(2001)van de gemeente Kerkrade (hierna: de APV) is het verboden een horeca-inrichting te exploiteren zonder vergunning van het bevoegd orgaan. Ingevolge artikel 2.3.4.10 van de APV – voor zover hier van belang – wordt een vergunning door het bevoegd orgaan geweigerd indien de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het geldend bestemmingsplan. 2.
- Niet in geschil is dat het perceel van appellanten gelegen aan de [locatie] te [plaats] valt onder het bestemmingsplan "Beitel-Locht" (hierna: het bestemmingsplan), dat ingevolge dit bestemmingsplan het perceel de bestemming bedrijfswoningbouw heeft en voorts dat aan toetsing aan de criteria inzake het coffeeshopbeleid niet meer wordt toegekomen als een aanvraag reeds op grond van de bepalingen in de APV niet voor toewijzing in aanmerking komt. 2.
- De vestiging van een horecaonderneming in het pand aan de [locatie] te [plaats] is in strijd met het bestemmingsplan, terwijl voor gebruik in afwijking van de bestemming niet de benodigde vrijstelling is verleend. Gelet hierop staat artikel 2.3.4.10 van de APV reeds aan verlening van de door appellanten gevraagde vergunning in de weg. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de burgemeester de vergunning terecht heeft geweigerd. Voor hetgeen appellanten terzake van de mogelijkheid vrijstelling te verlenen hebben aangevoerd, verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van heden inzake nr. 200206957/1 waarin het hoger beroep van appellanten zich tegen de weigering vrijstelling te verlenen van de bestemmingsplanvoorschriften richt. Hetgeen appellanten hebben betoogd omtrent de periode waarin de coffeshop is gedoogd en de daardoor bij hen ontstane verwachtingen kan, wat daar ook van zij, er niet toe leiden dat een gedoogbeschikking zou worden afgegeven voor een coffeeshop gevestigd in een pand waarvoor geen vergunning ingevolge de APV is verleend. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat. w.g. Van den Brink w.g. Matulewicz Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003 395.