← Nederland

ECLI:NL:RVS:2003:AH9396

200201802/

  1. Datum uitspraak: 9 juli 2003 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. de stichting “Stichting Waterscouting Roermond”, gevestigd te Roermond, (hierna te noemen: Stichting Waterscouting Roermond),
  3. [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],
  4. [appellante sub 3], wonend te [woonplaats],
  5. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],
  6. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],
  7. het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas, gevestigd te Sittard,
  8. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],
  9. [appellante sub 8], wonend te [woonplaats],
  10. het college van burgemeester en wethouders van Cuijk,
  11. de besloten vennootschap “De Maasterp BV”, gevestigd te Heijen, en de besloten vennootschappen “Schroevendaalse Plas BV” en “Dilkensplas BV” (hierna te noemen: De Maasterp BV en andere),
  12. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats], en anderen,
  13. [appellante sub 12] gevestigd te [plaats], en andere,
  14. de stichting “Stichting Ruimte”, gevestigd te Roermond (hierna te noemen: Stichting Ruimte),
  15. [appellant sub 14], wonend te [woonplaats],
  16. de besloten vennootschap “Essent Netwerk Limburg B.V.” gevestigd te Landgraaf (hierna te noemen: Essent Netwerk B.V.),
  17. [appellant sub 16, wonend te [woonplaats], en andere,
  18. [appellant sub 17], wonend te [woonplaats],
  19. het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Beuningen,
  20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Océ-Technologies B.V.”, gevestigd te Venlo (hierna te noemen: Océ-Technologies B.V.),
  21. het college van burgemeester en wethouders van Maasbree,
  22. [appellanten sub 21], wonend te [woonplaats], en andere,
  23. [appellante sub 22], wonend te [woonplaats],
  24. het Recreatieschap Nijmegen en omstreken, gevestigd te Nijmegen,
  25. [appellant sub 24], wonend te [woonplaats],
  26. [appellant sub 25], wonend te [woonplaats],
  27. [appellant sub 26], wonend te [woonplaats],
  28. [appellant sub 27], gevestigd te [plaats],
  29. [appellant sub 28], gevestigd te [plaats],
  30. [appellant sub 29], wonend te [woonplaats],
  31. [appellant sub 30] wonend te [woonplaats], en anderen,
  32. [appellant sub 31], wonend te [woonplaats], en andere,
  33. [appellante sub 32], wonend te [woonplaats],
  34. [appellanten sub 33], wonend te [woonplaats], en andere,
  35. [appellant sub 34],
  36. [appellant sub 35], wonend te [woonplaats],
  37. [appellant sub 36], wonend te [woonplaats],
  38. [appellant sub 37], wonend te [woonplaats],
  39. de stichting “Stichting Afdelingscommissie Belletable”, gevestigd te Venlo (hierna te noemen: Stichting Afdelingscommissie Belletable),
  40. de vereniging “Watersportvereniging “De Maas””, gevestigd te Venlo (hierna te noemen: Watersportvereniging “De Maas”),
  41. het college van burgemeester en wethouders van Arcen en Velden,
  42. het dagelijks bestuur van het Waterschap de Aa, gevestigd te Boxtel,
  43. de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid “Buurtvereniging Voulwames”, gevestigd te Bunde (hierna te noemen: Buurtvereniging Voulwames),
  44. de besloten vennootschappen “Camping Eldorado Mook BV”, gevestigd te Mook en Middelaar, en “Jachthaven Eldorado Mook BV” (hierna te noemen: Camping Eldorado Mook B.V. en andere),
  45. [appellanten sub 44], wonend te [woonplaats], en andere,
  46. [appellant sub 45], wonend te [woonplaats],
  47. [appellant sub 46], wonend te [woonplaats], en andere,
  48. [appellant sub 47], wonend te [woonplaats],
  49. de besloten vennootschappen “Rekreatiepark Leukermeer B.V.”, gevestigd te Well, en “Groepsaccommodatie/Waterrecreatie Bergerheide B.V.“ (hierna te noemen: Rekreatiepark Leukermeer B.V. en andere),
  50. [appellant sub 49], wonend te [woonplaats],
  51. [appellant sub 50], wonend te [woonplaats],
  52. [appellant sub 51], wonend te [woonplaats],
  53. de stichting “Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas”, gevestigd te Geulle (hierna te noemen: Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas),
  54. de vereniging “Buurtvereniging St. Johannes Nepomucenus Ool”, gevestigd te Ool (hierna te noemen: Buurtvereniging St. Johannes Nepomucenus Ool),
  55. [appellant sub 54], wonend te [woonplaats],
  56. [appellant sub 55], wonend te [woonplaats],
  57. [appellant sub 56], wonend te [woonplaats], en andere,
  58. [appellant sub 57], wonend te [woonplaats],
  59. het college van burgemeester en wethouders van Heel,
  60. het college van burgemeester en wethouders van Bergen,
  61. het college van burgemeester en wethouders van Stein,
  62. [appellante sub 61, gevestigd te [plaats],
  63. de dijkstoel van het Waterschap de Maaskant, gevestigd te Oss,
  64. het college van burgemeester en wethouders van Haelen,
  65. het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,
  66. het algemeen bestuur van het Waterschap Peel en Maasvallei, gevestigd te Venlo,
  67. [appellant sub 66], wonend te [woonplaats],
  68. [appellant sub 67], wonend te [woonplaats],
  69. [appellant sub 68], wonend te [woonplaats],
  70. [appellant sub 69], wonend te [woonplaats],
  71. [appellant sub 70], wonend te [woonplaats],
  72. [appellant sub 71], wonend te [woonplaats], en andere,
  73. [appellant sub 72, wonend te [woonplaats], en anderen,
  74. [appellant sub 73], wonend te [woonplaats], en andere,
  75. [appellant sub 74], wonend te [woonplaats],
  76. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
  77. het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,
  78. het college van burgemeester en wethouders van Roermond,
  79. het college van burgemeester en wethouders van Meerssen,
  80. [appellante sub 79], gevestigd te [plaats],
  81. het dagelijks bestuur van het Waterschap de Dommel, gevestigd te Boxtel,
  82. [appellante sub 81], gevestigd te [plaats],
  83. [appellant sub 82], gevestigd te [plaats],
  84. [appellant sub 83], wonend te [woonplaats],
  85. [appellant sub 84], wonend te [woonplaats],
  86. [appellant sub 85], wonend te [woonplaats],
  87. de besloten vennootschap “Steelhaven B.V.”, gevestigd te Roermond (hierna te noemen: Steelhaven B.V.),
  88. de stichting “Stichting Lomm Actief”, gevestigd te Lomm, de stichting “Stichting Milieufederatie Limburg”, de stichting “Stichting Het Limburgs Landschap”, de vereniging “Vereniging voor Natuurmonumenten” en de vereniging “Natuur en Milieuvereniging Strix Aluco” (hierna te noemen: Stichting Lomm Actief en andere),
  89. [appellant sub 88], wonend te [woonplaats],
  90. [appellant sub 89], wonend te [woonplaats], en andere,
  91. de stichting “Stichting Beheer Osen”, gevestigd te Oosterbeek (hierna te noemen: Stichting Beheer Osen),
  92. [appellant sub 91], wonend te [woonplaats], en andere,
  93. [appellant sub 92], gevestigd te [plaats],
  94. [appellant sub 93], wonend te [woonplaats],
  95. [appellant sub 94], gevestigd te [plaats],
  96. [appellant sub 95], wonend te [woonplaats],
  97. [appellant sub 96], wonend te [woonplaats],
  98. [appellant sub 97], wonend te [woonplaats],
  99. [appellant sub 98], gevestigd te [plaats],
  100. [appellant sub 99], wonend te [woonplaats],
  101. [appellant sub 100], wonend te [woonplaats],
  102. [appellant sub 101], wonend te [woonplaats],
  103. [appellant sub 102], wonend te [woonplaats],
  104. de verenigingen “Zuidelijke Land- en tuinbouworganisatie”, gevestigd te Tilburg, en “Gewestelijke Land- en tuinbouworganisatie” (hierna te noemen: de ZLTO en GLTO) appellanten, en
  105. de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
  106. provinciale staten van Limburg, verweerders.
  107. Procesverloop De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, (hierna te noemen: de Staatssecretaris) heeft op grond van artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet op 12 maart 2002 vastgesteld het Tracébesluit Zandmaas/Maasroute (hierna te noemen: het tracébesluit). Bij besluit van 1 februari 2002 hebben provinciale staten van Limburg (hierna te noemen: provinciale staten) vastgesteld het Provinciaal Omgevingsplan Limburg, Aanvulling Zandmaas (hierna te noemen: het streekplan). Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het tracébesluit en/of het streekplan. Bij brief van 30 september 2002 hebben de Staatssecretaris en provinciale staten een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 november
  108. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11, 14, 18 en 21 maart 2003, waar appellanten in persoon zijn verschenen of zich hebben doen vertegenwoordigen. Appellanten De Maasterp BV en andere, Buurtvereniging St. Johannes Nepomucenus Ool, [appellant sub 17], [appellanten sub 54], [appellant sub 37], [appellante sub 3], [appellanten sub 47], Stichting Waterscouting Roermond, [appellante sub 81], Essent Netwerk B.V., [appellant sub 92], het college van burgmeester en wethouders van Haelen, [appellant sub 83], het college van burgemeester en wethouders van Maasbree, [appellant sub 36], [appellanten sub 33], [appellante sub 22], [appellanten sub 21], Océ-Techologies B.V., [appellant sub 82], [appellanten sub 71] , [appellant sub 28], [appellant sub 93], [appellant sub 27], [appellant sub 95], [appellant sub 26], [appellanten sub 73]r, [appellant sub 5], [appellant sub 25], [appellant sub 34], [appellant sub 24], [appellant sub 85], [appellant sub 102], [appellanten sub 46], [appellant sub 84], [appellant sub 100], [appellant sub 29], het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel en [appellant sub 45] zijn, al dan niet met bericht van verhindering, niet verschenen. Ook de Staatssecretaris en provinciale staten hebben zich doen vertegenwoordigen.
  109. Overwegingen 2.
  110. Doelstelling van het project 2.1.
  111. Bij uitwerking van het project Zandmaas/Maasroute worden drie doelen nagestreefd: hoogwaterstandsverlaging, vaarwegverbetering en in beperkte mate natuurontwikkeling. Deze hoofddoelen zijn deels in het tracébesluit en deels in het streekplan uitgewerkt. Alle te nemen maatregelen voor verbetering van de scheepvaartroute zijn opgenomen in het tracébesluit. De maatregelen voor het bereiken van de hoogwaterstandsverlaging en natuurontwikkeling zijn slechts ten dele opgenomen in het tracébesluit. De overige maatregelen zijn in het streekplan opgenomen. Met deze maatregelen, zoals opgenomen in het tracébesluit en in het streekplan, wordt in het Zandmaasgebied ongeveer 95% van de beschermingsdoelstelling gerealiseerd en voor natuurontwikkeling is voorzien in een oppervlak van 570 ha. 2.
  112. Gevoegde behandeling en opzet van de uitspraak 2.2.
  113. Gelet op de samenhang tussen het tracébesluit en het streekplan, zoals onder 2.1.
  114. weergegeven, als gevolg waarvan ook een aantal beroepschriften is gericht tegen zowel het tracébesluit als het streekplan, ziet de Afdeling aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen tegen het tracébesluit en het streekplan worden gevoegd behandeld. In de uitspraak komt dit tot uitdrukking doordat bij ieder beroepschrift is aangegeven of dit is gericht tegen het tracébesluit, tegen het streekplan of tegen beide. Deze uitspraak is voorts als volgt opgezet. Na algemene overwegingen met betrekking tot het tracébesluit en het streekplan is een aantal algemene overwegingen naar aanleiding van bezwaren, die meermalen naar voren zijn gebracht, opgenomen. Voorts worden de bezwaren behandeld die betrekking hebben op meerdere tracédelen. Tenslotte worden de aangevoerde bezwaren ten aanzien van één tracédeel behandeld, waarbij zoveel mogelijk een volgorde van zuid naar noord wordt aangehouden, beginnend bij Limmel (tracédeel 3) en eindigend bij Hedel (tracédeel 13). Aangezien de algemene aspecten van de bezwaren worden behandeld in het algemene deel van deze uitspraak, wordt als uitgangspunt genomen dat deze aspecten niet wederom behandeld worden bij de beroepen per tracédeel. Daar wordt waar nodig verwezen naar het algemene deel. Dit is slechts anders indien in de omstandigheden van het concrete geval aanleiding wordt gevonden aanvullend in te gaan op een zodanig bezwaar. 2.
  115. Het tracébesluit 2.3.
  116. In de jaren negentig zijn verkenningen gedaan naar de modernisering van de Maas als vaarweg, in samenhang met het Maas-Waalkanaal, het Lateraalkanaal en het Julianakanaal. Doel hiervan was om te bezien op welke wijze de Maas geschikt zou kunnen worden gemaakt voor tweebaksduwstellen en grotere schepen (deelproject Maasroute). Na de modernisering kan de Maasroute een volwaardig onderdeel worden van het Europese vaarwegennet waar het deel van uitmaakt. De plannen voor verbetering van de vaarweg zijn in 1995 gecombineerd met de plannen voor de verbetering van de hoogwaterbescherming tot het project Zandmaas/Maasroute. Niet alleen richten de plannen zich op hetzelfde gebied, ook inhoudelijk vertonen zij samenhang en onderlinge afhankelijkheid. In het standpunt van de Staatssecretaris met betrekking tot het project Zandmaas/Maasroute dat in het kader van de tracéwetprocedure op 9 oktober 2000 aan de Tweede Kamer van de Staten-Generaal is gezonden wordt voor het deelproject Zandmaas een onderscheid gemaakt tussen een pakket maatregelen waarvoor thans gelden beschikbaar zijn (Pakket I) en een pakket maatregelen waarvoor nog geen gelden beschikbaar zijn, waarbij het gaat om extra waterstandsverlagende en natuurontwikkelingsmaatregelen (Pakket II). 2.3.
  117. Het tracébesluit omvat een pakket maatregelen, waarmee wordt beoogd: - het verbeteren van het traject Weurt-Ternaaien van de Maasroute tot klasse Vb waarbij de vaarroute minimaal geschikt is voor schepen met een diepgang van 3,5 meter, - het gedeeltelijk realiseren van een beschermingsniveau langs de onbedijkte Maas van 1:250 achter de kaden, - en het gedeeltelijk realiseren van natuurontwikkeling langs de Maas. De concrete maatregelen met betrekking tot het deelproject Maasroute betreffen onder meer de aanpassing van sluizen, bruggen en kolken, het verbreden van het Julianakanaal en peilopzet. De concrete maatregelen met betrekking tot het deelproject Zandmaas betreffen onder meer zomerbedverdieping, aanleg van hoogwatergeulen, aankoop oeverstroken, realiseren van bergingslocaties en peilopzet. 2.3.
