid, onder b, van de planvoorschriften. [appellanten sub 3] voeren daartoe aan dat juist door dit voorschrift voorkomen kan worden dat verblijfsrecreatieve terreinen worden omgebouwd tot chaletparken met veelal permanente bewoning. [appellanten sub 16] zijn van mening dat verweerder in zijn besluit had moeten aangeven dat in het artikel 30-plan uitgegaan moet worden van een oppervlakte van 75 m2. Landgoed De Valouwe B.V. kan zich niet verenigen met de motivering van de onthouding van goedkeuring. Zij stellen dat een deugdelijke onderbouwing van het voorschrift ontbreekt. 2.19.1. De gemeenteraad heeft het plan ambtshalve gewijzigd vastgesteld door aan artikel 3.9, derde lid, onderdeel b toe te voegen. Daarmee is de maximaal toelaatbare oppervlaktemaat van 75 m2 voor stacaravans waar het ontwerp-plan van uitging, komen te vervallen. Ingevolge artikel 3.9, derde lid, onder b, van de planvoorschriften zijn stacaravans groter dan 55 m2 en/of met een grotere maximale hoogte dan 3.40 m (deze vallen niet onder het regime van de WOR/Kampeerexploitatieverordening en zijn derhalve bouwvergunningplichtig), niet toegestaan. Stacaravans kleiner dan 55 m2, die niet voldoen aan de eisen op basis van de WOR/Kampeerexploitatieverordening (b.v. omdat deze stacaravans niet meer verplaatsbaar en daarmee bouwvergunningplichtig zijn), zijn eveneens niet toegestaan. 2.19.2. Verweerder heeft overwogen dat het de gemeenteraad vrijstaat om bestaand ruimtelijk beleid te wijzigen. In dit geval is echter sprake van een langdurige vergunningspraktijk en een daarop afgestemd handelen waardoor gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt. Door een tijdige aankondiging van het gewijzigde beleid achterwege te laten heeft de gemeenteraad in dit geval gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. In verband hiermee heeft verweerder goedkeuring onthouden aan het planvoorschrift. Verweerder sluit eventuele invoering van het beleid in de toekomst niet uit. 2.19.3. Wat betreft de beroepen van [appellanten sub 16] en Landgoed De Valouwe B.V. stelt de Afdeling voorop dat door de onthouding van goedkeuring aan deze bestemmingsregeling in zoverre aan de bezwaren van deze appellanten is tegemoet gekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan. De Afdeling vat de beroepen van [appellanten sub 16] en Landgoed De Valouwe B.V. daarom aldus op, dat zij zich er tegen verzetten dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overweging ten grondslag is gelegd. 2.19.4. De Afdeling acht het standpunt van verweerder dat het de gemeenteraad vrijstaat binnen de grenzen van zijn bevoegdheid bestaand gemeentelijk beleid te wijzigen juist. In dit geval heeft de gemeenteraad zijn beleid met betrekking tot de maximaal toegestane oppervlakte van stacaravans gewijzigd van 75 m2 naar 55 m2. Anders dan verweerder is de Afdeling van oordeel dat in de omstandigheden dat in het verleden exploitatievergunningen zijn verleend met daarin een toegestane maximale oppervlaktemaat voor stacaravans van 75 m2 en dat de recreatiebedrijven de indeling en verkaveling van hun bedrijven op die maatvoering hebben afgestemd, geen aanleiding kan worden gezien dat gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt dat in een nieuw bestemmingsplan, zoals hier aan de orde, hiervan zonder meer zou worden uitgegaan. Verweerder heeft het voorgaande dan ook niet aan de onthouding van goedkeuring ten grondslag kunnen leggen. Hieruit volgt dat het bestreden besluit op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering. Uit de stukken blijkt dat met artikel 3.9, derde lid, onder b, van de planvoorschriften de gemeenteraad heeft beoogd vast te leggen dat stacaravans met een oppervlakte groter dan 55 m2 en stacaravans met een oppervlakte kleiner dan 55 m2 die niet voldoen aan de eisen in de WOR en de Kampeerexploitatieverordening bouwvergunningplichtig zijn. De voormalige Kampeerwet, noch de daarvoor in de plaats getreden WOR bieden eenduidige aanknopingspunten wat betreft de vraag wanneer een stacaravan moet worden aangemerkt als een bouwvergunningplichtig bouwwerk. De Afdeling overweegt dat de vraag of sprake is van een bouwvergunningplichtig bouwwerk dient te worden getoetst aan de Woningwet in samenhang met de WOR. Het opnemen van een daartoe strekkende bepaling in een bestemmingsplan is in strijd met artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Verweerder heeft het voorgaande miskend. Voorzover [appellanten sub 16] en Landgoed De Valouwe B.V. de gekozen maatvoering van 55 m2 overigens bestrijden, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 1 mei 2002, no. 200102389/1, dat een bouwwerk als (sta)caravan in de zin van artikel 1, derde lid, van de WOR kan worden beschouwd, indien dit onder meer gezien vorm, omvang en constructie geschikt is om regelmatig te worden vervoerd. Of een (sta)caravan met een oppervlakte van 55 m2 als zodanig kan worden beschouwd staat in dit geschil niet ter beoordeling. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellanten sub 3], [appellanten sub 16] en Landgoed De Valouwe B.V in zoverre gegrond. In verband hiermee dient het bestreden besluit voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan artikel 3.9, derde lid, onder b, van de planvoorschriften te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het plan is verder op dit punt in strijd met artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke ordening. Door aan het plan om deze reden geen goedkeuring te onthouden, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit laatstgenoemde artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Ook in verband hiermee dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Gezien laatstgenoemde vernietigingsgrond ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan artikel 3.9, derde lid, onder b, van de planvoorschriften. