(1992)de grondslag van het zogenoemde groeiklassebeleid. Blijkens het streekplan is dit beleid erop gericht de verstedelijking te concentreren door de steden sterker te laten groeien dan de dorpen. Aan een aantal Brabantse kernen is een groeiklasse-indeling toegekend, die weergeeft in welke mate deze kernen volgens het streekplan geacht worden te groeien. In het streekplan is de kern Lage Zwaluwe ingedeeld in groeiklasse
- Deze kernen hebben een lokale functie. De omvang van de bedrijvigheid dient inpasbaar te zijn in de dorpsstructuur. Daarbij gelden maatstaven voor maximale kavelgrootte, de mate van milieuhinder, de aard van de bedrijvigheid en de mate waarin het bedrijf voorziet in werkgelegenheid voor de plaatselijke beroepsbevolking. De aanvaardbaarheid van een nieuw bedrijventerrein in een groeiklasse 2-kern dient de gemeente te maken aan de hand van een stappenplan dat in de nota "Op Maat" is vervat. De Afdeling acht het vorenomschreven beleid in het algemeen niet onredelijk. 2.10.
- De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich, gelet op het provinciale beleid, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een uitbreiding van het bedrijf in de mate waarin het plan voorziet, niet als passend bij de kern Lage Zwaluwe kan worden beschouwd. Daarnaast heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling bij zijn toetsing terecht in aanmerking genomen dat het plan niet in de weg staat aan een verkaveling van de gronden ten behoeve van de oprichting van een bedrijventerrein. Vaststaat dat aan het bestreden plandeel, voorzover het de oprichting van een bedrijventerrein mogelijkheid maakt, geen afweging ten grondslag ligt zoals die is beschreven in de nota "Op Maat". Niet gebleken is van feiten en omstandigheden die voor verweerder in dit geval aanleiding hadden moeten zijn voorbij te gaan aan het achterwege laten van deze afweging. 2.10.
- Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerder heeft terecht goedkeuring onthouden aan het bestreden plandeel. Het beroep van [appellante sub 3] is in zoverre ongegrond. Proceskostenveroordeling 2.
- Ten aanzien van [appellant sub 1] en EBR Scheepsreparatie- en konstruktiebedrijf B.V. dient verweerder op na te noemen wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellante sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I verklaart het beroep van [appellant sub 1] geheel, en het beroep van EBR Scheepsreparatie- en konstruktiebedrijf B.V. gedeeltelijk gegrond; II vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 27 augustus 2002, kenmerk 812899, voorzover het betreft: a. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Horeca" en de aanduiding “geen bebouwing toegestaan"; b. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” met de nadere aanduiding “Sb” (scheepsbedrijf (bestaand cat.4-bedrijf/2.4-inrichting); c. de goedkeuring aan de aanduiding “benzinepomp” bij het plandeel met de bestemming "Water"; III verklaart het beroep van EBR Scheepsreparatie- en konstruktiebedrijf B.V. voor het overige, en het beroep van [appellante sub 3] geheel ongegrond,; IV veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door [appellant sub 1] en EBR Scheepsreparatie- en konstruktiebedrijf B.V. in verband met de behandeling van hun beroep gemaakte kosten tot een bedrag van totaal € 1481,77; dit bedrag dient door de provincie Noord-Brabant als volgt te worden betaald: aan [appellant sub 1] € 676,77, waarvan een bedrag groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en aan EBR Scheepsreparatie- en konstruktiebedrijf B.V. een bedrag van € 805,00 welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; V gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellant sub 1] en EBR Scheepsreparatie- en konstruktiebedrijf B.V. het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht € 218,00 voor EBR Scheepsreparatie- en konstruktiebedrijf B.V., en € 109,00 voor [appellant sub 1]) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Tulmans, ambtenaar van Staat. w.g. Bartel w.g. Tulmans Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2003 -381.