  118. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet, voor zover hier relevant, stelt de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, het tracé vast onder opgave van redenen en met een toelichting op dat tracé. Het zesde lid bepaalt dat, voor zover het tracébesluit in strijd is met een bestemmingsplan, het tracébesluit geldt als vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Ingevolge het negende lid is de gemeenteraad verplicht binnen een jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden het bestemmingsplan overeenkomstig het tracébesluit vast te stellen of te herzien. Ingevolge het eerste lid van artikel 20 van de Tracéwet, voor zover hier relevant, dient de Minister van Verkeer en Waterstaat, indien voor de aanleg van een hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 2 bij of krachtens de wet een vergunning van een orgaan van een provincie, van een regionaal openbaar lichaam, van een gemeente, van een Waterschap of enig ander publiekrechtelijk lichaam, niet zijnde het Rijk, is vereist met betrekking tot de inrichting of het gebruik van grond, daaronder begrepen water, welke is benodigd voor die aanleg of wijziging, de aanvraag niet eerder in dan twee jaren voorafgaande aan het tijdstip waarop blijkens het meerjarig uitvoeringsprogramma, bedoeld in artikel 18, eerste lid, met die aanleg of wijziging zal worden begonnen. Ingevolge het tweede lid van artikel 20 van de Tracéwet bevordert de Minister van Verkeer en Waterstaat een gecoördineerde voorbereiding van de besluiten op de aanvragen om de vergunningen en van de overige ambtshalve te nemen besluiten met het oog op de uitvoering van het besluit. Het twaalfde lid, voor zover hier relevant, bepaalt dat, indien tegen het ontwerp van een in het eerste lid bedoeld besluit bedenkingen naar voren kunnen worden gebracht, deze bedenkingen geen grond kunnen vinden in bedenkingen tegen het tracébesluit. Ingevolge artikel 25c van de Tracéwet, voor zover hier relevant, kan, indien tegen een in artikel 20, tweede lid, bedoeld besluit beroep kan worden ingesteld, dat beroep geen grond vinden in bedenkingen tegen het tracébesluit. 2.3.
  119. De Afdeling stelt vast dat sedert de wijziging van de Tracéwet van 6 september 2000 (Stb. 396), in werking getreden op 15 oktober 2000, geen nadere planologische besluitvorming nodig is alvorens tot uitvoering van een tracébesluit over te gaan. Derhalve kunnen, eventueel met toepassing van artikel 20, tweede lid, van de Tracéwet, vergunningen worden aangevraagd en verleend, en kan met de aanleg van het tracé worden begonnen. Nu het tracébesluit geldt als uitvoeringsbesluit, is de Afdeling van oordeel dat het ook als zodanig moet worden getoetst. In dit verband is tevens van belang dat, gelet op het bepaalde in artikel 20, twaalfde lid, en artikel 25c van de Tracéwet, de bedenkingen dan wel beroepen tegen de in artikel 20, eerste lid, bedoelde vergunningen niet hun grondslag kunnen vinden in bedenkingen tegen het tracébesluit. Dit neemt overigens niet weg dat, zoals ook uit de ontstaansgeschiedenis van de wijziging van de Tracéwet (Kamerstukken II, 1998/1999, 26 343, nr. 3, p. 10 en p. 14) blijkt, in ieder geval tegen de in evenbedoelde vergunningen opgenomen voorschriften voor zover die niet in het tracébesluit zelf aan de orde zijn geweest bedenkingen kunnen worden ingebracht dan wel beroep kan worden ingesteld. Gelet op het vorenstaande zal de Afdeling bij de beoordeling van de individuele beroepen steeds bezien in hoeverre de in het tracébesluit voorziene maatregelen in redelijkheid in het tracébesluit hadden kunnen worden opgenomen. 2.3.
  120. Ten aanzien van eventueel optredende schade heeft de Staatssecretaris in onderdeel 9 (Rechtsbescherming en schaderegeling) van het tracébesluit gewezen op de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat
  121. 2.
  122. Het streekplan 2.4.
  123. Het streekplan vormt de nadere invulling van het beleid voor het noordelijke Maasdal. Met het streekplan wordt uitvoering mogelijk gemaakt van de ingrepen ter bescherming tegen hoogwater en enkele natuurontwikkelingsprojecten. De volgende ingrepen komen aan bod: - kadeaanleg bij de bevolkingsconcentraties Roermond, Venlo en Gennep- Middelaar; - realisatie van het retentiegebied Lateraalkanaal west voor vasthouden van water tijdens hoge afvoeren; - realisatie van een beperkte natuurontwikkeling in de vorm van een natuurlijke afwerking van de aangelegde hoogwatergeulen, de gerealiseerde weerdverlagingen en de uitvoering van activiteiten gericht op de totstandkoming van natuurlijke oevers, het natuurontwikkelingsgebied Heukelomse beek en de aankoop van gronden voor nevengeulen. 2.4.
  124. Ingevolge artikel 4a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier van belang, kunnen provinciale staten voor één of meer gedeelten of voor het gehele gebied der provincie een streekplan vaststellen, waarin de toekomstige ontwikkeling van het in het plan begrepen gebied in hoofdlijnen wordt aangegeven, alsmede een vastgesteld streekplan herzien. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, gelezen in samenhang met artikel 56, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan door eenieder beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingesteld tegen een concrete beleidsbeslissing, een herziening of een intrekking daarvan, opgenomen in een streekplan. Ingevolge artikel 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt onder een concrete beleidsbeslissing verstaan een als zodanig door het bestuursorgaan aangegeven besluit in een planologische kernbeslissing, een streekplan of een regionaal structuurplan. Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt in een streekplan een concrete beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en herkenbaar aangegeven. Uit deze bepalingen volgt dat de Afdeling met betrekking tot een vastgesteld of herzien streekplan slechts bevoegd is te oordelen over beroepen die zijn gericht tegen daarin vervatte concrete beleidsbeslissingen. Indien een beroep is gericht tegen een niet door het bestuursorgaan als concrete beleidsbeslissing aangegeven onderdeel van een streekplan, is het niet gericht tegen een concrete beleidsbeslissing in de zin van artikel 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening; de Afdeling is onbevoegd van zo’n beroep kennis te nemen. Indien een beroep ertoe strekt dat een beleidsuitspraak van het bestuursorgaan dat een streekplan kan vaststellen als een concrete beleidsbeslissing in een streekplan had moeten worden opgenomen, moet dit beroep worden opgevat als een beroep tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen. De Afdeling overweegt daaromtrent dat uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Kamerstukken II, 1996/1997, 25 311, nr. 3, p. 13-15 en nr. 6, p. 43-45) blijkt dat de wetgever de bevoegdheid om te beslissen welke beleidsuitspraken als een concrete beleidsbeslissing moeten worden gezien, bewust uitsluitend aan het bestuursorgaan dat het plan vaststelt, heeft willen toekennen. Daarmee werd beoogd te voorkomen dat een rechter in beroep aan beleidsuitspraken de status van “concrete beleidsbeslissing” zou kunnen toekennen, waar het vaststellend bestuursorgaan niet voor die status heeft gekozen. In verband hiermee is de beroepsmogelijkheid inzake de vaststelling of herziening van een streekplan uitdrukkelijk beperkt tot de in dit plan door het bestuursorgaan als zodanig aangegeven concrete beleidsbeslissingen. Alle overige onderdelen van een streekplan zijn op de bij artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht behorende zogenoemde negatieve lijst geplaatst en daarmee van de mogelijkheid tot het instellen van beroep uitgesloten. Voor zover ingevolge artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht de schriftelijke weigering om een besluit te nemen voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld, overweegt de Afdeling dat dit artikel ten aanzien van de weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen, toepassing mist. Toepassing van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, stuit af op de hiervoor gebleken bedoeling van de wetgever bij de totstandkoming van de artikelen 1 en 54, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Dit betekent dat de uitzondering van de concrete beleidsbeslissing in de negatieve lijst beperkt dient te worden opgevat. Deze heeft geen betrekking op de weigering een concrete beleidsbeslissing te nemen. Indien derhalve een beroep is gericht tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen, is de Afdeling onbevoegd van zo’n beroep kennis te nemen. Nu de rechtbank op grond van artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht evenmin bevoegd is om als administratieve rechter kennis te nemen van dergelijke beroepen, worden deze beroepen niet met toepassing van artikel 6:15 van deze wet doorgezonden. 2.4.
  125. In het streekplan zijn de volgende concrete beleidsbeslissingen opgenomen: * De provincie besluit kaden en in- en uitlaatwerken aan te leggen voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west conform de in dit POL Zandmaas beschreven richtlijnen (tabel 3.1) en zoals op kaart 6 en 7 van de Kaartenatlas POL Zandmaas is weergegeven. * Voor Roermond: Gelet op de overwegingen zoals deze in de hoofdstukken 1, 2 en 3 van dit kadeplan zijn opgenomen wijst de provincie trajecten aan voor de aanleg en/of verhoging van kaden. De provincie stelt daarbij ook vast: de hoogte van de kaden ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP), het type constructie, het maximale ruimtebeslag en eventuele andere randvoorwaarden. De trajecten die aangewezen worden, zijn weergegeven in: - voor de kadetracés: het ruimtebeslag zoals dat is weergegeven op kaartbladen 10 en 11, Kaartenatlas POL Zandmaas; - voor de nieuwe kadehoogten ten opzichte van NAP: de tabellen 3.1 tot en met 3.7, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 3.1 tot en met 3.5; - voor de constructietypen: de constructietypen zoals weergegeven op de kaartbladen 10 en 11, Kaartenatlas POL Zandmaas en de tabellen 3.1 tot en met 3.7, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 3.1 tot en met 3.5; - de onderdelen 2 (deels), 3, 4, en 5 (deels) van het kadevak 50.740 ter plaatse van het bestemmingsplan Oolderveste vallen niet onder de cbb. Voor Venlo: Gelet op de overwegingen zoals deze in de hoofdstukken 1, 2 en 4 van dit kadeplan zijn opgenomen wijst de provincie trajecten aan voor de aanleg en/of verhoging van kaden. De provincie stelt daarbij ook vast: de hoogte van de kaden ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP), het type constructie, het maximale ruimtebeslag en eventuele andere randvoorwaarden. De trajecten die aangewezen worden, zijn weergegeven in: - voor de kadetracés: het ruimtebeslag zoals dat is weergegeven op kaartbladen 12 en 13, Kaartenatlas POL Zandmaas; - voor de nieuwe kadehoogten ten opzichte van NAP: de tabellen 4.1 tot en met 4.5, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 4.1 tot en met 4.6; - voor de constructietypen: de constructietypen zoals weergegeven op de kaartbladen 12 en 13, Kaartenatlas POL Zandmaas en de tabellen 4.1 tot en met 4.5, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 3.1 tot en met 3.6; Voor Gennep-Middelaar: Gelet op de overwegingen zoals deze in de hoofdstukken 1, 2 en 5 van dit kadeplan zijn opgenomen wijst de provincie trajecten aan voor de aanleg en/of verhoging van kaden. De provincie stelt daarbij ook vast: de hoogte van de kaden ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP), het type constructie, het maximale ruimtebeslag en eventuele andere randvoorwaarden. De trajecten die aangewezen worden, zijn weergegeven in: - voor de kadetracés: het ruimtebeslag zoals dat is weergegeven op kaartbladen 14 tot en met 18, Kaartenatlas POL Zandmaas; - voor de nieuwe kadehoogten ten opzichte van NAP: de tabellen 5.1 tot en met 5.4, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 5.1 tot en met 5.3; - voor de constructietypen: de constructietypen zoals weergegeven op de kaartbladen 14 tot en met 18, Kaartenatlas POL Zandmaas en de tabellen 5.1 tot en met 5.4, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 5.1 tot en met 5.
  126. * De provincie wijst langs de Maas 2 km natuurlijke oever aan (km 103-104, km 118-119). Deze worden ontwikkeld conform de in dit POL Zandmaas omschreven ontwerpvisie en streefbeeld, zoals weergegeven op de kaarten 8 en 9, Kaartenatlas POL Zandmaas. 2.4.
  127. De Afdeling zal, gelet op het vorenstaande, bij de beoordeling van de individuele beroepen tegen het streekplan eerst beoordelen of zij bevoegd is van de beroepen die zijn gericht tegen het streekplan kennis te nemen. 2.4.
  128. Verder stelt de Afdeling voorop dat omtrent de toekomstige bestemming van een bepaald gebied door de rijksoverheid, de provinciale overheden of door regionale openbare lichamen concrete beleidsbeslissingen kunnen worden genomen, die bij de vaststelling van het bestemmingsplan in acht genomen dienen te worden. Ingevolge artikel 24 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kunnen geen zienswijzen tegen het ontwerp-bestemmingsplan worden ingediend, voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing. Voor streekplannen is in artikel 4a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening bepaald dat een concrete beleidsbeslissing bij de vaststelling van de daar genoemde regionale en gemeentelijke plannen, waaronder een bestemmingsplan, in acht dient te worden genomen. Het vorenstaande stelsel van besluitvorming en rechtsbescherming brengt mee, dat indien in een concrete beleidsbeslissing een definitieve planologische keuze met betrekking tot de bestemming van een gebied is neergelegd, ook het onderzoek dat aan die beslissing is voorafgegaan dienovereenkomstig volledig dient te zijn en gemotiveerd inzicht dient te bieden in de mogelijkheden tot realisering van de bestemming. Zo dient een concrete beleidsbeslissing waarvan de bestemmingsplanwetgever op grond van de wet niet mag afwijken op dezelfde wijze gemotiveerd te worden als een bestemmingsplan. Bij de vaststelling van de concrete beleidsbeslissing dient in zoverre dan ook een volledige beoordeling te worden verricht, opdat duidelijk is dat er geen ruimtelijke belemmeringen zijn die in de weg staan aan de nadere invulling van het gebied bij een bestemmingsplan. Overigens is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat bij de aanleg van de kaden in een aantal gevallen in overleg met bewoners maatwerk zal worden geleverd. Dit betekent dat binnen de grenzen van het in de concrete beleidsbeslissing opgenomen ruimtebeslag naar een oplossing wordt gezocht. In deze gevallen is een ruim ruimtebeslag opgenomen. De Afdeling merkt op dat in dergelijke gevallen, zoals ook ter zitting door provinciale staten is bevestigd, artikel 24 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet kan worden tegengeworpen voor zover de kade zich binnen het vastgestelde ruimtebeslag bevindt. Gelet op het vorenstaande zal de Afdeling bij de beoordeling van de individuele beroepen steeds bezien in hoeverre provinciale staten in redelijkheid de concrete beleidsbeslissing in de herziening van het streekplan hebben kunnen opnemen. 2.