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van [appellanten sub 3], [appellanten sub 16] en Landgoed De Valouwe B.V. op dit punt niet te worden behandeld. Deze aspecten kunnen aan de orde komen in de artikel-30 procedure. Artikelen 3.9, vierde lid, onder a en b, 3.9, vierde lid, onder h, 3.9, zesde lid, en 3.9, zevende lid 2.20. Landgoed de Valouwe B.V. kan zich er niet mee verenigen dat verweerders goedkeuring hebben onthouden aan de artikelen 3.9, vierde lid, onder a en b, 3.9, vierde lid, onder h, 3.9, zesde lid, en 3.9, zevende lid. Zij is van mening dat verweerder de hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden. 2.20.1. De gemeenteraad heeft in artikel 3.9, vierde lid, onder a, een vrijstellingsbevoegdheid opgenomen die het voor burgemeester en wethouders mogelijk maakt onder voorwaarden vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het derde lid waarin bebouwingsvoorschriften zijn opgenomen, teneinde de bebouwde grondoppervlakte van een verblijfsrecreatieterrein door middel van inbreiding (vergroting van het aantal standplaatsen of recreatiewoningen in een zelfde bebouwingsvlak) te vergroten ten behoeve van de bouw van recreatiewoningen. Onder b van hetzelfde artikel kan vrijstelling onder voorwaarden verleend worden teneinde de in de tabel 2 aangegeven te bebouwen "maximum grondoppervlakte voor recreatiewoningen en groepsaccommodaties" van een verblijfsrecreatieterrein te vergroten ten behoeve van de bouw van recreatiewoningen ter vervanging van stacaravans. In artikel 3.9, vierde lid, onder h, is bepaald dat burgemeester en wethouders vrijstelling onder voorwaarden kunnen verlenen van het bepaalde in het derde lid teneinde de dienstwoning te splitsen in maximaal 2 woningen. In artikel 3.9, zesde lid, voorzover van belang, is bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn het plan te wijzigen ten behoeve van het vergroten van de in de tabel in het tweede lid aangegeven "maximum grondoppervlakte voorzieningen" en "maximum grondoppervlakte detailhandel" van een verblijfsrecreatief terrein ten behoeve van de bouw van voorzieningen die ook aan andere verblijfsrecreatieve terreinen ten dienste kunnen staan, mits de oppervlakte van deze vergroting in mindering wordt gebracht op de tabel in het tweede lid aangegeven "maximum grondoppervlakte voorzieningen" en "maximum grondoppervlakte detailhandel" van het andere verblijfsrecreatieve terrein ten behoeve waarvan de desbetreffende voorziening mede wordt gebouwd, en de groenvoorzieningen niet onevenredig worden geschaad. In artikel 3.9, zevende lid, is bepaald dat in afwijking van de algemene gebruiksbepaling dat, indien een bedrijfswoning aanwezig is, het desbetreffende bestemmingsvlak ook mag worden gebruikt als woning zonder direct functionele binding met het bedrijf. De bouw van een vervangende bedrijfswoning is niet toegestaan. 2.20.2. Verweerder heeft dit gedeelte van het plan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hij heeft overwogen dat ten onrechte in de artikelen 3.9, vierde lid, onder a en b, niet is bepaald dat een uitbreiding moet zijn gebaseerd op een uit een regionale vraag/aanbodanalyse blijkende behoefte. Gelet op de aard en omvang van de problematiek alsmede het huidige beeld van die vraag/aanbod verhouding zal een verklaring van geen bezwaar niet kunnen worden gemist. Verweerder acht deze voorschriften in strijd met het door hem gevoerde beleid nu de voorschriften daarin niet voorzien. Ten aanzien van artikel 3.9, vierde lid, onder h, heeft verweerder in zijn besluitvorming het provinciale beleid betrokken dat gericht is op het uit het buitengebied weren van niet-functioneel daaraan gebonden functies. Hij acht de planregeling op dit punt in strijd met dit beleid. Wat betreft artikel 3.9, zesde lid, heeft verweerder overwogen dat dit voorschrift een objectieve begrenzing mist. De redactie laat in beginsel een onbeperkte vergroting toe. Verweerder acht dit onaanvaardbaar gelet ook op de belangen van natuur en landschap. Wat betreft artikel 3.9, zevende lid, heeft verweerder in zijn besluitvorming het terughoudende provinciale beleid ten aanzien van het wonen in het buitengebied in aanmerking genomen. Hij acht de planregeling op dit punt in strijd met dit beleid. Om de voorgaande redenen heeft verweerder goedkeuring onthouden aan voornoemde voorschriften. 2.20.3. De Afdeling overweegt allereerst dat het provinciale beleid ter zake niet onredelijk is. Verweerder heeft het plan op dit punt terecht in strijd met het beleid geacht. Het beroep geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan het beleid heeft kunnen vasthouden. Verder heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling op goede gronden op het standpunt gesteld dat de wijzigingsbevoegdheid voor vergroting van de grondoppervlakte voor verblijfsrecreatie niet door voldoende objectieve normen is begrensd. De stelling van appellante dat verweerder door goedkeuring te onthouden aan deze planvoorschriften de grenzen van zijn beoordelingsmarges heeft overschreden, deelt de Afdeling niet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op deze punten in strijd is met de goede ruimtelijke ordening en heeft terecht gesteld dat het plan in zoverre in strijd is met het recht. In hetgeen in het beroepschrift is aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft aan het plan in zoverre terecht goedkeuring onthouden. Het beroep van Landgoed De Valouwe B.V. is in zoverre ongegrond. Artikel 3.9, derde lid, onder c 2.21. Landgoed De Valouwe B.V. kan zich er niet mee verenigen dat verweerder goedkeuring heeft verleend aan de in artikel 3.9, derde lid, onder c, opgenomen bebouwingsmatrix voorzover dit betreft de maximale goothoogte van 2.80 m voor stacaravans en recreatiewoningen. 2.21.1. De Afdeling stelt vast dat uit de voornoemd planvoorschrift blijkt dat de door appellante bedoelde goothoogte voor bedrijfsgebouwen (exclusief bedrijfswoningen en de daarbij behorende bijgebouwen) geldt. Ter zitting is door de gemeenteraad bevestigd dat deze bepaling niet van toepassing is op stacaravans en recreatiewoningen. Het beroep mist in zoverre feitelijke grondslag. Het beroep van Landgoed De Valouwe B.V. is op dit punt ongegrond. Beroepen met betrekking tot recreatiepark Bospark Beekbergen (voorheen Euroase Beekbergen) en recreatiepark De Valouwe 2.22. Landgoed De Valouwe B.V. kan zich niet verenigen met de onthouding van goedkeuring aan de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid verblijfsrecreatie fase 1" op de plankaart ter plaatse van gronden van het recreatieterrein Bospark Beekbergen en aan de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid verblijfsrecreatie fase 2" op de plankaart ter plaatse van gronden van het recreatieterrein De Valouwe. Zij stelt dat de beoogde uitbreidingen en herstructurering van beide recreatieterreinen binnen het provinciale beleid passen. Zij heeft verder specifieke bezwaren tegen de planregeling. De Vereniging Natuurmonumenten e.a. hebben meerdere bezwaren tegen het bestreden besluit wat betreft deze twee recreatieparken. 