(1999), het rapport "Vervolgstudie SVVP: Onderzoek ontsluitingsvarianten" (augustus 2000) en het rapport "Verkeersprognoses etmaal 2005/2015 MER Westelijke Randweg Beverwijk" (mei 2001), kan worden afgeleid dat het plan voor de aanleg van een westelijke randweg bij Beverwijk meer dan twintig jaar bestaat en dat het oorspronkelijke doel het ontlasten van het centrum van Beverwijk van doorgaand verkeer tussen Heemskerk en de Velsertraverse was. Uit deze stukken en het in opdracht van appellante opgestelde rapport "Verkeersonderzoek: doorgaand verkeer in Beverwijk?" (mei 1998) blijkt eveneens dat na de openstelling van de Wijkertunnel en de aansluiting van Heemskerk op de A9 de verkeersproblematiek van het doorgaande verkeer tussen Heemskerk en de Velsertraverse in Beverwijk is verminderd. In het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: het deskundigenbericht) wordt op basis van de voornoemde onderzoeken dan ook geconstateerd dat de aanleg van de westelijke randweg geen grote bijdrage zal leveren aan het verminderen van dat doorgaande verkeer in Beverwijk. In voornoemde stukken wordt het verminderen van het doorgaande verkeer niet als enige doelstelling voor de aanleg van de westelijke randweg genoemd. De westelijke randweg zal met name een functie krijgen als ontsluiting van het te ontwikkelen BPIJ. Met de aanleg van deze weg kan worden voorkomen dat het vrachtverkeer van en naar delen van het BPIJ door de bebouwde kommen van Beverwijk en Heemskerk moet rijden. Dit geldt ook voor het bovenregionale verkeer dat afkomstig is van het bedrijventerrein Houtwegen in Heemskerk. Voorts wordt in het deskundigenbericht gesteld dat de westelijke randweg een functie zal hebben voor de ontsluiting van Wijk aan Zee, in die zin dat de route Zeestraat – Vondelweg ontlast wordt. De aanwezigheid van de westelijke randweg biedt voorts mogelijkheden om niet-doorgaand, maar wel extern verkeer uit de bebouwde kom en het centrum van Beverwijk naar de westelijke randweg te dwingen, door het aanbrengen van verkeersbelemmerende maatregelen in de bebouwde kom en het centrum. Een voorbeeld daarvan is het aanbrengen van een zogenoemde knip in de Alkmaarseweg. Uit de "Vervolgstudie SVVP: Onderzoek ontsluitingsvarianten" kan worden afgeleid dat de westelijke randweg een mix van echt doorgaand verkeer, intern verkeer en extern verkeer zal gaan trekken. De verwachte verkeersintensiteit op de westelijke randweg in 2010 is geschat op 7.000 tot 8.000 motorvoertuigen per etmaal. 2.4.
- In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gemeenteraad en verweerder op basis van de verschillende rapporten onvoldoende inzicht hadden in de functie van en de verwachte verkeersintensiteit op de westelijke randweg en de gevolgen van de aanleg van de westelijke randweg voor het verkeer op de overige wegen in Beverwijk. De Afdeling merkt daarbij op dat de gemeenteraad en verweerder zich niet alleen op het milieu-effectrapport en de aanvulling daarop hebben gebaseerd, maar dat zij tevens de daarna verschenen rapporten bij hun besluiten hebben betrokken. De Afdeling is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen stellen dat de redenen voor de aanleg van de weg die ten grondslag hebben gelegen aan het opnemen van de westelijke randweg in het streekplan nog steeds actueel zijn. Gezien het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een zwaarwegend belang met de aanleg van de weg is gemoeid. Voorts is van belang dat in het plan, mede op basis van de verschillende varianten die in het milieu-effectrapport zijn beschreven, is gekozen voor een tracé dat zoveel mogelijk op of tegen het bedrijfsterrein van Corus ligt. Het alternatief dat door appellante wordt genoemd, een tracé over of nabij de Willem Bakkerweg, nabij de Pompstationweg en nabij het bestaande spoor, is in het milieu-effectrapport niet nader onderzocht. In bijlage 3 bij het milieu-effectrapport is daarvoor onder meer als reden gegeven dat dat gebied door het huidige bovengrondse en ondergrondse ruimtegebruik onvoldoende ruimte biedt voor de aanleg van de weg. Bovendien wordt de Willem Bakkerweg gebruikt voor intern bedrijfsverkeer van Corus; openstelling van die weg voor alle verkeer is in verband met de veiligheid niet gewenst. 2.4.