  129. Algemene aspecten van meermalen voorkomende bezwaren 2.5.
  130. Informatievoorziening en behandeling van de inspraakreacties 2.5.1.
  131. Een aantal appellanten heeft bezwaren tegen de wijze waarop met de informatievoorziening heeft plaatsgevonden. Zij stellen dat zij geen antwoord op hun inspraakreacties hebben ontvangen. Voorts zijn appellanten van mening dat de reacties op de ingebrachte zienswijzen met betrekking tot de ontwerp-plannen onvoldoende en onzorgvuldig zijn geweest, mede doordat slechts algemene reacties zijn gegeven en geen antwoord is gegeven op specifieke vragen. 2.5.1.
  132. Ingevolge het hier van toepassing zijnde hoofdstuk III van de Tracéwet dient, alvorens het tracébesluit door de Staatssecretaris wordt vastgesteld, eerst een ontwerp-tracébesluit te worden vastgesteld. Blijkens de stukken heeft de Staatssecretaris het ontwerp-tracébesluit vastgesteld en dit van 4 mei tot en met 28 juni 2001, samen met het peilopzetplan en twee aanvullende milieueffectrapportages, ter inzage gelegd. Tijdens deze periode lag eveneens het ontwerp-streekplan, samen met het kadeplan, ter inzage. Gedurende deze periode konden bedenkingen (inspraakreacties) kenbaar worden gemaakt. Hiervan is volgens de wettelijke voorschriften op 3 mei 2001 kennis gegeven in de Staatscourant en de regionale dagbladen. Daarbij is tevens bekendgemaakt waar en wanneer er informatieavonden zouden worden gehouden. Op deze wijze is aan de wettelijke vereisten dienaangaande voldaan. Volgens de Staatssecretaris en provinciale staten zijn in de periode dat het ontwerp-tracébesluit en het ontwerp-streekplan ter inzage hebben gelegen bijna 2200 reacties kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft de Staatssecretaris het ontwerp-tracébesluit gewijzigd en heeft hij voor deze wijziging de verkorte inspraakprocedure van artikel 14, derde lid, van de Tracéwet gevolgd. Ten aanzien van deze wijziging zijn volgens de Staatssecretaris ongeveer 1750 extra reacties kenbaar gemaakt. De beantwoording van de ten aanzien van de ontwerp-plannen ingebrachte reacties is samengevat en thematisch gerubriceerd in een reactienota neergelegd. Ten aanzien van deze wijze van beantwoording overweegt de Afdeling, gelijk zij heeft gedaan in de uitspraak van 28 mei 1998, onder no. E01.96.0532 (Tracébesluit Betuweroute) dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de Staatssecretaris en provinciale staten, gelet op het grote aantal reacties, niet tot het bijeenbrengen en rubriceren van de voornaamste en herhaaldelijk terugkerende bezwaren hebben mogen overgaan. Dat de beantwoording in sommige gevallen een herhaling inhield van het standpunt van de Staatssecretaris, maakt nog niet dat het antwoord onzorgvuldig of onvoldoende is. Ook de omstandigheden dat voornamelijk algemene antwoorden zijn gegeven en voorts niet aan alle door appellanten in deze voorbereidingsfase geuite bezwaren gehoor is gegeven, maken het tracébesluit nog niet tot een onzorgvuldig genomen besluit; dat hangt af van de vraag of de Staatssecretaris, alles in aanmerking genomen, in redelijkheid tot de door hem gemaakte afweging heeft kunnen komen, hetgeen door de Afdeling in het vervolg van de uitspraak in de ter beoordeling staande concrete situaties zal worden getoetst. Hetzelfde geldt voor de vaststelling van de aanvulling op het streekplan door provinciale staten. Na de vaststelling van het tracébesluit en het streekplan zijn deze, samen met de volledige Reactienota, ingevolge artikel 16, derde lid, in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Tracéwet, ter inzage gelegd op verschillende locaties. Hiervan is mededeling gedaan in de Staatscourant. Niet is gebleken dat niet aan de wettelijke vereisten met betrekking tot de terinzagelegging en de bekendmaking hiervan is voldaan. Daarnaast zijn alle indieners van bedenkingen (inspraakreacties) van de vaststelling in een brief op de hoogte gesteld. In deze brief is tevens vermeld dat de volledige Reactienota en de definitieve besluiten ter inzage lagen bij alle gemeentehuizen in het Maasdal. Voorts is in de brief vermeld dat de beantwoording van de persoonlijke reacties ook via de internetsite www.demaaswerken.nl terug waren te vinden en is met de brief een samenvatting van de Reactienota meegezonden. Tot slot is een kosteloos telefoonnummer vermeld voor vragen over de besluiten of de manier waarop deze waren te raadplegen. Voor zover appellanten stellen dat zij geen antwoord op hun reactie hebben gekregen, omdat zij geen internetaansluiting hebben, blijkt uit het voorgaande dat er ook andere manieren waren om op de hoogte van de beantwoording te geraken. De Staatssecretaris en provinciale staten hebben dit op een voldoende duidelijke wijze kenbaar gemaakt en waren niet gehouden om iedere indiener van bedenkingen een persoonlijk antwoord op deze bedenkingen toe te zenden. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de Staatssecretaris en provinciale staten op dit punt onjuist of zorgvuldig te werk zijn gegaan. 2.5.
  133. Type kade en beoordelingsmethode 2.5.2.
  134. Een aantal appellanten voert aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin een beoordelingsmethode wordt gegeven voor de keuze van het type kade. 2.5.2.
  135. Het kadeplan maakt deel uit van het streekplan en voorziet in kademaatregelen voor de drie bevolkingscentra in Roermond, Venlo en Gennep-Middelaar. Doel van de kaden bij Roermond, Venlo en Gennep-Middelaar is het realiseren van een beschermingsniveau behorend bij een overstromingskans van 1:250 per jaar. De uitvoering van de kaden bij deze drie bevolkingscentra dient te zijn voltooid vóór 2006, zodat 70%-80% van alle bewoners in het Zandmaasgebied (Maasbracht-Mook) voor die datum het vastgestelde beschermingsniveau genieten. Dit betreft de zogenaamde eerste fase. De kaden rond bedrijventerreinen en locaties met economische functies worden vóór 2006 niet aangepast en zijn niet opgenomen in het kadeplan. Deze kaden rond bedrijventerreinen in Roermond, Venlo en Gennep-Middelaar worden beschouwd tijdens de tweede fase kadeverhogingen, die zal worden gerealiseerd vóór
  136. Voorts is een belangrijk uitgangspunt dat de kademaatregelen in Roermond, Venlo en Gennep-Middelaar niet leiden tot een vermindering van de bescherming van de overige delen van het Zandmaasgebied. Het huidige beschermingsniveau blijft overal gehandhaafd. Dit betekent dat kritieke waterstanden nabij de overige kaden niet worden verhoogd door de kademaatregelen bij Roermond, Venlo en Gennep-Middelaar. 2.5.2.
  137. De huidige kaden zijn in 1995 aangelegd op de grondslag van het Deltaplan grote rivieren. Bij het vaststellen van de tracés is destijds rekening gehouden met: - de gevoeligheid van het gebied met betrekking tot landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden, alsmede het bestaand ruimtegebruik; - de geschiktheid voor waterkering (hoogteligging, bodem en milieu); - bestuurlijke overwegingen (aanlegkosten, eventuele planschade, grondverwerving, realisatietermijn en de Deltawet); - beheer en onderhoud. Bovenstaande criteria zijn ook aangehouden voor de inpassing van de nieuwe kaden in het onderhavige plan. Daarnaast vormt de beleidslijn Ruimte voor de rivier (april 1997) een belangrijk uitgangspunt voor de keuze van kadetracés. Toepassing van de beleidslijn leidt er toe dat de nieuwe kaden zoveel mogelijk de begrenzing van het waterbergend of stroomvoerend winterbed volgen en dat bestaande kaden, indien mogelijk, binnenkaads worden verhoogd. Op een aantal locaties, bijvoorbeeld bij een weg of bebouwing, is dit echter niet mogelijk of leidt een en ander tot hoge kosten. In deze gevallen is gekozen voor buitenkaadse verhogingen of voor ruime omkading. De Afdeling acht de door provinciale staten gekozen uitgangspunten niet onjuist. 2.5.2.
  138. De meest voorkomende kadeconstructies zijn groene kaden en kademuren. Groene kaden bestaan uit een opgeworpen grondlichaam. Zij ontlenen hun naam aan het feit dat zij meestal zijn begroeid met gras. Een groene kade heeft aan weerszijden een talud en bovenop een vlakke top of kruin. De breedte van de vlakke top of kruin is variabel en is mede afhankelijk van de noodzaak tot berijdbaarheid. Door haar taluds en kruin neemt een groene kade relatief veel ruimte in beslag, daarom is de groene kade doorgaans gelegen in het open veld. Een groene kade kan op verschillende manieren worden verhoogd: - vierkant verhogen waardoor het ruimtebeslag van de kade aan beide zijden toeneemt; - verhogen en aanbrengen van een binnenkaadse kademuur als grondkering, zodat het binnenkaadse ruimtebeslag gelijk blijft; - het plaatsen van een muur of demontabele wand op de kade. Een kademuur is een min of meer verticale waterkerende wand, die is opgebouwd uit beton, staal of gestapelde blokken. In vergelijking met groene kaden nemen deze constructies minder ruimte in beslag en zijn daarom beter geschikt voor toepassing in stedelijk gebied. Het waterkerende deel van een kademuur kan eventueel demontabel worden uitgevoerd, zodat bij tijdige montage de volledige kering alleen in geval van hoog water aanwezig is. Voor de drempelhoogte van het vaste deel van een demontabele kering is een minimale hoogte van 0,6 à 0,8 meter boven het maaiveld aangehouden. Een coupure is een speciaal type demontabele kademuur. Op plaatsen waar kaden infrastructuur doorkruisen, kan een permanente waterkering plaatselijk worden onderbroken. Bij hoogwater worden deze coupures gesloten met schotten of balken. De sterkte en stabiliteit van kademuren worden doorgaans enigszins ruim genomen. Daarom kan bij geringe verhogingen (tot 0,25 meter) veelal worden voortgebouwd op de bestaande constructie. Kadeverhogingen van meer dan 0,25 meter vergen in het algemeen extra maatregelen om de sterkte en stabiliteit van de kade te vergroten, dan wel een volledig nieuwe constructie. Afhankelijk van de ruimtelijke inpassing kan de verhoging permanent of demontabel worden uitgevoerd. 2.5.2.
  139. Zoals hiervoor reeds opgemerkt is de ruimtelijke inpassing van nieuwe en bestaande kaden erop gericht rekening te houden met de aanwezige landschapselementen en –structuren. Daarnaast wordt gekozen voor sobere en doelmatige constructies en wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande kaden. Dit betekent in principe dat groene kaden groen blijven en dat demontabele kaden ook na verhoging demontabel zijn. Ook de aankleding en het uiterlijk van kademuren zullen passend binnen de omgeving moeten zijn. Gezien de vereiste kadeverhogingen, die variëren van enkele decimeters tot 0,9 meter, is rekening gehouden met effecten voor omwonenden, natuur en landschap en recreatieve en culturele waarden. Om de afweging tussen permanente en demontabele kaden te kunnen maken, zijn de ruimtelijke effecten en hinder door een – voor elk kadevak gelijke – methode in een hinderscore uitgedrukt. De beoordeling houdt rekening met de ruimtelijke effecten van kadeverhogingen voor individuele gebouwen en huizen, alsmede met de effecten op wijkniveau. Criteria gebouwniveau:
  140. Ingreep op privé grond
  141. Gebruikswaarde en gebruiksmogelijkheden tuin
  142. Aantrekkingskracht toeristische voorzieningen
  143. Hinder voor bedrijfsprocessen
  144. Zichtlijnen tussen woningen en rivier
  145. Zichtlijnen tussen woningen en landschap
  146. Verhouding tussen afstand van woning tot kade in relatie tot kadehoogte
  147. Zichtlijnen tussen kantoor en rivier
  148. Zichtlijnen tussen kantoor en landschap Criteria wijkniveau:
  149. Belevingswaarde waterkering vanuit openbaar gebied
  150. Functionele verandering van het gebied achter de kade na verhoging
  151. Bereikbaarheid buitenkaadse gebieden
  152. Zichtlijnen binnen de wijk
  153. Ruimtelijke inpassing in omgeving (nieuw tracé)
  154. Verandering landschappelijk karakter
  155. Zichtlijnen voor fietsers en voetgangers naar rivier
  156. Zichtlijnen voor fietsers en voetgangers naar landschap
  157. Oeverbeeld en stadsbeeld vanuit de rivier of overkant
  158. Aantasting historische beplanting
  159. Herkenbaarheid oude waterkering
  160. Cultuurhistorische relatie tussen historische kern en rivier De Afdeling deelt niet het standpunt van een aantal appellanten dat onvoldoende inzicht zou zijn gegeven in de keuze van de criteria. In het rapport “Verhoging kaden Zandmaas; beoordeling van de ruimtelijke effecten”, dat als bijlage bij het kadeplan is opgenomen, is de uitgevoerde analyse beschreven en zijn de hinderscores per kadevak aangegeven. Uit de scores volgt ook het hinderverschil tussen een permanente en een demontabele uitvoering van een kade. Dit verschil is tevens de hinderreductie die wordt bereikt bij toepassing van een demontabele waterkering. In de afweging tussen permanente en demontabele kaden is, naast de mogelijke hinderreductie, ook rekening gehouden met de meerkosten van demontabele kaden en de afnemende beheersbaarheid in termen van operationele risico’s en oplopende exploitatiekosten van demontabele kaden met toenemende lengte. De keuze van de nieuwe demontabele kadevakken is als volgt bepaald: van alle overige kadevakken zijn de meerkosten voor een demontabele uitvoering gedeeld door het aantal hinderreductiepunten. Het aantal hinderreductiepunten bepaalt het verschil in hinder tussen een permanente en een demontabele kade. Het resultaat van de deling levert de meerkosten per hinderreductiepunt. Kadevakken met lage meerkosten per hinderreductiepunt zijn dus relatief goedkoop demontabel te realiseren in vergelijking met kadevakken die hogere kosten meebrengen. Naar het oordeel van de Afdeling is de door provinciale staten gevolgde beoordelingsmethode in zijn algemeenheid niet onjuist te achten. Bij de beoordeling van de individuele beroepen zal de Afdeling bezien in hoeverre provinciale staten deze methode ook juist hebben toegepast. 2.5.