2.22.1. De gemeenteraad heeft aan de in geding zijnde gronden van Bospark Beekbergen en De Valouwe de bestemming "Bos en Natuur" met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid verblijfsrecreatie fase 1" respectievelijk "wijzigingsbevoegdheid verblijfsrecreatie fase 2" en "TR 50%" (percentage toeristische standplaatsen) toegekend. Deze gronden beslaan voor elk recreatiebedrijf afzonderlijk een oppervlakte van ongeveer 2 hectare. De gemeenteraad heeft hierbij onder meer in aanmerking genomen het rapport Recreatieconcentratie Beekbergen e.o. van november 1999 opgesteld door [adviesbureau A] en het Advies uitbreiding recreatiebedrijven Hoenderloo en Beekbergen van november 2000 uitgebracht door [adviesbureau B]. 2.22.2. Verweerder heeft dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij heeft onder meer overwogen dat op het bestaande terrein van Bospark Beekbergen vrijwel uitsluitend chalets en recreatiebungalows staan en dat op het toe te voegen deel recreatiebungalows komen te staan. Naar de mening van verweerder is geen sprake van een wezenlijke verandering in het type plaatsen dat het bedrijf na uitbreiding beschikbaar kan stellen. Van een kwaliteitsverbetering in de zin van het streekplan is dan ook geen sprake. Ook draagt de voorgenomen investering niet bij aan de totstandkoming van een evenwichtiger vraag/aanbod verhouding. Wat betreft De Valouwe heeft verweerder overwogen geen bezwaar te hebben tegen een inrichting met 40 nieuwe toeristische standplaatsen. Het plan maakt echter niet duidelijk of de 20 nieuwe jaarplaatsen hetzij door telkens wisselende dan wel door vaste gebruikers zullen worden ingenomen. In dit verband is niet gebleken van kwaliteitsverbetering. Verweerder heeft om deze redenen goedkeuring onthouden aan voornoemde plandelen. 2.22.3. Het streekplanbeleid dat is gericht op verblijfsrecreatie zoals hiervoor reeds is overwogen, acht de Afdeling niet onredelijk. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat op grond van dit beleid plannen die uitbreiding van verblijfsrecreatie in het CVN mogelijk maken gericht moeten zijn op kwaliteitsverbetering. De doelstelling kwaliteitsverbetering heeft hoofdzakelijk betrekking op het vergroten van het segment toeristisch kamperen. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het plan wat betreft de uitbreiding van Bospark Beekbergen en De Valouwe in zoverre niet in overeenstemming is met het provinciale beleid. Het beroep geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. Wat betreft Bospark Beekbergen is van belang dat het park voorheen bestond uit 124 recreatiebungalows en 240 jaarplaatsen (stacaravans). In verband met de herstructurering van het park zijn alle jaarplaatsen opgezegd en worden deze gronden opnieuw ingericht voor verkoop/verhuur van chalets (luxe moderne stacaravans). Het standpunt van verweerder dat het type plaatsen dat het bedrijf na uitbreiding beschikbaar kan stellen niet wezenlijk zal veranderen na uitbreiding en als zodanig geen kwaliteitsverbetering in de zin van het streekplan zal zijn, acht de Afdeling niet onjuist of onredelijk. Wat betreft recreatiepark De Valouwe is van belang dat het park over 35 vakantiehuisjes/huurcaravans en 174 jaarplaatsen (stacaravans) beschikt en niet over toeristische plaatsen. Uit de stukken blijkt verder dat het merendeel van de stacaravans in eigendom is van particulieren die de plaats huren van De Valouwe. Slechts een beperkt deel van de stacaravans wordt door de Valouwe het gehele jaar door verhuurd. Het plan biedt echter geen duidelijkheid over het gebruik van de nieuwe jaarplaatsen. Verweerder heeft ervan kunnen uitgaan dat onvoldoende aannemelijk is dat sprake is van kwaliteitsverbetering. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op deze punten in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. In hetgeen in het beroepschrift is aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft in zoverre terecht goedkeuring onthouden aan het plan. Het beroep van Landgoed De Valouwe B.V. is in zoverre ongegrond. 2.23. Landgoed de Valouwe B.V. heeft verder bezwaar tegen de term "bedrijfsmatig" in artikel 3.9, eerste lid, onder a. 2.23.1. De gemeenteraad heeft in artikel 3.9, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, bepaald dat de gronden met de bestemming "Verblijfsrecreatie" bestemd zijn voor het bedrijfsmatig bieden van recreatief verblijf aan personen – die elders hun hoofdverblijf hebben – in tot het bedrijf behorende recreatiewoningen, groepsaccommodaties en kampeermiddelen en op tot het bedrijf behorende verzorgende gebouwen ten dienste van die personen. 2.23.2. Verweerder acht dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat de regeling in overeenstemming is met het streekplan dat gericht is op het tegen gaan van permanente bewoning van recreatiewoningen. Gelet hierop heeft verweerder dit planonderdeel goedgekeurd. 2.23.3. Het streekplanbeleid ten aanzien van het tegengaan van permanente bewoning zoals hiervoor reeds is verwoord, acht de Afdeling niet onredelijk. In de toelichting op het streekplan staat onder meer het volgende vermeld: een belangrijk middel om permanente bewoning van recreatiebungalows tegen te gaan is het adequaat bestemmen door de gemeenteraad. Hiertoe behoort het eenduidig bestemmen (geen algemene ruime bestemming toekennen) en het in de bestemming opnemen van de eis van bedrijfsmatige exploitatie. Daarnaast dienen gemeenten in een contract met de initiatiefnemer de verplichting tot verhuur op te nemen, die voortduurt na eigendomswissel. Ook het voorgaande komt de Afdeling niet onredelijk voor. Ter zitting is komen vast te staan dat verweerder en de gemeenteraad zich op het standpunt stellen dat de wijze waarop een recreatiepark wordt geëxploiteerd en niet de eigendomsverhouding bepalend is voor de vraag of sprake is van bedrijfsmatige exploitatie. Zodra de relatie tussen het object en het recreatiepark wordt verbroken is geen sprake meer van bedrijfsmatige exploitatie. Dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft het plan in zoverre terecht goedgekeurd. Het beroep van Landgoed de Valouwe B.V. is in zoverre ongegrond. 