(7), alsmede de productiemethoden en –procédés voor de overige producten, wanneer die gevolgen hebben voor de kenmerken van deze producten. Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Richtlijn is een ‘andere eis’ een eis die, zonder een technische specificatie te zijn, ter bescherming van met name de consument of het milieu wordt opgelegd en betrekking heeft op de levenscyclus van het product nadat het in de handel is gebracht, zoals voorwaarden voor gebruik, recycling, hergebruik of verwijdering van het product, wanneer deze voorwaarden op significante wijze de samenstelling, de aard of de verhandeling van het product kunnen beïnvloeden. 2.4.
- De Afdeling is van oordeel dat het voorschrift niet behoefde te worden genotificeerd. Het voorschrift is voor het betreffende deel niet aan te merken als een technisch voorschrift als bedoeld in de Richtlijn, nu in dit deel van het voorschrift een ‘technische specificatie’ ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product noch productiemethoden en –procédés voor de in de tweede alinea, van artikel 1, tweede lid, van de Richtlijn, genoemde producten, zijn opgenomen. Het voorschrift kan evenmin worden beschouwd als ‘andere eisen’ in de zin van de Richtlijn nu de daarin gestelde eisen geen betrekking hebben op de levenscyclus van het product nadat het in de handel is gebracht. In het betreffende deel van het voorschrift worden geen eisen aan het in de inrichting aanwezige hout als zodanig gesteld. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het Besluit in zoverre niet door verweerder mocht worden gehandhaafd. 2.
- Appellante stelt voorts dat in de Bijlage bij het Besluit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel een norm voor stralingsbelasting van 15 kW/m2 op de erfgrens is opgenomen, terwijl verschil van mening bestaat over de te hanteren bronstralingswaarde bij de berekening van de norm. Verder is volgens appellante de afstandseis van 7,5 meter in de Bijlage bij het Besluit in strijd met het ALARA-beginsel zoals vastgelegd in artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, voorzover daaruit volgt dat binnen een afstand van 7,5 van de erfgrens geen nat hout mag worden opgeslagen. De afstandseis dient volgens appellante om het naleven van de norm voor stralingsbelasting te waarborgen. Nat hout heeft een lagere bronstralingswaarde, zodat bij opslag van nat hout binnen de afstand van 7,5 meter van de erfgrens de norm voor de stralingsbelasting niet zal worden overschreden. Appellante wijst er verder op dat het Besluit binnenkort op beide onderdelen zal worden gewijzigd. 2.5.
- Verweerder is bij de berekeningen ter bepaling van de stralingsbelasting op de erfgrens uitgegaan van een bronstralingswaarde van houten pallets van 100 kW/m
- Deze waarde heeft hij ontleend aan de “Richtlijn brandpreventie bij pallets” van de DCMR. Door appellante zijn geen gegevens overlegd, waaruit volgt dat deze waarde onjuist is. Ook overigens is daarvan niet gebleken. De Afdeling ziet verder in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Besluit in zoverre wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel buiten toepassing zou moeten worden gelaten. In het Besluit wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende verschijningsvormen van hout. Dit betekent, dat voor nat hout dezelfde afstandseis geldt als voor ander hout, terwijl de bronstralingswaarde van nat hout lager is. In de omstandigheid dat in het Besluit geen afzonderlijke voorschriften ten aanzien van de opslag van nat hout zijn gesteld, ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat het Besluit in zoverre onverbindend is. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding om vooruitlopend op mogelijke te wijzigen inzichten van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, waarvan thans onvoldoende is gebleken, het Besluit wat betreft de stralingsnorm en de afstandseis onverbindend te achten. 2.
- Appellante voert aan dat de enkele omstandigheid dat zij, om te voorkomen dat buiten proportioneel hoge dwangsommen worden verbeurd maatregelen heeft getroffen, uiteraard niet met zich brengt dat zij van mening is dat deze maatregelen terecht van haar worden verlangd. Dit nog los van het feit, dat appellante van mening is, dat volgens haar verweerder niet ter omschrijving van de last kan volstaan met verwijzen naar het in haar opdracht opgestelde rapport van Risk Consultants B.V. te Groningen van 11 juli
- 2.6.
- Niet in geding is dat het Besluit ten tijde van het primaire besluit wat betreft de stralingsnorm en de afstandseis werd overtreden. De Afdeling gaat er dan ook van uit dat verweerder bevoegd was om tot handhaving over te gaan. Bij het bestreden besluit waarbij verweerder de opgelegde last onder dwangsom goeddeels handhaaft, heeft verweerder wat betreft de last verwezen naar het rapport van Risk Consultants B.V.. De Afdeling vermag niet in te zien waarom verweerder niet heeft kunnen volstaan met verwijzen naar dit rapport nu daarin staat aangegeven hoe appellante de opslag op haar terrein moet realiseren ten einde aan het Besluit te kunnen voldoen. 2.
- Appellante voert ten slotte aan dat voor de aan het bestreden besluit verbonden begunstigingstermijn ten onrechte een termijn is gesteld die op het moment dat zij werd gesteld reeds was verlopen. In artikel 5:32, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat in de beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding een termijn wordt gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Na het besluit in primo hebben in het bedrijf van appellante diverse controles plaatsgehad. Daarbij is gebleken dat appellante de opslag op haar bedrijfsterrein conform het rapport van Risk Consultants B.V. zodanig heeft aangepast, dat wordt voldaan aan de stralingsnorm en afstandseis uit de Bijlage bij het Besluit. Appellante had ten tijde van het bestreden besluit mitsdien geen behoefte meer aan een begunstigingstermijn ten einde de overtreding ongedaan te maken. Gelet hierop, vormt het feit dat de begunstigingstermijn die verweerder heeft gesteld in het verleden lag, voor de Afdeling geen aanleiding om het bestreden besluit om die reden te vernietigen. 2.
- Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond; Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Brugman, ambtenaar van Staat. w.g. Drupsteen w.g. Brugman Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2003 205.