  161. Schade algemeen 2.5.3.
  162. Een aantal appellanten voert aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld, omdat zij schade zullen lijden als gevolg van de plannen. Het is appellanten niet duidelijk of deze schade vergoed zal worden en welke regelingen hiervoor zullen gelden. Zij menen dat daarom sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. 2.5.3.
  163. Het tracébesluit en het streekplan voorzien in een aantal maatregelen in en rond de Maas in het kader van het project Zandmaas/Maasroute. Deze maatregelen kunnen negatieve gevolgen hebben voor betrokkenen, zoals verlies van eigendommen en aantasting van de leefomgeving of bedrijfsvoering. De Afdeling dient te beoordelen of de Staatssecretaris en provinciale staten bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de maatregelen konden besluiten. Hierbij dient onder meer te worden betrokken of de Staatssecretaris en provinciale staten hebben onderzocht welke schade mogelijkerwijs kan optreden en of hierbij sprake is van zodanige schade dat deze zwaarder zou moeten wegen dan het belang dat is gediend bij de voortgang van het project. In dit verband is ter zitting door de Staatssecretaris en provinciale staten gesteld, hetgeen ook uit de stukken blijkt, dat voorafgaand aan de totstandkoming van het tracébesluit en het streekplan is onderzocht in hoeverre betrokkenen hierdoor mogelijk zodanig worden getroffen, dat ontoelaatbare schade aan opstallen optreedt, woongenot onaanvaardbaar wordt verstoord of de continuïteit van de bedrijfsvoering wordt bedreigd. Waar dat mogelijk speelt, is vroegtijdig in overleg met betrokkenen naar een oplossingsrichting gezocht in de vorm van mitigatie, (financiële) compensatie of een combinatie van beide. In enkele gevallen heeft dit tot een aanpassing van de maatregelen geleid. Ook in andere gevallen waar mogelijk schade kan optreden, maar op voorhand geen rekening wordt gehouden met onevenredige benadeling, wordt in overleg met betrokkenen bekeken of mitigerende dan wel compenserende maatregelen mogelijk en wenselijk zijn. De Staatssecretaris en provinciale staten zijn tot de conclusie gekomen dat de schade die kan optreden niet zodanig is dat deze in de weg staat aan de voortgang van het project. Aannemelijk is geworden dat een en ander juist is, in verband waarmee onvoldoende aanleiding bestaat voor het oordeel dat in algemene zin onvoldoende rekening is gehouden met de negatieve gevolgen van de maatregelen voor betrokkenen. Bij de beoordeling van de vraag of de Staatssecretaris en provinciale staten bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de maatregelen konden besluiten dient voorts te worden betrokken dat ten aanzien van mogelijk optredende schade in ieder geval dient vast te staan dat er een regeling is voor de afhandeling van deze schade en welke regeling dat is. Daarbij speelt in dit geval een rol dat sprake is van een tracébesluit en een streekplan, waar verschillende wettelijke regelingen op van toepassing zijn. Dit betekent dat de vraag welke regelingen zullen gelden bij de vaststelling en eventuele vergoeding van de te lijden schade, wordt bepaald door de vraag of de schade wordt veroorzaakt door het tracébesluit of het streekplan. 2.5.3.
  164. Ten aanzien van de vraag welke regelingen zullen gelden bij de vaststelling en eventuele vergoeding van de te lijden schade als gevolg van het tracébesluit, overweegt de Afdeling het volgende. Enkele maatregelen uit het tracébesluit hebben tot gevolg dat betrokkenen gronden moeten afstaan die nodig zijn voor het ruimtebeslag van de voorziene maatregelen. Met betrekking tot dit ruimtebeslag blijkt uit onderdeel 4 (Het voor het project benodigde ruimtebeslag) van het tracébesluit dat verwerving van de gronden in eerste instantie op minnelijke basis zal geschieden. In een later stadium kan, indien het minnelijke verwervingstraject niet tot resultaat heeft geleid, tot onteigening worden overgegaan. Voor de schade die ontstaat door de (minnelijke) onteigening van de gronden wordt een volledige schadeloosstelling verstrekt op basis van de Onteigeningswet. Ten aanzien van de schade die niet bestaat uit het verlies van gronden, waarbij in het bijzonder kan worden gedacht aan schade als gevolg van de toepassing van peilopzet, bepaalt onderdeel 9 (Rechtsbescherming en schaderegeling) van het tracébesluit: “Schade die rechtstreeks voortvloeit uit het rechtens onaantastbaar geworden Tracébesluit Zandmaas/Maasroute en die redelijkerwijs niet voor rekening van degene die om schadevergoeding verzoekt, behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, zal worden vergoed op basis van de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat
  165. De hoogte van de vergoeding wordt naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld.” In dit verband heeft de Staatssecretaris ter zitting gesteld, hetgeen ook uit de stukken is af te leiden, dat in overleg met betrokkenen bekeken en onderzocht zal worden of mitigerende dan wel compenserende maatregelen mogelijk en wenselijk zijn. Los daarvan kunnen betrokkenen een schadeclaim indienen en daarbij een beroep doen op de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat
  166. De vraag of hiermee op een toereikende wijze inzichtelijk is gemaakt welke regelingen zullen gelden bij de afhandeling van optredende schade en derhalve voldoende aan de belangen van betrokkenen is tegemoet gekomen, zal, in verband met de verschillende situaties die zich kunnen voordoen, worden behandeld bij de behandeling van de verschillende beroepen en onderwerpen per tracédeel. 2.5.3.
  167. Ten aanzien van de vraag welke regelingen zullen gelden bij de vaststelling en eventuele vergoeding van de te lijden schade als gevolg van het streekplan, overweegt de Afdeling het volgende. De in het streekplan opgenomen concrete beleidsbeslissingen bieden geen directe grondslag om tot uitvoering van de maatregelen over te gaan. Daartoe dient eerst nog een procedure tot vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan volgens de daartoe geldende bepalingen in de Wet op de Ruimtelijke Ordening te worden gevolgd of een procedure op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Met betrekking tot de situatie dat na vaststelling van een dergelijk besluit de maatregelen tot gevolg hebben dat betrokkenen gronden moeten afstaan die nodig zijn voor het ruimtebeslag van de voorziene maatregelen, hebben provinciale staten ter zitting gesteld dat voor de schade die ontstaat door de (minnelijke) onteigening van de gronden een volledige schadeloosstelling wordt verstrekt op basis van de Onteigeningswet. De Afdeling ziet geen reden hieraan te twijfelen. Met betrekking tot de overige schade die mogelijk zal worden geleden door een wijziging in het planologisch regiem die samenhangt met een in het streekplan opgenomen concrete beleidsbeslissing, hebben provinciale staten ter zitting gesteld dat een verzoek om planschade op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan worden ingediend, zodra het gemeentelijke planologische besluit tot uitvoering van de concrete beleidsbeslissingen is genomen. Provinciale staten willen een convenant sluiten met de betrokken gemeenten, waarin afspraken worden gemaakt over de behandeling van deze planschadeclaims. De vraag of hiermee op een toereikende wijze inzichtelijk is gemaakt welke regelingen zullen gelden bij de afhandeling van optredende schade en derhalve voldoende aan de belangen van betrokkenen is tegemoet gekomen, zal, in verband met de verschillende situaties die zich kunnen voordoen, worden behandeld bij de behandeling van de verschillende beroepen en onderwerpen per tracédeel. 2.
  168. Beroepen met betrekking tot meerdere tracédelen 2.6.
  169. Essent Netwerk B.V. (gedeeltelijk) 2.6.1.
  170. Essent Netwerk B.V. stelt in beroep onder meer dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld, voor zover dit voorziet in peilopzet in verschillende tracédelen. Hiertoe voert zij aan dat de peilopzet tot gevolg kan hebben dat de minimale afstand tussen de bovengrondse hoogspanningslijnen en de maximale waterhoogte niet meer voldoet aan de eisen die hieraan worden gesteld. 2.6.1.
  171. Uit het deskundigenbericht is af te leiden dat de doorvaarthoogte van waterwegen bij kruisingen met hoogspanningslijnen volgens de norm NEN 1060 minimaal 7 meter dient te bedragen. Hieruit volgen voor concrete kruisingen van hoogspanningslijnen met openbare vaarwaters minimaal vereiste doorvaarthoogten. Blijkens het deskundigenbericht komen deze doorvaarthoogten voor de kruisingen binnen het tracé waarop het tracébesluit betrekking heeft, als gevolg van de toepassing van de peilopzet, niet in gevaar. De Afdeling ziet geen reden hierover anders te oordelen. 2.6.1.
  172. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Essent Netwerk B.V. is in zoverre ongegrond. 2.6.
  173. De ZLTO en GLTO 2.6.2.
  174. De ZLTO en de GLTO, die in het overleg over een in het gehele gebied waarvoor vernattingsschade kan optreden, geldende schaderegeling zijn betrokken, voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarin is voorzien in peilopzet in een aantal tracédelen. Zij wensen nader overleg, omdat onduidelijk blijft op welke wijze en volgens welke criteria en normen de verwachte schade zal worden afgehandeld. Voorts stellen appellanten dat de HELP-methode principieel ongeschikt is om de vernattingsschade op bedrijfsniveau vast te stellen. Zij menen dan ook dat aan bepaalde onderdelen van het peilopzetplan geen bindende betekenis moet worden toegekend. 2.6.2.
  175. Met betrekking tot de wens van appellanten voor nader overleg, is de Afdeling uit het verweerschrift gebleken dat voorafgaande aan het (onwerp-)tracébesluit en bijbehorende peilopzetplan op 19 april 2001 overleg met de landbouworganisaties heeft plaatsgevonden over de vernattingsschade. Tevens zijn in mei 2001 inspraakavonden gehouden, waarvoor deze organisaties zijn uitgenodigd. Voorts zullen de landbouworganisaties betrokken worden bij een aan de agrarische sector te zenden nieuwsbrief over vernattingsschade. De Afdeling acht dan ook niet aannemelijk dat de Staatssecretaris onvoldoende met de landbouworganisaties over de te treffen regeling heeft overlegd. De omstandigheid dat overleg en inspraak niet tot het voor appellanten gewenste resultaat heeft geleid, maakt dit niet anders. 2.6.2.
  176. In onderdeel 3 (Kern van de maatregelen in het kader van het tracébesluit) van het tracébesluit is het pakket maatregelen opgenomen. Hieruit blijkt dat voor het project Zandmaas in tracédeel 9 (Stuwpand Sambeek) een peilopzet van 0,25 meter zal worden toegepast en in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) een peilopzet van 0,50 meter. Blijkens onderdeel 6 (Maatregelen voor het milieu) van het tracébesluit en de nota van toelichting bij het tracébesluit, algemeen deel, kunnen de door de verbreding en verdieping van het zomerbed veroorzaakte effecten op de waterstanden in de rivier leiden tot daling van de grondwaterstanden, waardoor verdroging van natuurgebieden in de omgeving kan optreden. Bij het project geldt echter als een van de randvoorwaarden dat de rivierverruimende maatregelen geen nadelige effecten mogen hebben voor de grondwaterafhankelijke natuurgebieden. Door peilopzet bij normale afvoeren zullen deze ongewenste effecten worden gemitigeerd. Daarnaast is er bij lage afvoeren behoefte aan meer vaardiepte voor de scheepvaart om de doorgang van schepen met een diepgang van 3,5 meter te verzekeren. Aannemelijk is dat zonder toepassing van peilopzet de doelstellingen van het project niet worden gehaald. Gelet hierop acht de Afdeling het nut en de noodzaak van de peilopzet voldoende aangetoond. 2.6.2.
  177. Blijkens de nota van toelichting bij het tracébesluit, algemeen deel, kan de peilopzet ook een aantal negatieve gevolgen hebben, waaronder vernattingsschade voor de landbouw. In dit verband is ter zitting door de Staatssecretaris en provinciale staten gesteld, hetgeen ook uit de stukken blijkt, dat voorafgaand aan de totstandkoming van het tracébesluit en het streekplan is onderzocht in hoeverre betrokkenen door de voorziene maatregelen mogelijk zodanig worden getroffen, dat ontoelaatbare schade aan opstallen optreedt, woongenot onaanvaardbaar wordt verstoord of de continuïteit van de bedrijfsvoering wordt bedreigd. Waar dat mogelijk speelt, is vroegtijdig in overleg met betrokkenen naar een oplossingsrichting gezocht in de vorm van mitigatie, (financiële) compensatie of een combinatie van beide. In enkele gevallen heeft dit tot een aanpassing van de maatregelen geleid. Ook in andere gevallen waar mogelijk schade kan optreden, maar op voorhand geen rekening wordt gehouden met onevenredige benadeling, wordt in overleg met betrokkenen bekeken of mitigerende dan wel compenserende maatregelen mogelijk en wenselijk zijn. Het onderzoek dat is uitgevoerd naar de gevolgen van de toepassing van peilopzet is neergelegd in het peilopzetplan, een bijlage bij het tracébesluit. 2.6.2.