2.24. Landgoed de Valouwe B.V. heeft bezwaar tegen het plan voorzover de maximum oppervlakte van recreatiewoningen en groepsaccommodaties is gebaseerd op het aanwezige aantal recreatiewoningen. Zij voert hiertoe onder meer aan dat dit voor de Valouwe een reductie betekent van 6% ten opzichte van het bebouwingspercentage dat onder het vorige plan was toegestaan. 2.24.1. De gemeenteraad heeft in artikel 3.9, tweede lid, in samenhang met het derde lid, onder a, van de planvoorschriften bepaald dat de recreatiewoningen en groepsaccommodaties exclusief de bedrijfswoningen met de daarbij behorende bijgebouwen op De Valouwe een oppervlakte van maximaal 2.700 m2 mogen beslaan. Verder is bepaald dat ook de voorzieningen op het park maximaal een oppervlakte van 2.700 m2 mogen hebben. 2.24.2. Verweerder heeft de door de gemeenteraad getroffen regeling niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en dit plandeel goedgekeurd. 2.24.3. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. Uit de stukken blijkt dat de gemeenteraad de bebouwingsmogelijkheden in het plan heeft gebaseerd op de bebouwing op de recreatieterreinen die aanwezig was ten tijde van de inventarisatie ten behoeve van de bestemmingsplanprocedure. Op basis van de bedrijfsplannen is gekeken in hoeverre in vergelijking met de aanwezige oppervlakte aanpassing hiervan nodig was. Hij heeft geen rekening gehouden met bebouwing die in het verleden aanwezig was. Voorzover in beroep is aangevoerd dat in het kader van de herstructurering van het terrein bebouwing is verwijderd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in zijn besluitvorming wat betreft de toegelaten maximale oppervlakte aan recreatiewoningen de in het geding zijnde belangen op een onevenwichtige wijze heeft afgewogen. In dit verband is van belang is dat ingevolge artikel 1, onder 42, van de planvoorschriften onder een recreatiewoning wordt verstaan een gebouw, geen woonkeet en geen stacaravan of een ander bouwwerk op wielen zijnde, dat uitsluitend een woning bevat, niet voor permanente bewoning is bestemd en dat gedurende het hele jaar gebuikt wordt voor recreatieve doeleinden. Uit dit voorschrift volgt dat de door appellante beoogde 20 nieuw te bouwen verhuurchalets niet onder het begrip recreatiewoning vallen zodat het al dan niet plaatsen van deze chalets niet afhangt van de op grond van de voorschriften maximaal toegestane grondoppervlakte van 2.700 m2. Ook het feit dat inmiddels nieuwe voorzieningen zijn aangelegd waardoor de maximum oppervlaktemaat reeds zou zijn bereikt, maakt dit oordeel niet anders. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen in het beroepschrift is aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft het plan in zoverre terecht goedgekeurd. Het beroep van Landgoed de Valouwe B.V. is in zoverre ongegrond. 2.25. Ook heeft Landgoed de Valouwe B.V. bezwaar tegen het plan voorzover daarin niet wordt voorzien in een groenstrook van meer dan 10 meter breed op gronden langs het plandeel met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid verblijfsrecreatie fase 2". Tenslotte is Landgoed de Valouwe B.V. van mening dat gronden aan de Lage Bergweg die al jaren in gebruik zijn als parkeerterrein als zodanig bestemd dienen te worden. 2.25.1. De gemeenteraad heeft aan de strook grond tussen de gronden van De Valouwe met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid fase 2" en de openbare weg en aan gronden aan de Lage Bergweg de bestemming "Bos en Natuurgebied" toegekend. 2.25.2. Verweerder acht deze delen van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft deze plandelen goedgekeurd. Hij heeft onder meer ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad dat een breedte van 10 meter in het concentratiegebied een gebruikelijke maat is. 2.25.3. De Afdeling ziet in hetgeen in het beroepschrift is aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid deze plandelen in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Niet is gebleken dat een groenstrook met een breedte van 10 meter onvoldoende is voor een goede landschappelijke inpassing van het recreatiebedrijf. Voorts staat het appellanten vrij de groenstrook te verbreden, zij het ten koste van de bestemming "Verblijfsrecreatie". Wat betreft de door appellanten gewenste bestemming voor de gronden aan de Lage Bergweg, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 3.4, eerste lid, onder h, van de planvoorschriften de gronden met de bestemming "Bos en Natuurgebied" mede zijn bestemd voor verkeersdoeleinden. Deze bestemming staat het gewenste gebruik dan ook niet in de weg. In hetgeen in het beroepschrift is aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft het plan in zoverre terecht goedgekeurd. Het beroep van Landgoed de Valouwe B.V. is in zoverre ongegrond. 2.26. Voorzover de Vereniging Natuurmonumenten e.a. opkomen tegen de onthouding van goedkeuring aan het plan wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden voor Bospark Beekbergen en De Valouwe, stelt de Afdeling voorop dat door de onthouding van goedkeuring aan deze bestemmingsregeling in zoverre aan de bezwaren van deze appellanten is tegemoet gekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan. De Afdeling vat het beroep van de Vereniging Natuurmonumenten e.a. daarom aldus op, dat zij zich er tegen verzetten dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd. Voorzover appellanten in dit verband hebben aangevoerd dat geomorfologische, landschappelijke en natuur waarden uitbreiding van beide terreinen in de weg staan, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij in de overwegingen onder 2.13 t/m 2.15.7 heeft overwogen. Deze bezwaren behoeven derhalve hier geen bespreking. Wat betreft de bedrijfseconomische noodzaak voor uitbreidingen ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van deze noodzaak heeft kunnen uitgaan. Verweerder heeft zich in zijn besluitvorming wat betreft dit punt gebaseerd op het Advies uitbreiding recreatiebedrijven Hoenderloo en Beekbergen van [adviesbureau B]. Niet is gebleken dat dit onderzoek zodanige gebreken vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren. In hetgeen appellanten in dit verband voor het overige hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Vereniging Natuurmonumenten e.a. is in zoverre ongegrond. Beroepen met betrekking tot camping De Pallieter 2.27. De Vereniging Natuurmonumenten e.a. en [appellanten sub 23] kunnen zich niet verenigen met het plan voorzover dit een uitbreiding van camping De Pallieter mogelijk maakt. Zij voeren daartoe aan dat van een bedrijfseconomische noodzaak niet is gebleken en dat de ter plaatse aanwezige landschappelijke en natuurlijke waarden zullen worden aangetast. [appellanten sub 23] vrezen in dit verband dat de uitbreidingsmogelijkheden een aantasting van het woongenot van omwonenden tot gevolg zal hebben. 