(1992)(hierna: DIN-norm). In de DIN-norm wordt als toelichting op deze berekeningswijze vermeld dat invoering van de waarden £ 0,1 als 0 noodzakelijk is om een ongewenste invloed van waarden onder of rond de detectiegrens van 0,1 te voorkomen. Verweerder is in voorschrift I.1 in die zin van deze methodiek afgeweken dat bij de berekening van Vper waarden voor Veff,max,30,i £ 0,18 als 0 worden ingevoerd. De Afdeling concludeert uit het tweede deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, gedateerd 6 februari 2003, dat dit daartoe leidt dat bij de berekening van Vper waarden tussen 0,1 en 0,18, welke waarden boven de detectiegrens liggen, niet worden meegewogen bij de bepaling van het trillinghinderniveau. Verweerder heeft in zijn reactie op voormeld deskundigenbericht gesteld met deze berekeningswijze te beogen dat het continue trillingniveau van de berekening wordt uitgesloten en alleen de pieken daarin worden betrokken. Deze opvatting ten aanzien van de functie van Vper valt naar het oordeel van de Afdeling niet terug te voeren op SBR-richtlijn 2 dan wel op de DIN-norm. De Afdeling is van oordeel dat verweerder niet toereikend heeft gemotiveerd dat toepassing van de gekozen normstellingssystematiek ertoe leidt dat trillinghinder in voldoende mate wordt beperkt. Voorts heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de in voorschrift I.1 opgenomen normering, wat er overigens ook zij van de berekeningswijze voor Vper, toereikend is ter bescherming van het milieu, gelet op de in dit voorschrift opgenomen waarde voor A
- De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de trillinghindernormering in de onderliggende vergunning op alle punten aanzienlijk scherper was, dat niet is gebleken van bestaande rechten met betrekking tot de nu vergunde, trillinghinder veroorzakende activiteiten en dat op de tweede zitting is komen vast te staan dat vergunninghoudster over de mogelijkheid beschikt de activiteit die de meeste trillinghinder veroorzaakt, namelijk het breken, elders te doen plaatsvinden. Derhalve moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. 2.
- Nu het trillinghinderaspect doorslaggevend is voor de beantwoording van de vraag of de vergunning, zoals aangevraagd, kan worden verleend, is het beroep van appellanten geheel gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. 2.
- Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 18 december 2001, CD 9343; III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 104,34; het bedrag dient door de provincie Limburg te worden betaald aan appellanten; IV. gelast dat de provincie Limburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.J. Overdijk, ambtenaar van Staat. w.g. Drupsteen w.g. Overdijk Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003 320.