  178. In hoofdstuk 4 van het peilopzetplan is weergegeven hoe de bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw heeft plaatsgevonden. Op grond van een geactualiseerd bestand van de grondwatertrap-informatie (Gt’s) is de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) voor de uitgangssituatie – de referentiesituatie – bepaald. Met behulp van regionale grondwatermodellen zijn de veranderingen van de GHG en de GLG als gevolg van de peilopzet voor het beïnvloedingsgebied van het project Zandmaas/Maasroute berekend. Door de aldus berekende veranderingen op te tellen bij de GHG en GLG in de uitgangssituatie, zijn de GHG en GLG voor de nieuwe situatie bepaald. Geconstateerd wordt dat de GLG in vrijwel het gehele beïnvloedingsgebied van de stuwpanden stijgt, en dat de GHG in grote delen van de gebieden stijgt. De berekende grondwaterstandveranderingen zijn gebruikt om de veranderingen in gewasopbrengsten te berekenen. Dat is gebeurd met behulp van de HELP-methodiek. De HELP-methodiek stamt uit 1987 en vindt haar grondslag in de landinrichting. Kern van de HELP-methodiek is het verband tussen de GHG en GLG en een langjarig gemiddelde opbrengstdepressiefractie (de fractie van de maximaal haalbare fysieke opbrengst van een gewas die verloren gaat als gevolg van droogte- of vernattingsschade). De HELP-methodiek is geïmplementeerd in het programma BODEP (berekening opbrengstdepressie), wat kort gezegd inhoudt dat de gegevens over de grondwaterstanden, het bodemtype, de aard van het agrarisch grondgebruik op perceelsniveau en de HELP-tabellen bij elkaar zijn gebracht om de opbrengstdepressiefractie te berekenen. Met behulp van de HELP-methode is op basis van de GHG en GLG de (eventueel) reeds bestaande opbrengstdepressiefractie voor de uitgangssituatie bepaald. Vervolgens is op basis van de GHG en GLG in de situatie na de peilopzet de opbrengstdepressie berekend. Per locatie is het verschil in opbrengstdepressiefractie tussen de nieuwe situatie en de uitgangssituatie bepaald (verandering in gewasopbrengst). De volgende stap omvatte de omrekening van de veranderingen in de gewasopbrengst naar een eventuele opbrengstderving op perceelsniveau ten opzichte van de referentiesituatie. Hiertoe is de verminderde gewasopbrengst uitgedrukt in een bedrag in euro’s per hectare per jaar. Daartoe zijn naar onderscheid van de categorie van gewasteelt de volgende bedragen aangehouden: - € 1.180,-- gemiddelde opbrengst/ha/jaar voor grasland; - € 2.269,-- gemiddelde opbrengst/ha/jaar voor bouwland (akkerbouw); - € 15.882,-- gemiddelde opbrengst/ha/jaar voor (vollegronds) tuinbouw. De genoemde kengetallen zijn vermenigvuldigd met de opbrengstdepressiefractie, waardoor per locatie de opbrengstderving ten opzichte van de uitgangssituatie is berekend. Bij de beoordeling van de gevolgen voor de individuele agrarische bedrijven is onderscheid gemaakt naar de ernst van de verwachte vernattingsschade. Bedrijven die dusdanig zwaar worden getroffen, dat voortzetting van de bestaande bedrijfsvoering ter plaatse niet meer exploitabel c.q. rendabel is, worden gekarakteriseerd als ‘onevenredig getroffen bedrijven’. De selectie van de onevenredig getroffen bedrijven is gebaseerd op de landbouwschadeberekeningen volgens de hiervoor genoemde HELP-methodiek (opbrengstderving). Op grond van die methodiek zijn zogenaamde ‘aandachtsgebieden vernattingsschade’ afgebakend, welke als zoekgebieden voor onevenredig getroffen bedrijven hebben gediend. Als criteria voor de selectie van de aandachtsgebieden zijn de volgende uitgangspunten gekozen: - deelgebieden met grasland met een toename van de totale opbrengstderving van meer dan 15% en met een oppervlakte groter dan 1 hectare; - deelgebieden met bouwland met een toename van de totale opbrengstderving van meer dan 15% en met een oppervlakte groter dan 1 hectare; - deelgebieden met tuinbouw met een toename van de totale opbrengstderving van meer dan 10% en met een oppervlakte groter dan 0,1 hectare. De aldus geselecteerde deelgebieden zijn in kaart gebracht. Vervolgens zijn de aandachtsgebieden afgebakend. Die afbakening heeft ruim om de geselecteerde deelgebieden plaatsgevonden. Bij de begrenzing is uitgegaan van kadastrale perceelsgrenzen en/of andere duidelijk op kaart en in het landschap aanwezige elementen. De volgende stap betrof de benoeming van de mogelijk onevenredig getroffen agrarische bedrijven. Bij de selectie op bedrijfsniveau zijn in overleg met de Dienst Landelijke Gebieden (DLG) van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij nadere criteria uitgewerkt voor de beoordeling of bedrijven al dan niet aangemerkt kunnen worden als mogelijk onevenredig getroffen. De bedoelde criteria zijn, rekening houdend met de aard van het landbouwbedrijf, de volgende: - melkveehouderij: meer dan 40% van de bedrijfsoppervlakte heeft een toename van de opbrengstderving van meer dan 15%; - akkerbouwbedrijf: meer dan 40% van de bedrijfsoppervlakte heeft een toename van de opbrengstderving van meer dan 15%; - tuinbouwbedrijf: meer dan 40% van de bedrijfsoppervlakte heeft een toename van de opbrengstderving van meer dan 10%. Op grond van deze criteria zijn bedrijven waarvan 40% of meer van de gronden (het totale bedrijfsoppervlak) binnen de geselecteerde aandachtsgebieden liggen, geselecteerd als mogelijk onevenredig getroffen bedrijf. Hierbij is uitgegaan van zowel de gronden die in eigendom zijn als van de (langdurig) gepachte gronden. Dit heeft geresulteerd in de selectie van 46 bedrijven. Voor de tien bedrijven waar de bedreiging van de bedrijfsvoering het meest reëel leek én die bovendien representatief zijn voor alle 46 bedrijven, heeft een aanvullend onderzoek plaatsgevonden. Die onderzoeken op bedrijfsniveau zijn uitgevoerd door DLV Adviesgroep nv (DLV: De Landbouwvoorlichting) en begeleid door De Maaswerken en DLG. In het verweerschrift wordt vermeld dat bij die nadere onderzoeken enkele algemene bedrijfsspecifieke gegevens zijn betrokken, zoals het soort bedrijf, het teeltplan en de aard van de geschade kavels. De resultaten van die tien onderzoeken op bedrijfsniveau zijn beschreven in het rapport ‘Verkenning agrarische bedrijven’ van DLV, februari
  179. Het aanvullende onderzoek onder de tien bedrijven betreft een quick scan. Op basis van de beschikbare bedrijfsgegevens is aan de hand van kengetallen en een deskundigeninschatting (best professional judgement) van de onderzoekers het normatieve bedrijfssaldo bepaald voor de grondgebonden bedrijfsactiviteiten en is de financiële schade als gevolg van de peilopzet berekend. Dit heeft geresulteerd in een beoordeling van hoe de berekende schade zich verhoudt tot het normatief vastgestelde bedrijfssaldo. Op grond van dit aanvullende onderzoek door DLV is volgens de Staatssecretaris gebleken dat voor geen van de onderzochte bedrijven sprake is van een zodanige vernattingsschade dat de renderendheid van het bedrijf wordt bedreigd. Op basis van die conclusie is aangenomen dat ook voor de overige agrarische bedrijven binnen de aandachtsgebieden, waaronder de overige 36 geselecteerde bedrijven, de renderendheid niet in gevaar komt. Die 36 bedrijven zijn wel benaderd, maar dat heeft niet geleid tot de aanwijzing als onevenredig getroffen. Ondanks het feit dat naar het oordeel van de Staatssecretaris voor geen enkel bedrijf de rendabele voortzetting van het bedrijf vanwege de vernattingsschade in gevaar komt, wordt voor alle bedrijven die (gedeeltelijk) in de aandachtsgebieden liggen gestreefd naar het zoveel mogelijk (lokaal) mitigeren van de ongewenste vernattingseffecten. Dit is ter zitting nogmaals door de Staatssecretaris bevestigd. In bijlage 5 van het peilopzetplan wordt nader ingegaan op de waterhuishoudkundige maatregelen voor het mitigeren van vernattingsschade en de gehanteerde beslisprocedure voor de afhandeling van vernattingsschade in de land- en tuinbouw. De oplossingsrichtingen omvatten grofweg (een combinatie van): - mitigerende maatregelen: door middel van lokale waterhuishoudkundige maatregelen zoals het graven van extra perceelssloten, de aanleg van perceelsdrainage en de aanleg van een onderbemaling; - financiële compensatie: eenmalig of in termijnen afkopen van de (gekapitaliseerde) vernattingsschade; - aankoop of uitruil van gronden. Naar het oordeel van de Afdeling is de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist te achten. Ook het feit dat de Staatssecretaris niet de gevolgen voor alle individuele bedrijven heeft onderzocht, maar gebruik heeft gemaakt van een algemene methode en op basis hiervan inschattingen heeft gemaakt met betrekking tot de afzonderlijke bedrijven, acht de Afdeling niet onjuist. Hierbij neemt zij in aanmerking dat de Staatssecretaris voldoende marges heeft aangehouden om te voorkomen dat mogelijk onevenredig getroffen bedrijven buiten de beoordelingscriteria zouden vallen. Voorts heeft de Staatssecretaris toegezegd voorafgaand aan de toepassing van peilopzet nader onderzoek te doen naar en zorg te dragen voor mitigerende en compenserende maatregelen. De Afdeling gaat er daarbij wel vanuit dat de Staatssecretaris ook tijdig aan de betrokken bedrijven en landbouworganisaties zal berichten welke gegevens zij dienen over te leggen bij een eventueel in te dienen verzoek om schadevergoeding/nadeelcompensatie. 2.6.2.
  180. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de ZLTO en GLTO is ongegrond. 2.6.
  181. Het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas (gedeeltelijk) 2.6.3.
  182. Het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellant voert daartoe onder meer aan dat voor zover voor verhoging van kaden voor alternatief van rivierkundige maatregelen is gekozen, niet voor de meest optimale en duurzame variant is gekozen. In dit kader verwijst appellant naar de afspraken die in het in 1998 in Namen (B) vastgestelde Actieplan Hoogwater Maas zijn vastgelegd en naar de opvattingen die zich ontwikkelen in het kader van de Integrale Verkenningen Maas. Appellant kan er niet mee instemmen dat niet is voorzien in extra kwelvoorzieningen. Voorts heeft appellant er bezwaar tegen dat het beheer en onderhoud van de verhoogde kaden wordt ondergebracht bij de waterschappen. 2.6.3.
  183. Voor zover het beroep van appellant is gericht tegen het tracébesluit, stelt de Afdeling vast dat de bezwaren van appellant geen betrekking hebben op de maatregelen die in het tracébesluit zijn opgenomen. Het beroep is in zoverre ongegrond. 2.6.3.
  184. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op het niet opnemen van kwelvoorzieningen in het kadeplan is het gericht tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het niet gericht tegen de onder 2.4.
  185. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.
  186. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen. Overigens is ter zitting gebleken dat partijen het er over eens zijn dat nog niet concreet kan worden aangegeven welke maatregelen nodig zijn. Derhalve was het niet mogelijk deze reeds nu in een concrete beleidsbeslissing op te nemen. 2.6.3.
  187. Voor zover appellant bezwaar maakt tegen de weerlegging van de bedenkingen, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.
  188. is overwogen. 2.6.3.
  189. Met betrekking tot het bezwaar van appellant dat niet voor de meest optimale en duurzame variant is gekozen, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken blijkt dat de verruiming van het zomerbed bij hoge afvoeren minder effectief is voor het verlagen van de waterstanden dan eerst werd aangenomen. Voorts heeft een te vergaande verruiming van het zomerbed enkele negatieve effecten tot gevolg zoals effecten in het rivierbed in rivierstabiliteit, verdroging als gevolg van grondwaterstandsdalingen, verlies aan natuurdynamiek en onvoldoende vaardiepte bij sluizen. Met de uitvoering van alleen rivierverruiming en het onderhouden van de bestaande kaden wordt niet voldaan aan de doelstelling van het project Zandmaas/Maasroute met betrekking tot de hoogwaterstandsverlaging. Daarbij is van belang dat het beoogde beschermingsniveau voor de bevolking achter de kaden van 1:250 per jaar vóór 2016 moet worden gerealiseerd, waarvan 70-80% reeds vóór
  190. Om dit beschermingsniveau te kunnen realiseren zijn aanvullende maatregelen in de vorm van kaden noodzakelijk. Voor een duurzame oplossing op lange termijn is een internationale aanpak nodig om te komen tot verbetering van de hoogwaterbescherming. Hiertoe is de internationale Werkgroep Hoogwater Maas (WHM) opgericht, waarin de Maasoeverstaten zijn vertegenwoordigd. Ook in ander verband wordt onderzoek verricht in het kader van de verkennende studie Integrale Verkenning Maas (IVM). Het doel van IVM is om de effecten van klimaatveranderingen op lange termijn en de maatregelen ter compensatie in beeld te brengen. Planvorming en afstemming tussen de landen is echter nog niet aan de orde. Het standpunt van provinciale staten dat de internationale aanpak van hoogwaterbescherming nog slechts in een beginstadium verkeert, zodat hier niet op kan worden gewacht, acht de Afdeling niet onredelijk. 2.6.3.
  191. Met betrekking tot het bezwaar van appellant inzake de kosten van het beheer en onderhoud van de kaden, overweegt de Afdeling dat zij dit bezwaar opvat als gericht tegen de kademaatregelen in de concrete beleidsbeslissingen, omdat hieruit zou volgen dat de kosten van beheer en onderhoud voor rekening van de waterschappen komen. Dit volgt echter niet uit de maatregelen die in de concrete beleidsbeslissingen zijn opgenomen. Deze hebben geen betrekking hebben op de vraag voor wiens rekening het beheer en onderhoud van de kaden dienen te komen. Voor zover appellant meent dat dit aspect in de weg staat aan de financiële haalbaarheid van de kademaatregelen, overweegt de Afdeling dat de Staatssecretaris en provinciale staten hebben gesteld dat de kosten van realisatie van de kaden (verhoging en aanpassing, inclusief projectmanagement, engineering en het beheer tijdens de uitvoeringsperiode) zullen worden gedragen door het Rijk (Ministerie van Verkeer en Waterstaat). De Afdeling acht de financiële haalbaarheid dan ook voldoende verzekerd. Daarnaast is ter zitting gesteld dat ook in de kosten van het beheer en onderhoud zal worden voorzien. 2.6.3.
  192. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregelen in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissingen op deze onderdelen anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas is in zoverre ongegrond. 2.6.
  193. Het algemeen bestuur van het Waterschap Peel en Maasvallei 2.6.4.
  194. Het algemeen bestuur van het Waterschap Peel en Maasvallei voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Hiertoe voert appellant aan dat de verholen waterkeringen in de concrete beleidsbeslissingen met betrekking tot de aanleg van kaden in de gemeenten Venlo, Gennep en Mook en Middelaar opgenomen hadden moeten worden. Voorts voert appellant aan dat de financiële haalbaarheid van het kadeplan niet is verzekerd en de belangen van het waterschap onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken. Hij wijst erop dat de kostbare inzet van demontabele kaden en pompen zou kunnen worden verminderd, wanneer gebruik zou worden gemaakt van de mogelijkheid om met behulp van rivierkundige maatregelen beveiliging te bewerkstelligen. 2.6.4.