2.27.1. De gemeenteraad heeft in het plan aan het bestaande campingterrein de bestemming "Verblijfsrecreatie" toegekend. De gronden met een omvang van 5 hectare ten zuiden hiervan die in eigendom zijn van het recreatiebedrijf, hebben de bestemming "Bos en natuurgebied" gekregen. Aan een deel daarvan is de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid verblijfsrecreatie fase 1" toegekend. 2.27.2. Verweerder heeft dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij heeft daarbij overwogen dat de bedrijfseconomische noodzaak voor een uitbreiding weliswaar aannemelijk is, maar dat een uitbreiding met 40 jaarplaatsen voor stacaravans geen wezenlijke verandering betekent in het reeds hoge aantal jaarplaatsen ten opzichte van het aantal toer- en seizoenplaatsen. Verweerder heeft in dit verband het belang van de regionale diversiteit van het aanbod zwaarder laten wegen dan de bedrijfseconomische noodzaak. 2.27.3. Zoals in overweging 2.26 reeds is overwogen kan in deze procedure ook de aan de onthouding van goedkeuring ten grondslag liggende motivering ter beoordeling staan. De Afdeling vat de beroepen van deze appellanten daarom aldus op, dat zij zich er tegen verzetten dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd. De Afdeling overweegt allereerst dat niet aannemelijk is geworden dat verweerder niet in redelijkheid van de noodzaak van een uitbreiding van de camping heeft kunnen uitgaan. Verder heeft verweerder ervan kunnen uitgaan dat een uitbreiding ter plaatse niet tot onevenredige aantasting van het woonklimaat ter plaatse zal leiden. Voorzover appellanten in dit verband hebben aangevoerd dat geomorfologische, landschappelijke en natuur waarden uitbreiding van de camping in de weg staan, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij in de overwegingen onder 2.13 t/m 2.15.7 heeft overwogen. Deze bezwaren behoeven derhalve hier geen bespreking. In hetgeen appellanten in dit verband voor het overige hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van de Vereniging Natuurmonumenten e.a. en [appellanten sub 23] in zoverre ongegrond. De beroepen met betrekking tot camping Groot Panorama 2.28. De Vereniging Natuurmonumenten e.a. en de Bewonersvereniging Immenberg menen dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend, voorzover daardoor de uitbreiding van Camping Groot Panorama mogelijk wordt gemaakt. De Vereniging Natuurmonumenten e.a. zijn van mening dat door de beoogde uitbreiding de verstoring van groot wild dat gebruik maakt van het nabij gelegen ecoduct Woeste Hoeve over de A1 zal toenemen. Zij betwisten voorts de gestelde bedrijfseconomische noodzaak voor uitbreiding. De Bewonersvereniging Immenberg is van mening dat geen sprake is van kwaliteitsverbetering bij de uitbreiding ten behoeve van toeristisch kamperen. Zij voert daartoe aan dat de gemeente Apeldoorn exploitatievergunningen verstrekt voor onbepaalde tijd waardoor de vergunning het karakter van een vrijbrief voor elke gewenste vorm van exploitatie wordt. Voorts betwijfelt zij of de camping vanwege zijn beperkte omvang op langere termijn bedrijfseconomisch rendabel is. 2.28.1. De gemeenteraad heeft aan de gronden van het bestaande campingterrein de bestemming "Verblijfsrecreatie" toegekend. Aan de gronden ten westen van de camping is de bestemming "Bos en natuurgebied" en voor een deel de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid verblijfsrecreatie fase 1" met de aanvullende aanduiding "TR 100%" toegekend. Door deze aanduiding is aangegeven dat deze gronden uitsluitend voor recreatief nachtverblijf in kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, mogen worden gebruikt. 2.28.2. Verweerder heeft dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij heeft overwogen dat uit de Ontwikkelingsvisie recreatieconcentratie Beekbergen e.o. blijkt dat de beoogde uitbreiding bedrijfseconomisch noodzakelijk is. Verweerder overweegt dat de vegetatiewaarde van het terrein, met name het zuidelijke deel daarvan, vrij hoog is onder meer in verband met de ligging in een trekroute van grof wild. Hij acht echter het beoogde gebruik ten behoeve van het toeristisch kamperen aanvaardbaar. 2.28.3. Uit de stukken en mede gezien het deskundigenverslag blijkt dat de bestaande camping een oppervlakte heeft van 3 hectare met daarop 105 jaarplaatsen voor stacaravans, 10-12 toeristische standplaatsen, 4 toeristische huurcaravans, 2 vakantiehuisjes en enige voorzieningen. De gronden waarop de beoogde uitbreiding is voorzien hebben een oppervlakte van 1 hectare. De eigenaar van het terrein wil deze gronden gebruiken ten behoeve van ongeveer 25 toeristische standplaatsen. Op de gronden die thans in gebruik zijn voor toeristische standplaatsen wil hij 12 huurcaravans plaatsen. Door deze maatregelen beoogt hij de verhouding tussen het aantal vaste en het aantal toeristische standplaatsen op zijn camping evenwichtiger te maken. Uit de Ontwikkelingsvisie recreatieconcentratie Beekbergen e.o. volgt dat de beoogde uitbreiding bedrijfseconomisch noodzakelijk is. Niet is gebleken dat deze conclusie onjuist is. Voorts is niet aannemelijk geworden dat dit onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van het besluit niet had mogen baseren. Mede gelet op het verhandelde ter zitting is niet aannemelijk geworden dat verweerder in dit geval niet in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgegaan dat de uitbreidingen een kwaliteitsimpuls met zich brengen. Wat betreft de vrees van appellanten dat de uitbreiding tot verstoring van de flora en fauna ter plaatse zal leiden, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij in de overwegingen onder 2.13 t/m 2.15.7 met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheden heeft overwogen. Deze bezwaren behoeven derhalve hier geen bespreking. Wat betreft het bezwaar van de Bewonersvereniging Immenberg met betrekking tot de exploitatievergunningen die door het gemeentebestuur worden afgegeven, overweegt de Afdeling dat deze vergunningen hier niet ter toetsing staan. In hetgeen appellanten in dit verband voor het overige hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan wat betreft de bestemmingsregeling voor de gronden van camping Groot Panorama niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat de beroepen van de Vereniging Natuurmonumenten e.a. en de Bewonersvereniging Immenberg in zoverre ongegrond zijn. Beroepen met betrekking tot Vakantiecentrum De Hertenhorst 2.29. [appellanten sub 3] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend, voorzover daardoor de uitbreiding van Vakantiecentrum De Hertenhorst mogelijk wordt gemaakt. Zij zijn onder meer van mening dat de bedrijfseconomische noodzaak daartoe ontbreekt en dat uitbreiding van de camping leidt tot schade aan de natuur. De Vereniging Natuurmonumenten e.a. en de Bewonersvereniging Immenberg kunnen zich eveneens niet verenigen met deze uitbreiding. Zij hebben als bezwaren aangevoerd dat de bedrijfseconomische noodzaak niet is aangetoond, geen sprake is van kwaliteitsverbetering en dat permanente bewoning en het zogeheten uitponden op het recreatieterrein aan uitbreiding in de weg staan. [appellanten sub 3] menen voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend, voorzover dat een uitbreiding van Vakantiecentrum De Hertenhorst mogelijk maakt in de onmiddellijke nabijheid van de hoogspanningsleiding van 150 kV. Appellanten vrezen dat het wonen en verblijven onder de hoogspanningsleiding gezondheidsrisico's meebrengt. 2.29.1. De gemeenteraad heeft aan de gronden die ten behoeve van het vakantiepark in gebruik zijn, de bestemming "Verblijfsrecreatie" toegekend. Aan de gronden aansluitend aan en ten noorden van het vakantiepark en ten oosten van de Kaapbergweg zijn de bestemming "Bos en natuurgebied" en de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid verblijfsrecreatie fase 2" met de aanvullende aanduiding "TR 100%" toegekend. Door deze aanduiding is aangegeven dat deze gronden uitsluitend voor recreatief nachtverblijf in kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans mogen worden gebruikt. Aan een deel van de gronden van Vakantiecentrum De Hertenhorst met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid verblijfsrecreatie fase 2" heeft de gemeenteraad de bestemming "Bos en natuurgebied", de (dubbel)bestemming "Leidingen" en de aanduiding "hoogspanningsleiding" toegekend. 2.29.2. Verweerder acht dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Hij heeft overwogen dat weliswaar uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat een bedrijfseconomische noodzaak op dit moment ontbreekt maar dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid aan dit criterium zal worden getoetst. 2.29.3. De gronden van De Hertenhorst hebben een oppervlakte van 22,5 hectare waarvan 19 hectare direct in gebruik is ten behoeve van het vakantiepark. Op het terrein zijn ongeveer 350 jaarplaatsen (stacaravans) en ongeveer 20 toeristische plaatsen en diverse voorzieningen aanwezig. De gronden waarop de beoogde uitbreiding is voorzien hebben een oppervlakte van ongeveer 2 hectare. Het recreatiebedrijf wenst op deze gronden een parkeerplaats aan te leggen en verder in te richten voor ongeveer 4 trekkershutten en toeristische plaatsen. Verweerder heeft zijn standpunt aangaande het bezwaar van appellanten betreffende het wonen en verblijven onder de hoogspanningsleiding gebaseerd op het onderzoek van de Gezondheidsraad, neergelegd in het rapport "Extreem laagfrequente elektromagnetische velden en gezondheid" uit 1992. In dit rapport wordt gesteld dat de resultaten van metingen en berekeningen aangeven dat in Nederland de veldsterkten in de woonomgeving veroorzaakt door hoogspanningslijnen en door huishoudelijke apparatuur van dezelfde orde van grootte zijn. Voorts wordt geconcludeerd dat er onvoldoende wetenschappelijke grond is om aan te nemen dat chronische blootstelling aan extreem laagfrequente elektromagnetische velden, zoals die voorkomen in de woon- en werkomgeving, nadelige effecten op de gezondheid veroorzaakt. Blijkens het deskundigenbericht hebben publicaties van latere datum, naar aanleiding van omvangrijke studies, de Gezondheidsraad geen aanleiding gegeven zijn conclusies hieromtrent te wijzigen. De Afdeling is niet gebleken dat het onderzoek van de Gezondheidsraad zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren. Wat betreft de bezwaren met betrekking tot permanente bewoning verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent eerder is overwogen in 2.18 en volgende naar aanleiding van de behandeling van de bezwaren betreffende artikel 4.6, eerste lid, onder f, van de planvoorschriften. Voorzover appellanten aanvoeren dat het zogeheten uitponden op het recreatieterrein aan uitbreiding in de weg staat, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het gebruik van de gronden zoals geregeld in het plan maar op het financiële beheer van de recreatieterreinen. Gelet daarop kan dit bezwaar niet in deze procedure aan de orde komen. Niet in geschil is dat geen bedrijfseconomische noodzaak bestaat De Hertenhorst uit te breiden. De Afdeling overweegt dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in de toekomst onder meer voldaan moet worden aan de voorwaarde dat de bedrijfseconomische noodzaak voor uitbreiding moet zijn aangetoond. Van belang in dit verband is dat uit de Ontwikkelingsvisie recreatieconcentratie Beekbergen e.o. blijkt dat de uitbreiding uit markttechnische overwegingen wel gewenst is. Ook in het rapport [adviesbureau B] wordt gesteld dat toevoeging van 100 toeristische plaatsen zal leiden tot een productverbreding en risicospreiding. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de beoogde uitbreiding niet kan worden aangemerkt als een kwaliteitsverbetering. Het plan voldoet derhalve aan het door verweerder terzake gevoerde beleid. Voorzover appellanten hebben aangevoerd dat door de uitbreiding de aanwezige natuurwaarden zullen worden aangetast, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij in de overwegingen onder 2.13 t/m 2.15.7 heeft overwogen. Deze bezwaren behoeven derhalve hier geen bespreking. 