- Ten aanzien van het betoog van appellante dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de natuurwaarden in het plangebied zodat geen inzicht bestaat in de te nemen compenserende en mitigerende maatregelen, overweegt de Afdeling het volgende. In het milieu-effectrapport dat dateert van maart 1998, is een beschrijving gegeven van de natuurwaarden in het plangebied. Vervolgens is naar aanleiding van een verzoek van de Commissie voor de milieu-effectrapportage in een aanvulling op het milieu-effectrapport (januari 1999) nader ingegaan op de waarde van het gebied voor fauna. Voorts heeft de provincie Noord-Holland een onderzoek gedaan naar de aanwezige natuurwaarden in de binnenduinrand, waaronder het plangebied valt. In het definitieve rapport "Natuurtypen in de binnenduinrand van Heemskerk, Beverwijk en Velsen Noord" van 16 november 2001, zijn de gegevens uit het rapport "Groot Westerhout en de Binnenduinrand – flora en fauna", dat onder meer in opdracht van appellante is opgesteld, verwerkt. De Afdeling ziet in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende onderzoek is gedaan naar de aanwezige natuurwaarden. De omstandigheid dat, zoals in het deskundigenbericht wordt gesteld, in het milieu-effectrapport de soortenrijkdom is onderschat, doet daar niet aan af. Zowel de gemeenteraad als verweerder hebben bij hun besluit tot vaststelling respectievelijk omtrent goedkeuring van het plan zowel het milieu-effectrapport als het rapport van 16 november 2001 betrokken. 2.4.
- De compenserende en mitigerende maatregelen zijn nader beschreven in het in opdracht van het gewest IJmond opgestelde "Groen en waterplan Binnenduinrand Heemskerk, Beverwijk, Velsen Noord" (september 2001). In dit plan is de gewenste ontwikkeling van de binnenduinrand als onderdeel van de PEHS beschreven; het gebied waar de westelijke randweg wordt aangelegd en de gronden die ter compensatie daarvan zullen worden ontwikkeld zijn onderdeel van het grotere gebied waarop dit plan betrekking heeft. De voorgestelde compenserende en mitigerende maatregelen hebben onder meer betrekking op de aanleg van een ecologische zone, een plas en graslanden als compensatie van de oppervlakte van de PEHS die door de aanleg van de weg verloren gaat, de inpassing van de weg in het landschap, en de aanleg van faunapassages. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zal worden voorzien in voldoende compenserende en mitigerende maatregelen. Zij neemt daarbij in aanmerking dat uit het voornoemde rapport van 16 november 2001 blijkt dat de daarin opgenomen inventarisatie van natuurwaarden de uitgangssituatie vormt voor de ontwikkeling van het Groen en waterplan. 2.4.
- Gezien het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleg van de weg niet in strijd is met het in het streekplan verwoorde beleid ten aanzien van de PEHS. 2.
- Ten aanzien van het betoog van appellante dat in het plangebied diverse planten- en diersoorten aanwezig zijn die worden beschermd op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) overweegt de Afdeling het volgende. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in de procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voorzover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. 2.5.