  195. Voor zover het beroep van appellant is gericht tegen het tracébesluit, stelt de Afdeling vast dat de bezwaren van appellant geen betrekking hebben op de maatregelen die in het tracébesluit zijn opgenomen. Het beroep is in zoverre ongegrond. 2.6.4.
  196. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op het niet opnemen van de verholen waterkeringen in de concrete beleidsbeslissingen is het gericht tegen de weigering een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het niet gericht tegen de onder 2.4.
  197. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.
  198. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen. Overigens blijkt uit de stukken dat ten aanzien van de verholen waterkeringen sprake is van een bestaande situatie, waar geen ingreep zal plaatsvinden. 2.6.4.
  199. Met betrekking tot de bezwaren van appellant inzake de financiële uitvoerbaarheid van de kademaatregelen en de wijze van beveiliging, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent is overwogen onder 2.6.3.
  200. en 2.6.3.
  201. naar aanleiding van het beroep van het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas. Zij merkt hierbij op dat haar niet is gebleken dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen het belang van het Waterschap Peel en Maasvallei onvoldoende in de besluitvorming hebben betrokken. 2.6.4.
  202. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregelen in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissingen op deze onderdelen anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het algemeen bestuur van het Waterschap Peel en Maasvallei is in zoverre ongegrond. 2.
  203. Tracédeel 3 Kanaalpand Limmel-Born 2.7.
  204. Dit tracédeel betreft het Julianakanaal tot en met de sluis bij Born. Het Julianakanaal loopt hier min of meer evenwijdig aan de onbevaarbare Maas (Grensmaas), onder meer langs de plaatsen Bunde, Geulle, Elsloo, Stein, Urmond en Born. De lengte van dit tracédeel bedraagt 21 km. In dit tracédeel zijn de maatregelen uitgewerkt, die noodzakelijk zijn om de projectdoelstelling voor het deelproject Maasroute te realiseren. In het kanaalpand Limmel-Born zijn de maatregelen gericht op het verbeteren van de scheepvaartroute. Binnen dit kanaalpand vinden geen maatregelen plaats in het kader van het deelproject Zandmaas. Ten behoeve van de verbetering van de scheepvaartroute over de Maas tot een vaarweg klasse Vb-3,5 meter (tweebaksduwvaart) worden in het kanaalpand Limmel-Born de volgende maatregelen uitgevoerd: * vervanging van de keerschutsluis Limmel door een nieuwe keersluis; * verlenging van de middenkolk van sluis Born; * verbreding van het Julianakanaal: - door dijkverplaatsing in westelijke richting tot een totale breedte van 60 meter, op het ongeladen kielvlak, tussen Limmel en het begin van de bocht Elsloo; - tot een totale breedte van 60 meter, op de waterlijn, door middel van een damwand aan de westzijde van bocht Elsloo; - tot een totale breedte van 60 meter, op het ongeladen kielvlak, door dijkverplaatsing in oostelijke richting tussen Stein en brug Obbicht. De maximale dijkverplaatsing langs het Julianakanaal bedraagt hierbij 25 tot 30 meter. Ter hoogte van de bruggen wordt niet verbreed door middel van dijkverplaatsing, maar wordt een damwand onder de brug geslagen. De verbreding is hierdoor ter hoogte van de bruggen geringer dan op de rest van het Julianakanaal. Voor dit tracédeel zijn geen concrete beleidsbeslissingen in het streekplan opgenomen. 2.7.
  205. Het college van burgemeester en wethouders van Meerssen, Buurtvereniging Voulwames en Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas 2.7.2.
  206. Het college van burgemeester en wethouders van Meerssen, Buurtvereniging Voulwames en Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris het tracébesluit ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover daarbij een verbreding van het Julianakanaal in westelijke richting is voorzien. Appellanten stellen dat deze variant niet in het milieu-effectrapport is betrokken en in strijd is met de beleidslijn Ruimte voor de rivier. Tevens hebben appellanten een voorkeur voor het Meest Milieuvriendelijke Alternatief. Het college van burgemeester en wethouders van Meerssen stelt verder dat deze variant ongeveer 16 ha grondverlies oplevert voor de gemeente en dat deze een deel van het oorspronkelijke landschap doet verdwijnen. Voorts vreest het voor het leefgenot van de gehuchten Gank en Voulwames en de aantasting van Kasteel Geulle. Buurtvereniging Voulwames meent verder dat het ruimtebeslag in geval van verplaatsing van de landweg ter hoogte van de brug bij Bunde in westelijke richting niet groter mag zijn dan strikt noodzakelijk is voor verbreding van het Julianakanaal. Zij wenst dat een nieuwe tekening wordt voorgelegd. Deze appellante wijst er tenslotte op dat de reacties op de bezwaren tegen het ontwerp-tracébesluit beneden de maat zijn en een herhaling van de standpunten van de Staatssecretaris. Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas heeft ter onderbouwing van haar bezwaren een groot aantal veiligheids-, milieu-, nautische en economische aspecten naar voren gebracht. Tevens heeft zij gewezen op de alternatieve route via de Zuid-Willemsvaart. 2.7.2.
  207. De Staatssecretaris heeft tussen de brug bij Itteren (kanaalkilometer 2.9) en Stein (kanaalkilometer 12.0) gekozen voor een verbreding in westelijke richting tot een totale breedte van 60 meter in het ongeladen kielvak. 2.7.2.
  208. Voor zover appellanten bezwaar maken tegen de wijze waarop de bedenkingen tegen het ontwerp-besluit zijn weerlegd verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.
  209. is overwogen. 2.7.2.
  210. Uit de stukken is het volgende af te leiden. Naar aanleiding van het Structuurschema Verkeer en Vervoer II is de doelstelling opgenomen de Maasroute, waarvan het Julianakanaal deel uitmaakt, op te waarderen tot een Vb-klasse vaarweg. Hiertoe is een onderzoek ingesteld, hetgeen heeft geresulteerd in een rapport Nota alternatieven en varianten project Maasroute van 28 juni
  211. In dit rapport zijn de verschillende varianten, zowel in westelijke als oostelijke richting, voor de opwaardering van de Maasroute bekeken. In dit rapport is geconcludeerd dat voor het traject Limmel-Stein een kanaalverbreding aan de westkant de meest optimale oplossing lijkt. Aan de westkant liggen de minste milieu- en ruimtelijke knelpunten. Dit rapport dateert van voor de inwerkingtreding van de beleidslijn Ruimte voor de rivier. Een verbreding in het winterbed van de Grensmaas is in strijd met deze beleidslijn. Op basis van de Trajectnota/MER, die begin 1999 is gepubliceerd, is aanvankelijk gekozen voor een variant in oostelijke richting met taludverbreding. Naar aanleiding van de inspraakreacties op de Trajectnota/MER en de ingrijpende gevolgen die een verbreding in oostelijke richting zou hebben, heeft de Staatssecretaris deze keuze heroverwogen. Hierbij is de westelijke variant in aanmerking genomen. Tevens is daarbij bezien of de mogelijkheid bestaat om met inachtneming van de voorwaarden van het in de beleidslijn Ruimte voor de rivier opgenomen principe om het winterbed niet te verkleinen af te wijken van de aanvankelijk gekozen variant. Hiertoe is het rapport “Verbreding Julianakanaal; Hydraulogische berekeningen” van 20 januari 2000 opgesteld. Hieruit blijkt dat bij het verplaatsen van de dijk in westelijke richting de waterstanden in de Grensmaas met maximaal 2 mm zullen stijgen ten opzichte van een situatie zonder verbreding. Voorts zijn in het rapport “Julianakanaal westwaarts” van 15 maart 2000 nogmaals de voor- en nadelen van een verbreding van het kanaal in westelijke richting onderzocht. Vervolgens is de westelijke variant tussen de brug bij Itteren en Stein in het ontwerp-tracébesluit opgenomen. 2.7.2.
  212. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Daarbij worden een of meer besluiten van bestuursorganen terzake van die activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, zoals gewijzigd op 7 mei 1999 en in werking getreden op 6 juli 1999 (hierna te noemen: Besluit m.e.r.) worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven. In onderdeel C van de bijlage is in categorie 3.2 bepaald dat bij de vaststelling van het tracé tot vergroting of verdieping van de hoofdvaarweg door de Minister van Verkeer en Waterstaat een MER dient te worden opgesteld in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een vergroting van het ruimte-oppervlak van een hoofdvaarweg met 20% of meer. 2.7.2.
  213. Niet in geschil is dat de verbreding van het Julianakanaal een m.e.r.-plichtige activiteit is en dat de Trajectnota/MER ook op dit onderdeel van het tracébesluit ziet. In de Trajectnota/MER zijn vier alternatieven bekeken. In drie alternatieven is voor het deel van het Julianakanaal dat hier aan de orde is voorzien in verbreding in oostelijke richting door middel van een taludverbreding. In het vierde alternatief, Meest Milieuvriendelijke Allternatief (MMA), wordt tussen Limmel en Elsloo het kanaal binnen de huidige kanaaldijken verbreed, om extra ruimtebeslag in waardevolle gebieden langs het kanaal te voorkomen. Het staat derhalve vast dat de westelijke verbreding van het Julianakanaal, zoals die in het tracébesluit is opgenomen, niet in de Trajectnota/MER is bezien. De Staatssecretaris stelt zich blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting op het standpunt dat in aanmerking genomen de bovengenoemde rapporten voldoende onderzoek is gedaan naar de westelijke verbreding van het Julianakanaal. De Afdeling deelt dit standpunt niet. Zij neemt daarbij allereerst in aanmerking dat van de rapporten, waarnaar de Staatssecretaris verwijst, het rapport Nota alternatieven en varianten project Maasroute dateert van ruim voor de publicatie van de Trajectnota/MER, waarbij geen rekening is gehouden met de beleidslijn Ruimte voor de rivier. De andere door de Staatssecretaris genoemde onderzoeken dateren van ruim na de publicatie van de Trajectnota/MER. Bovendien konden in het kader van de Trajectnota/MER geen inspraakreacties ten aanzien van de westelijke variant worden ingebracht. Uit meergenoemde rapporten is de Afdeling niet aannemelijk geworden dat uitvoerig onderzoek is gedaan naar de gevolgen van een verbreding aan de westzijde. Dit klemt temeer nu, zoals uit de stukken blijkt, aan de westzijde van het Julianakanaal waardevolle gebieden zijn gelegen. Evenmin ziet de Afdeling in het rapport “Scheepvaart en Kunstwerken” van 20 april 2001 en het “Landschapsplan” dat bij het ontwerp-tracébesluit ter inzage heeft gelegen aanknopingspunten voor het standpunt dat voldoende onderzoek is gedaan naar de milieugevolgen van een westelijke verbreding. Het vorenstaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat de Staatssecretaris het tracébesluit op dit onderdeel onzorgvuldig heeft voorbereid. De beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Meerssen, Buurtvereniging Voulwames en Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas zijn derhalve gegrond, zodat het tracébesluit voor zover dat betrekking heeft op de aanduidingen “permanent ruimtebeslag” en “tijdelijk grondbeslag” tussen kanaalkilometer 2.9 en kanaalkilometer 12.0 wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van het college van burgemeester en wethouders van Meerssen, Buurtvereniging Voulwames en Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas geen bespreking meer. 2.7.
  214. [appellante sub 8] 2.7.3.
  215. [appellante sub 8], die woonachting is aan [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarbij ter plaatse is voorzien in een verbreding van het Julianakanaal. Appellante wijst er allereerst op dat zij nooit antwoord op haar vragen heeft ontvangen. Zij heeft immers geen internetaansluiting. Appellante is van mening dat dit project niet gerealiseerd moet worden omdat de samenhang met de Grensmaas niet is geregeld. Zij wenst dan ook dat uitsluitend die delen van haar perceel worden onteigend die strikt noodzakelijk zijn voor het Julianakanaal. 2.7.3.
  216. Met betrekking tot het bezwaar van appellante ten aanzien van de informatievoorziening verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 2.5.
  217. is overwogen. 2.7.3.
  218. De Afdeling stelt vast dat het beroep van appellante gericht is tegen de westelijke verbreding van het Julianakanaal. Zoals de Afdeling naar aanleiding van de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Meerssen, Buurtvereniging Voulwames en Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas onder 2.7.2.
  219. heeft overwogen dient het tracébesluit voor zover dat betrekking heeft op de aanduidingen “permanent ruimtebeslag” en “tijdelijk grondbeslag” tussen kanaalkilometer 2.9 en kanaalkilometer 12.0 te worden vernietigd. Dit betekent dat het beroep van [appellante sub 8] eveneens gegrond is. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van [appellante sub 8] geen bespreking meer. 2.7.
  220. [appellanten sub 56] 2.7.4.1[plaats] Urmond exploiteren, voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarbij ter plaatse van hun perceel is voorzien in een oostelijke verbreding van het Julianakanaal door dijkverplaatsing. Appellanten stellen dat sprake is van onevenredige getroffenheid. Zij voorzien grote problemen met betrekking tot hun bedrijfsvoering en hun woongenot op deze locatie. Voorts vrezen zij dat de geluidoverlast en de veiligheidsrisico’s vanwege de scheepvaart zullen toenemen. 2.7.4.
  221. Het bedrijf van appellanten ligt ter hoogte van kanaalkilometer 16.
  222. Blijkens het tracébesluit wordt vanaf kanaalkilometer 16.15 de verbreding gerealiseerd door dijkverplaatsing in oostelijke richting. De binnenteen van de kanaaldijk zal hier over 13 tot 20 meter in oostelijke richting verplaatst worden. Voor het agrarisch bedrijf van appellanten was in het ontwerp-tracébesluit nog sprake van een gedeeltelijke sloop van gebouwen. Door de verbreding ter plaatse met een damwandconstructie te realiseren wordt sloop voorkomen en het ruimtebeslag beperkt. Het bedrijf van appellanten beschikt over ongeveer 43 ha grond, waarvan 23 ha in eigendom en 20 ha in pacht, in verschillende gemeenten. Hiervan zullen, naar uit het verweerschrift blijkt, appellanten in totaal 00.19.46 ha (in eigendom) en 00.82.62 ha (in pacht) moeten afstaan. Anders dan appellanten stellen, zullen naar uit het verweerschrift en het deskundigenbericht is af te leiden, na de verbreding van het kanaal de veestal en de mestkelder ook vanaf de noordkant bereikbaar blijven. Voorts is ter zitting door de Staatssecretaris gesteld dat alle voorzieningen die nu op en rond de boerderij aanwezig zijn in de toekomst worden teruggeplaatst. Ten aanzien van de bereikbaarheid van de mestkelder tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is ter zitting door de Staatssecretaris toegezegd dat de bereikbaarheid in overleg met appellanten mogelijk zal blijven. Wat betreft nieuwbouw van bedrijfsgebouwen heeft de Staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat ook in de huidige situatie, gelet op de rooilijn van 30 meter van het kanaal op grond van het Rooilijnen Beleid Rijkswaterstaat en zoals vastgesteld in het bestemmingsplan, binnen die lijn geen bouwactiviteiten mogelijk zijn. Deze rooilijn is bedoeld voor reservering en onderhoud. Ter zitting is door de Staatssecretaris gesteld dat de rooilijn in de toekomst naar verwachting niet verder van het kanaal af komt te liggen dan nu het geval is. Voor het onderhoud van de westelijke gevel van de stal kan het onderhouds- annex fiets- en voetpad worden gebruikt, aldus de Staatssecretaris. Dit pad wordt verlegd tot de eigendomsgrens van appellanten. De Afdeling ziet niet in dat hierdoor de persoonlijke levenssfeer van appellanten op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Immers een deel van de gronden wordt afgeschermd door de veestal en voorts staan op het perceel hoge coniferen die het zicht op de gronden van appellanten, waaronder de tuin, beperken. Ten aanzien van de door appellanten gevreesde schade aan gebouwen als gevolg van het aanbrengen van damwanden, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.