2.29.4. [appellanten sub 3] hebben voorts aangevoerd dat de illegale uitbreiding van De Hertenhorst in dit plan ten onrechte wordt gehonoreerd door daar de bestemming "Verblijfsrecreatie" toe te kennen. Voorts zijn zij van mening dat het in het plan toegestane aantal dienstwoningen op De Hertenhorst teruggebracht moet worden van drie naar twee. 2.29.5. Verweerder heeft de door de gemeenteraad getroffen regeling niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en deze planonderdelen goedgekeurd. Wat betreft de bestemmingsregeling voor de illegale uitbreiding heeft verweerder in aanmerking genomen dat hier sprake is van langdurig bestaand recreatief gebruik. 2.29.6. Uit het deskundigenbericht blijkt dat het perceel waarop het beroep van appellanten ziet de bestemming "Verblijfsrecreatie" heeft gekregen en één geheel vormt met de andere gronden van het vakantiepark ten oosten van de Kaapbergweg. In het vorige bestemmingsplan "Immenberg" was aan deze gronden de bestemming "Bos" toegekend. Bij de herziening van dat plan, dat in 1973 is goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten, is de bepaling met betrekking tot het overgangsrecht uit het plan geschrapt. Vaststaat dat het terrein in 1980 als recreatieterrein in gebruik is genomen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat het bestaand gebruik in dit geval als zodanig dient te worden bestemd. Hierbij is van belang dat niet aannemelijk is dat dit gebruik gedurende de planperiode zal worden beëindigd en dat van overwegende planologische bezwaren tegen dit gebruik niet is gebleken. Wat betreft het aantal bedrijfswoningen overweegt de Afdeling dat op de gronden van De Hertenhorst thans één dienstwoning aanwezig is. Uit artikel 3,9, derde lid, onder c, van de planvoorschriften in samenhang met de plankaart blijkt dat, anders dan appellanten stellen, op de gronden van De Hertenhorst niet meer dan één bedrijfswoning is toegestaan. Weliswaar kan op grond van artikel 3.9, vierde lid, onder g, van de planvoorschriften vrijstelling worden verleend teneinde het aantal dienstwoningen op verblijfsrecreatieve terreinen te vergroten, echter aan deze vrijstellingsbevoegdheid zijn een aantal voorwaarden verbonden waaronder het kunnen aantonen van de noodzaak voor een tweede of eventueel derde bedrijfswoning. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder deze voorwaarden ontoereikend had moeten achten. Voorzover [appellanten sub 3] hebben aangevoerd dat ten onrechte geen bredere groenstrook tussen het terrein van Vakantiecentrum De Hertenhorst en de Kaapbergweg is opgenomen, blijkt uit de stukken dat de in het plan opgenomen breedte in het concentratiegebied een gebruikelijke maat is. Niet is gebleken dat de in het plan voorziene groenstrook onvoldoende is voor een goede landschappelijke inpassing van het recreatiebedrijf. 2.29.7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemmingsregeling voor Vakantiecentrum de Hertenhorst niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft het plan in zoverre terecht goedgekeurd. De beroepen van [appellanten sub 3], de Vereniging Natuurmonumenten e.a. en de Bewonersvereniging Immenberg zijn in zoverre ongegrond. Het beroep met betrekking tot camping Reeëndal 2.30. [appellanten sub 24], eigenares van camping Reeëndal, heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte de bestemming "Verblijfsrecreatie" met de aanduiding "TR " (toeristische standplaatsen) die aan de gronden van de camping is toegekend, heeft goedgekeurd. Zij wenst dat deze gronden de bestemming "Kampeerterrein" krijgen. Dit zou naar haar mening uit het Koninklijk besluit van 2 mei 1977 volgen. Voorts wenst zij het aantal kampeerplaatsen te kunnen uitbreiden van 30 naar 40 en een stacaravan ter vervanging van de toercaravan van de beheerder te kunnen plaatsen. Appellante heeft verder bezwaar tegen de maximaal toegekende bebouwde oppervlakte van 50 m2, dit zou 100 m2 moeten zijn. 2.31. De gemeenteraad heeft in het plan aan de gronden van camping Reeëndal de bestemming "Verblijfsrecreatie" met de aanduidingen "TR 100%" en "0 DW" toegekend. 2.31.1. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan artikel 3.9, tweede lid, sub b, wat betreft de maximaal toegekende bebouwde oppervlakte van 50 m2 voor voorzieningen met betrekking tot camping Reeëndal omdat uit informatie van de gemeenteraad was gebleken dat abusievelijk 50 m2 in het voorschrift was opgenomen in plaats van 100 m2. Voor het overige heeft hij het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en dit plandeel goedgekeurd. 2.31.2. Nu verweerder goedkeuring heeft onthouden aan artikel 3.9, tweede lid, sub b, wat betreft de maximaal toegekende bebouwde oppervlakte van 50 m2 voor voorzieningen met betrekking tot camping Reeëndal, is in zoverre aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen. De gemeenteraad heeft op 20 december 1984 naar aanleiding van het Koninklijk besluit van 2 mei 1977, no. 52, de "7e partiele herziening van het bestemmingsplan Groenendaal" vastgesteld. Daarin is aan een deel van de gronden van de camping de bestemming "Kampeerterrein (met beperkte bebouwing)" en aan het andere deel de bestemming "Natuurgebied" met de aanduiding "kamperen toegestaan" toegekend. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de bestemming "Verblijfsrecreatie" met de aanduiding "TR 100%" een beperking betekent ten opzichte van de voorheen geldende bestemming. Voorts is niet gebleken dat het plan de door appellante gewenste verruiming van het aantal seizoensplaatsen in de weg staat. Voorzover verweerder heeft overwogen dat het plan de plaatsing van een stacaravan ter vervanging van de toercaravan van de beheerder mogelijk maakt, overweegt de Afdeling dat dit niet blijkt uit de voorschriften van het plan in samenhang met de aan de gronden toegekende aanduidingen "TR 100" en "0 DW". Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellanten sub 24] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voorzover daarin goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Verblijfsrecreatie" en de aanduiding "TR 100%" wat betreft de gronden van camping Reeëndal, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Het beroep met betrekking tot camping Klein Paradijs 2.32. [appellanten sub 16] hebben aangevoerd dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd voorzover dit niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor camping Klein Paradijs. 