- Ingevolge artikel 8 van de Ffw is het verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen. Ingevolge artikel 10 van deze wet is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort opzettelijk te verontrusten. Ingevolge artikel 11 van deze wet is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. Ingevolge artikel 75, vierde lid, van de Ffw, voor zover hier van belang, worden vrijstellingen en ontheffingen slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Ingevolge het vijfde lid van dit artikel worden, onverminderd het vierde lid, voor soorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat: c. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen. In het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten is in artikel 2, tweede lid, bepaald dat als andere belangen als bedoeld in artikel 75, vierde lid, onder c (lees: artikel 75, vijfde lid, onder c) zijn aangewezen: e. dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, met dien verstande dat vanwege dit belang geen ontheffing kan worden verleend ten aanzien van vogels behorende tot een beschermde inheemse diersoort. 2.5.
- Uit het voornoemde rapport van 16 november 2001 blijkt dat in de binnenduinrand verschillende planten- en diersoorten aanwezig zijn die bescherming genieten op grond van de Ffw. Aangezien het onderzoek betrekking heeft op een groter gebied dan de gronden die voor de aanleg van de weg zullen worden gebruikt kan uit de inventarisatie niet worden afgeleid of de beschermde soorten zich ook ter plaatse van het tracé bevinden. Ter zitting heeft verweerder zich onder meer op grond van de eerste resultaten van het flora- en faunaonderzoek van Adviesbureau [naam adviesbureau] van 19 september 2003, op het standpunt gesteld dat de rugstreeppad en vier andere soorten amfibieën op het tracé voorkomen. Voorts is niet uitgesloten dat de zandhagedis op het tracé voorkomt. De rugstreeppad en de zandhagedis staan op bijlage IV van de Habitatrichtlijn. 2.5.
- Uit het bestreden besluit volgt niet dat verweerder heeft bezien of het plan zonder daarbij in strijd te handelen met het bepaalde in de Ffw uitvoerbaar is, dan wel, zo van deze strijdigheid moet worden uitgegaan, op basis van de onderzoeksgegevens voldoende heeft onderzocht of op voorhand redelijkerwijs te verwachten is dat een ontheffing op grond van de Ffw, indien vereist, zal kunnen worden verleend. In die afweging dient verweerder nadrukkelijk de relevante ontheffingscriteria te betrekken. Voor een soort die op bijlage IV van de Habitatrichtlijn voorkomt zijn dit: geen afbreuk aan een gunstige staat van instandhouding van de soort en geen andere bevredigende oplossing, met het oog op dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. De enkele opmerking in het bestreden besluit dat een ontheffing indien nodig, zal worden aangevraagd en dat verwacht mag worden dat die zal worden verleend, is in dit opzicht onvoldoende. De hiervoor bedoelde afweging heeft evenmin plaatsgevonden in het rapport van Adviesbureau [naam adviesbureau]. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" in strijd is met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. 2.
- De Afdeling ziet geen aanleiding voor vergoeding van de kosten die gemaakt zijn voor het opstellen van een deskundigenrapport, aangezien voor de behandeling van dit beroep door appellante geen stukken zijn overgelegd, die als deskundigenrapport kunnen worden aangemerkt. De onderhavige zaak en de zaken 200300554/1 en 200304130/1, die eveneens op de zitting van 6 oktober 2003 zijn behandeld moeten naar het oordeel van de Afdeling als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden aangemerkt. Daarom ziet de Afdeling aanleiding verweerder in de onderhavige zaak te veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de reis-, verblijf- en verletkosten die gemaakt zijn voor de door appellante meegebrachte deskundige ter zitting, en in de bovengenoemde samenhangende zaken geen aparte vergoeding van de proceskosten toe te kennen. Anders dan appellante heeft gevraagd stelt de Afdeling de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak, als bedoeld in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, op
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 6 augustus 2002, kenmerk 2002-1475, voorzover het de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden" betreft; III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.064,95, welk bedrag voor het deel van € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Holland te worden betaald aan appellante; IV. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat. w.g. Dolman w.g. Verbeek Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2003 388.