  223. heeft overwogen. Niet is gebleken dat op grond van aldaar genoemde regeling niet aan het schade-aspect kan worden tegemoet gekomen. Overigens is uit het verweerschrift gebleken dat voor de aanvang van de werkzaamheden een nulmeting aan de gebouwen zal worden uitgevoerd, zodat eventuele schade zeer eenvoudig zal zijn aan te tonen. Wat betreft de toeneming van geluidhinder heeft de Staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat ondanks de toeneming van het goederenvervoer het aantal scheepsbewegingen niet zal toenemen, omdat er meer gevaren kan worden met grotere schepen. Deze grotere schepen zijn tevens moderne schepen waarin de motoren gebouwd zijn volgens de strengste geluids- en emissienormen. Daardoor zal de geluids- en emissiebelasting veroorzaakt door het scheepvaartverkeer niet toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Dit standpunt komt de Afdeling niet onredelijk voor. Er bestond voor de Staatssecretaris geen grond om ter plaatse een apart geluidsonderzoek in te stellen. Ook ten aanzien van de toeneming van veiligheidsrisico’s door vervoer van gevaarlijke stoffen heeft de Staatssecretaris zich naar het oordeel van de Afdeling op goede gronden op het standpunt gesteld dat de externe veiligheid ter plaatse niet zal verslechteren. Zij neemt daarbij in aanmerking dat het kanaal breder wordt, het vervoer met grotere schepen met de meest moderne veiligheidsuitrustingen zal worden uitgevoerd en het aantal schepen niet zal toenemen. Het vorenstaande in aanmerking genomen is niet aannemelijk geworden dat appellanten op onaanvaardbare wijze in hun bedrijfsvoering en hun woongenot worden geschaad. 2.7.4.
  224. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 56] is ongegrond. 2.7.
  225. Het college van burgemeester en wethouders van Stein 2.7.5.
  226. Het college van burgemeester en wethouders van Stein voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarbij is voorzien in een verbreding van de scheepvaartroute (Maasroute) voor het kanaalvak Berg a/d Maas – Brug Obbicht (km 16.15-18.9). In verband hiermee wijst appellant erop dat de bij het tracébesluit behorende kaarten met het oog op de rechtszekerheid van grondgebruikers en eigenaren op zijn minst hadden behoren te worden voorzien van een indicatieve maatvoering met betrekking tot het benodigde ruimtebeslag. Appellant brengt verder naar voren dat de evengenoemde verbreding een wezenlijke belemmering vormt voor de agrarische bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf [locatie] te [plaats]. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat het verlengen van de damwand aan de Paalweg gevolgen kan hebben voor de grondwaterstroming en het adequaat functioneren van het in Oud-Urmond aangelegde drainagesysteem. 2.7.5.
  227. Met betrekking tot de wijze waarop de bij het tracébesluit behorende kaarten zijn ingericht heeft de Staatssecretaris terecht gesteld dat de kaarten voldoen aan de in de Tracéwet gestelde eisen. In artikel 11, tweede lid, van de Tracéwet is bepaald dat bij het ontwerp-besluit ter voldoening aan artikel 1, eerste lid, onder h, onder 1o, gebruik wordt gemaakt van een of meer detailkaarten met een schaal van tenminste 1:2500 en van een of meer overzichtskaarten met een schaal van tenminste 1:20.
  228. Op de evengenoemde detailkaarten is onder meer het permanente en tijdelijke ruimtebeslag opgenomen, waaruit belanghebbenden kunnen afleiden welke gronden nodig zijn voor de uitvoering van het tracébesluit. Voorts zijn in de kaartenatlas die behoort bij het tracébesluit ook de dwarsprofielen opgenomen. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel niet in strijd is met de rechtszekerheid. 2.7.5.
  229. Voor zover de bezwaren van appellant betrekking hebben op kanaalverbreding ter hoogte van het bedrijf aan de [locatie] te [plaats] verwijst de Afdeling naar hetgeen hierover onder 2.7.4.
  230. bij de behandeling van het beroep van [appellanten sub 56] is overwogen. 2.7.5.
  231. Met betrekking tot het verlengen van de damwand aan de Paalweg erkent de Staatssecretaris, naar uit het verweerschrift blijkt, dat dit gevolgen kan hebben voor de grondwaterstroming ter plaatse en dientengevolge voor het adequaat functioneren van het drainagesysteem. Naar verwachting zal medio 2003 worden begonnen met de technische voorbereiding van dit gedeelte van het Julianakanaal. Vanaf dat moment wordt een start gemaakt met de benodigde vergunningaanvragen met bijbehorende onderzoeken, waarvan mogelijk het doen van waterhuishoudkundig onderzoek naar de effecten van de damwand onderdeel uitmaakt. De Staatssecretaris heeft, naar uit het verweerschrift blijkt, toegezegd dat appellant hierbij in een vroegtijdig stadium zal worden betrokken. 2.7.5.
  232. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van burgemeester en wethouders van Stein is ongegrond. 2.
  233. Tracédeel 4 Kanaalpand Born-Maasbracht 2.8.
  234. Dit tracédeel betreft het Julianakanaal vanaf het eind van de benedenvoorhaven van sluis Born tot en met de sluis Maasbracht. Het Julianakanaal loopt min of meer evenwijdig aan de (onbevaarbare) Grensmaas en passeert onder meer de plaatsen Buchten, Roosteren, Echt en Maasbracht. De lengte van dit tracédeel bedraagt 13 km. In dit tracédeel worden de maatregelen en ingrepen beschreven die noodzakelijk zijn om de projectdoelstelling voor het deelproject Maasroute te realiseren. Binnen dit kanaalpand vinden geen maatregelen plaats in het kader van het deelproject Zandmaas. Ten behoeve van de verbetering van de scheepvaartroute over de Maas tot een klasse Vb-vaarweg (tweeduwbaksvaart) met een diepgang van 3,5 meter worden in het kanaalpand Born-Maasbracht de volgende maatregelen uitgevoerd: * verlenging van de oostkolk van sluis Maasbracht; * verhoging van het kanaalpeil met 0,25 meter. Voor dit tracédeel zijn geen concrete beleidsbeslissingen in het streekplan opgenomen. 2.8.
  235. De Maasterp BV en andere 2.8.2.
  236. De Maasterp BV en andere, die gronden hebben in Ohé en Laak, voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellanten hebben bezwaar tegen het streekplan, voorzover daarin de Dilkensplas te Ohé en Laak als ecologische zone is bestemd. Voorts richten de bezwaren zich tegen het tracébesluit, voor zover daarin een peilopzet van 0,25 meter is voorzien. Zij vrezen als gevolg daarvan gronden te verliezen, waaronder het dagstrand. Tevens stellen zij dat de gevolgen voor de jachthaven nog niet zijn te overzien. 2.8.2.
  237. Voor zover het beroep van appellanten betrekking heeft op de in het streekplan opgenomen ecologische zone stelt de Afdeling vast, dat dit bezwaar niet is gericht tegen één van de onder 2.4.
  238. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.
  239. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen. 2.8.2.
  240. Appellanten exploiteren twee jachthavens, een camping en een dagstrand aan de [locatie] te [plaats]. Uit het tracébesluit en de nota van toelichting daarop, tracédeel 4, blijkt dat de Staatssecretaris het peil op het kanaalpand Born-Maasbracht met 0,25 meter verhoogt om de waterdiepte op de benedendrempel van sluis Born te vergroten tot 4,0 meter, zodat de sluis toegankelijk wordt voor schepen met een diepgang van 3,5 meter. De peilopzet leidt niet tot vernatting van aanliggende gebieden. De bodem van het Julianakanaal is voorzien van een slecht waterdoorlatende bekleding waardoor het kanaal hydrologisch een nagenoeg afgesloten geheel is. Het peil heeft daardoor geen invloed op de grondwaterstanden in de omgeving. De Afdeling is niet aannemelijk geworden dat dit standpunt onjuist is. De Afdeling concludeert dan ook dat de peilopzet in dit tracédeel niet leidt tot een verhoging van de waterstand in de Maas, waarmee de Schroevendaalseplas in verbinding staat. Deze plas en de Dilkensplas staan niet in verbinding met het Julianakanaal. Het is dan ook niet aannemelijk dat het bedrijf van appellanten overlast zal ondervinden als gevolg van de peilopzet. 2.8.2.
  241. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van De Maasterp BV en andere is voor het overige ongegrond. 2.
  242. Tracédeel 6 Stuwpand Roermond 2.9.
  243. Dit tracédeel heeft betrekking op het tracégedeelte vanaf stuw Linne tot en met sluis Roermond. In het streekplan is ten behoeve van de hoogwaterbescherming met een kans van 1:250 per jaar, voor Roermond aanpassing en aanleg van kaden als concrete beleidsbeslissing opgenomen. De tekst van de concrete beleidsbeslissing voor Roermond is opgenomen onder 2.4.
  244. In het kader van het tracébesluit zijn in dit tracédeel geen maatregelen voorzien. 2.9.
  245. Het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas (voor het overige) 2.9.2.
  246. Het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas stelt in beroep verder dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in een groot aantal kadevakken maatregelen zijn genomen. 2.9.2.
  247. Appellant heeft er bezwaar tegen dat provinciale staten de wijze van verhogen in kadevak 50.740/7 ten opzichte van het ontwerp-plan hebben gewijzigd. Het eerste deel wordt binnenkaads verhoogd in plaats van vierkant verhoogd. Appellant acht deze wijze van verhogen technisch en financieel minder aantrekkelijk. Voorts voert appellant aan dat het ruimtebeslag van het eerste deel van kadevak 50.740/7 zoals op kaartblad 10 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan is aangegeven niet in overeenstemming is met de voorgestelde maatregelen in het kadeplan. Uit het kadeplan blijkt dat ter plaatse van kadevak 50.740/7 de groene kade binnenkaads zal worden verhoogd met 0,30 meter tot 21,81 meter+NAP. Plaatselijk zal een kademuur komen. Appellant heeft op geen enkele wijze de technische en financiële nadelen onderbouwd. De Afdeling is niet aannemelijk geworden, dat provinciale staten niet in redelijkheid voor het binnenkaads verhogen hadden mogen kiezen. Ten aanzien van de wijze waarop de maatregelen voor kadevak 50.740/7 op kaartblad 10 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan zijn aangegeven overweegt de Afdeling dat op evenbedoelde kaart uitsluitend de verhoging van de groene kade met het bijbehorende ruimtebeslag is aangegeven. Dat ter plaatse mogelijk kademuren zullen komen is niet op de kaart aangegeven. De Afdeling acht dit in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van appellant is in zoverre gegrond, in verband waarmee het streekplan voor zover dat betrekking heeft op de concrete beleidsbeslissing voor Roermond, kadevak 50.740/7 dient te worden vernietigd. 2.9.2.
  248. Wat betreft kadevak 50.750/9-1, wijst appellant erop dat de tekst van het kadeplan van paragraaf 3.3 (p. 18), inhoudende dat op het eerste deel van onderdeel 9 (ongeveer 0,70 meter) de verhoging wellicht zal plaatsvinden in de vorm van een nieuwe kademuur, ten onrechte niet in tabel 3.2 is opgenomen. De tekst op p. 18 en tabel 3.2 zijn, aldus appellant, niet met elkaar in overeenstemming. Uit het kadeplan blijkt dat volgens tabel 3.2 er in kadevak 50.750/9-1 geen ingreep zal plaatsvinden. Op kaartblad 11 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan is voor dit kadevak als constructietype een nieuwe kademuur aangegeven. De weergave op kaartblad 11 en tabel 3.2 zijn derhalve niet met elkaar in overeenstemming, zoals door provinciale staten ter zitting ook is toegegeven. De Afdeling acht dit in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van appellant is in zoverre gegrond, in verband waarmee het streekplan voor zover dat betrekking heeft op de concrete beleidsbeslissing voor Roermond, kadevak 50.750/9-1 dient te worden vernietigd. 2.9.2.
  249. Appellant wijst erop dat in kadevak Hertenerweg/2-1 de tekst van tabel 3.2 van het kadeplan, waarin wordt vermeld dat binnenkaads wordt verhoogd in openbaar groen, niet overeenkomt met de begeleidende tekst in paragraaf 3.3 (p.18). Hierin is immers ook sprake van een kademuur. Voorts wijst appellant erop dat hier geen sprake is van openbaar groen, maar van achtertuinen. Uit de begeleidende tekst van paragraaf 3 van het kadeplan blijkt dat hier het kadevak Hertenerweg/2 in het geheel is besproken, terwijl in de tabel dit kadevak is opgesplitst in vier deelkadevakken. Gelet hierop acht de Afdeling de tabel wat betreft kadevak Hertenerweg/2-1 in overeenstemming met de begeleidende tekst. Overigens hebben provinciale staten ter zitting opgemerkt dat appellant terecht heeft gesteld dat hier geen sprake is van openbaar groen maar van tuinen. De Afdeling ziet hierin evenwel geen grond om tot vernietiging van dit onderdeel van de concrete beleidsbeslissing over te gaan. 2.9.2.