2.32.1. De gemeenteraad heeft aan het grootste gedeelte van de gronden van het recreatiebedrijf de bestemming "Verblijfsrecreatie" toegekend. Voor het overige hebben de gronden de bestemmingen "Bos en Natuurgebied" en "Woondoeleinden" gekregen. Hij heeft hierbij overwogen dat de bedrijfsvoering van de camping in hoge mate is gericht op verkoop van kavels waardoor de recreatieve functie in het gedrang komt. Een dergelijke ontwikkeling past niet in het streven de kwaliteit van het (toeristisch-) recreatieve product te verbeteren en wordt niet wenselijk geacht, aldus de gemeenteraad. 2.32.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Hij heeft overwogen dat de bedrijfseconomische plannen van Klein Paradijs nauwkeurig zijn beoordeeld op de bedrijfseconomische noodzaak, het geldende beleidskader en de mogelijke effecten voor natuur en landschap. 2.32.3. Uit de stukken blijkt dat appellanten in verband met plannen tot verbetering van de kwaliteit van het recreatiebedrijf zijn overgegaan tot herstructurering van het terrein waarbij door middel van kavelvergroting en herverkaveling het oorspronkelijke aantal van ongeveer 204 jaarplaatsen uiteindelijk zal worden teruggebracht naar ongeveer 153 jaarplaatsen. Zij wensen 30 nieuwe kavels te verwezenlijken op het terrein met de bestemming "Bos en Natuurgebied" om zodoende het aantal staanplaatsen gelijk te kunnen houden. Dit terrein heeft een omvang van 1,5 hectare. Voorzover appellanten hebben aangevoerd dat de herinrichting van het terrein tot grotere kavels zal leiden en derhalve tot kwaliteitsverbetering van het toeristisch recreatief product leidt, overweegt de Afdeling dat het provinciale beleid wat betreft uitbreidingen van recreatie, zoals nader toegelicht ter zitting, restrictief van aard is en hoofdzakelijk is gericht op het stimuleren van het toeristisch kamperen en op het tegengaan van 'meer van hetzelfde'. Zoals eerder is overwogen, is dit beleid niet onredelijk. Het plan is in zoverre in overeenstemming met het beleid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. Ten aanzien van de bedrijfseconomische noodzaak van de uitbreiding is in de Ontwikkelingsvisie recreatieconcentratie Beekbergen e.o. onder meer vermeld dat een gedegen bedrijfseconomische motivering voor een extra uitbreiding ontbreekt. Zoals hiervoor is overwogen is niet gebleken dat dit onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij de beoordeling van de uitbreidingsmogelijkheden zijn beleid niet consequent heeft toegepast. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet blijkt dat de omstandigheid dat op camping Klein Paradijs sprake is van het zogeheten uitponden van belang is geweest in de besluitvorming omtrent de bedrijfseconomische noodzaak voor uitbreiding. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemmingsregeling voor de gronden van camping Klein Paradijs in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft het bestreden plandeel dan ook terecht goedgekeurd. Het beroep van [appellanten sub 16] is in zoverre ongegrond. De beroepen met betrekking tot maatschappelijke doeleinden 2.33. [appellante sub 21] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3.10 van de planvoorschriften, voorzover onder dit voorschrift niet het huidige gebruik door de stichting Horeb van het perceel [locatie 1] valt. Daarnaast kan zij zich er niet mee verenigen dat de bebouwingsmogelijkheden op het perceel [locatie 1] zijn verkleind ten opzichte van het geldende plan. 2.33.1. De gemeenteraad heeft voor het perceel [locatie 1] geen uitbreidingsmogelijkheden opgenomen in verband met het gemeentelijke en provinciale beleid. 2.33.2. Verweerder heeft het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en kan instemmen met het standpunt van de gemeenteraad hieromtrent. 2.33.3. Blijkens de statuten heeft stichting Horeb tot doel: a. te voorzien in de behoefte aan therapeutische begeleiding naar Bijbelse normen aan mensen in nood, bijvoorbeeld veroorzaakt door een verslavingsprobleem of door psychosociale problemen; b. te voorzien in de behoefte aan therapeutische begeleiding naar Bijbelse normen, onder meer door het oprichten en in stand houden van voorzieningen voor het verlenen van arbeidstherapie of een zinvolle dagbesteding dan wel voor scholing; c. het onderhouden van een therapeutische woon- en leefgemeenschap ten behoeve van de onder a. bedoelde personen. De activiteiten die appellante ter plaatse verricht zijn er feitelijk op gericht haar statutaire doel te verwezenlijken. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 22 mei 2001, nummer 200004149/1 (aangehecht), valt het huidige gebruik van de stichting Horeb, zoals hierboven omschreven, onder de bestemming "Maatschappelijke doeleinden". Gelet op het vorenstaande mist het beroep van [appellante sub 21] in zoverre feitelijke grondslag. 2.33.4. Verder overweegt de Afdeling dat het gemeentelijke en provinciale beleid is gericht op het tegengaan van verdere expansie van niet aan het buitengebied gebonden functies en daarmee op het voorkomen van bebouwing in het bosgebied. Dit beleid komt de Afdeling in beginsel niet onredelijk voor. Verweerder heeft de fixatie van de bebouwing in overeenstemming kunnen achten met dit beleid. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen. De omstandigheid dat de bebouwingsmogelijkheden op het perceel [locatie 1] ten opzichte van het geldende plan beperkt zijn, dient niet te gelden als een zodanige omstandigheid. Evenmin de omstandigheid dat appellante op 11 juni 1998 een bouwvergunning voor uitbreiding heeft aangevraagd. Hiertoe overweegt de Afdeling dat het college van burgemeester en wethouders deze hebben afgewezen in verband met het ontbreken van een grondonderzoek. Niet is gebleken dat appellante een nieuwe aanvraag had ingediend ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. 2.34. [appellant sub 9], [appellant sub 11] en [appellanten sub 23] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover daarbij de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" is toegekend aan het perceel [locatie 1]. Zij stellen dat de bestemming te ruim is en ten onrechte een verruimi