  250. Wat betreft kadevak 50.751/5-2 merkt appellant op dat in de begeleidende tekst in paragraaf 3.3 van het kadeplan (p. 19) ten aanzien van de Hambeek/Geuljanslaan is aangegeven dat de ingreep vervalt, maar dat op kaartblad 11 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan nog een kademuur is ingetekend. De Afdeling stelt vast dat in de begeleidende tekst en in tabel 3.2 van het kadeplan geen ingreep wordt vermeld. Op evenbedoeld kaartblad 11 staat een bestaande kademuur aangegeven. Uit de aanduiding kademuur kan niet worden afgeleid dat er een ingreep zal plaatsvinden. Er bestaat derhalve evenmin grond tot vernietiging van dit onderdeel van de concrete beleidsbeslissing over te gaan. 2.9.2.
  251. Appellant heeft er bezwaar tegen dat provinciale staten de wijze van verhogen in kadevak 50.760/3 ten opzichte van het ontwerp-plan hebben gewijzigd. De verhoging van 0,50 meter van het tweede deel van onderdeel 3 wordt uitgevoerd met een kademuur op de bestaande groene kade in plaats van een binnenkaadse verhoging met 0,50 meter. Appellant acht deze wijze van verhogen technisch en financieel minder aantrekkelijk. Appellant heeft op geen enkele wijze de technische en financiële nadelen onderbouwd. De Afdeling is niet aannemelijk geworden, dat provinciale staten niet in redelijkheid voor het binnenkaads verhogen hadden mogen kiezen. 2.9.2.
  252. Appellant voert aan dat het ruimtebeslag van kadevak 50.740/13-2 niet op kaartblad 10 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan is opgenomen. Volgens tabel 3.1 van het kadeplan wordt in onderdeel 13 van kadevak 50.740 de kademuur demontabel verhoogd. Onderdeel 13 is in drie delen verdeeld. De Afdeling stelt vast dat op kaartblad 10 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan geen ruimtebeslag voor kadevak 50.740/13-2 is opgenomen, hetgeen ter zitting door provinciale staten is erkend. De Afdeling acht dit in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van appellant is in zoverre gegrond, in verband waarmee het streekplan voor zover dat betrekking heeft op de concrete beleidsbeslissing voor Roermond, kadevak 50.740/13-2 dient te worden vernietigd. 2.9.2.
  253. Appellant voert tevens aan dat het ruimtebeslag voor de verhoging van de verbindende weg Burgemeester Höppenerlaan-Voorstad St. Jacob tussen kadevak 50.760/5 en kadevak 50.761/4-2 niet op kaartblad 11 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan is aangegeven. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat het ruimtebeslag voor de verhoging op kaartblad 11 is opgenomen. 2.9.2.
  254. Appellant stelt dat het ruimtebeslag van kadevak 50.761/3-1 niet juist op kaartblad 11 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan is opgenomen. Uit tabel 3.5 van het kadeplan blijkt dat ter plaatse van kadevak 50.761/3 de groene kade deels buitenkaads zal worden verhoogd en er deels een kademuur zal komen. Op kaartblad 11 van de kaartenatlas behorende bij het streekplan is voor het ruimtebeslag en het type kade een onderscheid gemaakt tussen kadevak 50.751/3-1 en kadevak 50.751/3-
  255. Voor beide kadevakken is het constructietype van de kade op kaartblad 11 opgenomen. De Afdeling acht dit niet in strijd met de rechtszekerheid. 2.9.2.
  256. Met uitzondering van de kadevakken 50.740/7, 50.750/9-1 en 740/13-2 ziet de Afdeling in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de voorziene maatregelen in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op deze onderdelen anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas is voor het overige ongegrond. 2.9.
  257. Buurtvereniging St. Johannes Nepomucenus Ool 2.9.3.
  258. Buurtvereniging St. Johannes Nepomucenus Ool voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voorzover daarin in kadevak 50.740/5 en 6 maatregelen zijn voorzien. Zij wenst dat ter hoogte van de Broekstraat te Ool een demontabele kade wordt opgenomen. Voorts voert appellante aan dat daarin geen duidelijkheid wordt gegeven over de wijze waarop het huidige voet- en fietspad in kadevak 50.740/6 terugkeert. Zij stelt dat het verhogen en verbreden van de kade in het watervoerend deel van de rivier in strijd is met de beleidslijn Ruimte voor de rivier. Verder wijst appellante erop dat het argument van beheersbaarheid van een demontabele kade in dit geval niet opgaat. Zij stelt verder dat de puntenwaardering niet goed is gedaan en geen recht doet aan de specifieke situatie ter plaatse. 2.9.3.
  259. Blijkens de stukken zijn de leden van appellante woonachtig in de [plaats] ten oosten [locatie]. De woningen van de leden vormen een lintbebouwing en zijn gelegen ter hoogte van [locatie]. De in 1997 aangelegde groene kade in dit kadevak wordt buitenkaads verhoogd met 0,30 meter tot 21,90 meter+NAP. 2.9.3.
  260. Zoals onder 2.5.2.
  261. reeds is overwogen acht de Afdeling het door provinciale staten gehanteerde uitgangspunt dat een in het kader van het Deltaplan grote rivieren aangelegde groene kade als groene kade wordt verhoogd niet onjuist. Voorts acht de Afdeling het door provinciale staten gehanteerde beoordelingssysteem voor de keuze van een demontabele kade, zoals ook onder 2.5.2.
  262. is weergegeven, in zijn algemeenheid niet onjuist. Niet aannemelijk is gemaakt dat provinciale staten in dit geval niet van de voor kadevak 50.740/6 en 5 gegeven puntenwaardering, zoals neergelegd in het rapport “Verhoging kaden Zandmaas; beoordeling van de ruimtelijke effecten” hadden mogen uitgaan. De Afdeling is niet gebleken van zodanige feiten en omstandigheden die provinciale staten aanleiding hadden moeten geven om in dit geval in afwijking van de beoordelingsmethode, voor een demontabele kade te kiezen. Wat betreft het door appellante aangevoerde bezwaar dat in het watervoerend winterbed van de Maas geen kaden mogen worden verhoogd en verbreed, wijst de Afdeling erop dat uit het kadeplan, zoals overwogen onder 2.5.2.3., naar voren komt dat bij het ontwerpen van de kaden rekening is gehouden met de beleidslijn Ruimte voor de rivier. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat deze activiteiten op grond van de beleidslijn Ruimte voor de rivier zijn toegestaan en aan de daar gestelde voorwaarden is voldaan. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. Voorts komt uit de stukken naar voren dat de kademaatregelen niet zullen leiden tot vermindering van bescherming elders in het Zandmaasgebied. 2.9.3.
  263. Het door appellante bedoelde pad loopt thans over de bestaande groene kade en het buitentalud langs de Maasstraat. Als gevolg van de verhoging van de kade zal het pad moeten verdwijnen. Uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting blijkt dat provinciale staten als uitgangspunt hanteren dat de bestaande infrastructuur wordt gerespecteerd en eventueel in aangepaste vorm weer wordt aangelegd. Gelet hierop zal het pad in de nieuwe situatie weer worden aangelegd, zodat de toeristische route blijft behouden. 2.9.3.
  264. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de in kadevak 50.740/5 en 6 voorziene maatregelen in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Buurtvereniging St. Johannes Nepomucenus Ool is ongegrond. 2.9.
  265. [appellanten sub 31] 2.9.4.
  266. [appellanten sub 31] voeren in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voorzover daarin in [locatie] en 11 maatregelen op hun percelen zijn voorzien. Appellanten wijzen erop dat zij bij geruchte hebben vernomen dat delen van hun percelen zullen worden aangekocht dan wel onteigend. Zij stellen dat bij inzage in het gemeentehuis geen enkel plan omtrent hun percelen is terug te vinden. Zij vrezen verder dat de ter hoogte van de woning aanwezige coupure wordt opgeheven. 2.9.4.
  267. Met betrekking tot het bezwaar van appellanten ten aanzien van de informatievoorziening verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 2.5.
  268. is overwogen. 2.9.4.
  269. Blijkens het verweerschrift zijn appellanten eigenaar van negen percelen ter hoogte van [plaats]. Deze percelen zijn gelegen aan de [locatie] ter hoogte van [locatie]. Op een van deze percelen staat een vakantiehuis. Ter hoogte van de percelen van appellanten worden de in 1997 aangelegde (demontabele) kademuren demontabel verhoogd. In [locatie] is er sprake van een verhoging met 0,40 meter tot een hoogte van 21,67 meter+NAP. In [locatie] wordt de kade verhoogd met 0,60 meter tot eveneens een hoogte van 21,67 meter+NAP. Voor deze maatregelen hoeven echter geen gronden van appellanten te worden aangekocht. Ter plaatse is reeds een zakelijk recht gevestigd dat voldoende is, aldus provinciale staten. Wat betreft de coupure hebben provinciale staten toegezegd dat indien de coupure, zoals door appellanten wordt gesteld, wordt gebruikt, deze overeenkomstig het algemene uitgangspunt dat aanwezige infrastructuur wordt gerespecteerd, in de nieuwe situatie terugkomt. 2.9.4.
  270. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de in [locaties] voorziene maatregelen in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 31] is ongegrond. 2.9.
  271. [appellanten sub 30] en [appellanten sub 72] 2.9.5.
  272. [appellanten sub 30] en [appellanten sub 72], allen bewoners van de [locatie] dan wel de [locatie], voeren in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in [locaties] maatregelen voor hun percelen zijn opgenomen. [appellanten sub 30] voeren ook aan dat het tracébesluit door de Staatssecretaris ten onrechte is vastgesteld. Een aantal appellanten vindt het bezwaarlijk dat de kade langs de Hambeek geprojecteerd is op hun gronden en dat zij derhalve een stuk tuin voor deze kade moeten afstaan, hetgeen de gebruikswaarde en de gebruiksmogelijkheden van de tuinen vermindert. Appellanten hebben verder bezwaren tegen het gekozen constructie-type van de kade. Tenslotte stellen appellanten dat de gegevens en formuleringen in de teksten en tabellen behorende bij de concrete beleidsbeslissing ten aanzien van [locaties] niet corresponderen dan wel onduidelijk zijn. Appellanten [naam personen], bewoners van [locatie], verzetten zich tegen het ophogen van het perceel [locatie], omdat zij vrezen voor kwelwater. 2.9.5.
  273. Voor zover het beroep van [appellanten sub 30] gericht is tegen het tracébesluit, zijn in het tracédeel dat hier aan de orde is op grond van het tracébesluit geen maatregelen voorzien. In zoverre is het beroep ongegrond. 2.9.5.
  274. Uit de stukken blijkt dat [appellanten] wonen aan de [locatie]. De tuinen van [appellanten] grenzen direct aan de [locatie]. De tuinen van [appellanten] grenzen niet aan de [locatie], maar grenzen in het noorden aan de tuin van [naam persoon], die aan de [locatie] woont. Ter plaatse is een verhoging van de bestaande constructie voorzien in overleg met bewoners. Naar uit kaartblad 11 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan blijkt, is een zeer ruim ruimtebeslag opgenomen met het oog op, zo is ter zitting gebleken, het maatwerk dat moet worden geleverd. Het gaat om waardevolle tuinen met hoogteverschillen, deel met een reeds opgerichte kademuur. Ter zitting is gebleken dat inmiddels overleg is gestart met appellanten over de aanleg van kaden, maar dat dit nog niet tot een definitief plan heeft geleid. De Afdeling stelt vast dat op evengenoemd kaartblad 11 het ruimtebeslag is aangegeven met het constructietype bestaande groene kade. Naar uit het kadeplan blijkt, is ter plaatse in kadevak 50.750/6 evenwel een kademuur aanwezig. Deze is niet op kaartblad 11 aangegeven. Evenmin is op kaartblad 11 aangegeven dat, zoals in de begeleidende tekst bij tabel 3.2 van het kadeplan is aangegeven, in kadevak 50.750/ 5 tot en met 7 ook verhoging door middel van een kademuur mogelijk is. De Afdeling acht een en ander in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van [appellanten sub 30] is voor het overige en het beroep van [appellanten sub 72] is geheel gegrond, in verband waarmee het streekplan voor zover dat betrekking heeft op de concrete beleidsbeslissing voor Roermond, kadevak [locaties], dient te worden vernietigd. 2.9.
  275. [appellant sub 17] 2.9.6.
  276. [appellant sub 17], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in kadevak [locatie] maatregelen op zijn perceel zijn opgenomen. Hij stelt dat de kade niet op zijn perceel, maar op het eigendom van het waterschap moet worden gerealiseerd, strak tegen de huidige kavelgrenzen van de aanliggende woningen en gemeentegrond. Hij meent voorts dat de kademuur de Hambeek strak dient te volgen. 2.9.6.
  277. Het perceel van appellant is gelegen op de noordelijke oever van de [locatie] ter hoogte van [locaties]. Ter plaatse van het perceel van appellant wordt in overleg met bewoners een kademuur opgericht tot een hoogte van 21,71 meter+NAP. Het perceel van appellant is 00.07.75 ha groot, waarvan maximaal 00.00.23 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Dit gedeelte is, naar uit het deskundigenbericht blijkt, in gebruik als tuin. Naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen is door provinciale staten overleg gevoerd met appellant over de aanleg van de kade en zijn precieze berekeningen gemaakt van de hoogte van het maaiveld. Uit een en ander volgt dat de kademuur ter plaatse slechts ongeveer 0,10 tot 0,40 meter hoog behoeft te worden en zo dicht mogelijk bij, of zelfs net buiten de erfgrens, kan worden gesitueerd. De kade kan binnen de grenzen van de concrete beleidsbeslissing worden uitgevoerd. Het vorenstaande in aanmerking genomen, acht de Afdeling niet aannemelijk dat het uitzicht aanzienlijk zal verminderen dan wel het gebruik van de tuin en daarmee het woongenot in ernstige mate zal worden aangetast. Indien de kade al op de gronden van appellant moet worden aangelegd, zullen hiervoor geen gronden behoeven te worden aangekocht. Ter plaatse kan in dit geval worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht. De Afdeling is dan ook van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellant bij het behoud van het uitzicht en het woongenot. 2.9.6.
  278. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregel in het [locaties] ter plaatse van het perceel in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 17] is ongegrond. 2.9.
  279. [appellanten sub 54] 2.9.7.
  280. [appellanten sub 54], die woonachtig is aan de [locatie], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin rondom Hammerveld West maatregelen zijn opgenomen. Appellant is het allereerst niet eens met de wijze waarop met zijn inspraakreactie is omgegaan. Voorts acht hij het niet nodig beschermende maatregelen te nemen nu zijn woning op voldoende hoogte ligt. Indien dit niet zo zou zijn, wegen de maatschappelijke kosten van kaden niet op tegen het schaderisico van hoogwater. Indien toch kaden moeten worden aangelegd dienen deze het beloop van de Hambeek, Roer en Groene rivier te volge

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.