200204619/1. Datum uitspraak: 26 november 2003 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Norske Skog Parenco B.V.", gevestigd te Renkum, 2. de stichting "Stichting Gelderse Milieufederatie", gevestigd te Arnhem, appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 2 juli 2002, kenmerk MW00.39243, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer onder meer aan appellante sub 1 een vergunning verleend voor het veranderen van een papierfabriek ten behoeve van de vervanging van de bestaande, inmiddels afgeschreven verbrandingsinstallatie door een nieuwe installatie met een grotere verwerkingscapaciteit van 240.000 ton/ jaar gelegen op het industrieterrein [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie [-], nummers [-] en [-]. Dit besluit is op 18 juli 2002 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 21 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2002, en appellante sub 2 bij brief van 27 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2002, beroep ingesteld. Bij brief van 29 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 23 april 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], manager, en verweerder, vertegenwoordigd door P.W.Th. Rosendaal en ir. A.J.P.M. Toonders, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Renkum, vertegenwoordigd door C. Blom, ambtenaar van de gemeente. Buiten bezwaar van partijen heeft verweerder nog stukken in het geding gebracht. Deze zijn aan partijen toegezonden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting. 2. Overwegingen 2.1. Appellante sub 1 heeft haar bezwaar tegen het hanteren van het systeem van jaarvrachten ter zitting ingetrokken. 2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door: a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit; b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit; c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht; d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Appellante sub 2 heeft de grond inzake de toegestane geuremissie tijdens onderhoud en storing van de installatie niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante sub 2 in zoverre niet-ontvankelijk is. 2.3. Appellante sub 2 voert aan dat ten onrechte de verslagen van het vooroverleg niet ter inzage zijn gelegd. 2.3.1. Ingevolge artikel 3:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden met het ontwerp van het besluit ter inzage gelegd: a. een exemplaar van de aanvraag met de daarbij behorende stukken; b. indien vooroverleg over de aanvraag heeft plaatsgehad, een verslag daarvan; c. de rapporten en adviezen die in verband met het ontwerp zijn uitgebracht, voorzover deze redelijkerwijs nodig kunnen zijn voor een beoordeling van het ontwerp; d. een overzicht van de niet ter inzage gelegde rapporten en adviezen en, voorzover redelijkerwijs nodig voor een beoordeling van het ontwerp, van de eerder genomen, nog van kracht zijnde besluiten die hetzelfde onderwerp betreffen, waarbij vermeld wordt waar en wanneer deze stukken kunnen worden ingezien. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan de ter inzage gelegde stukken aanvult met nieuwe relevante stukken en gegevens, waaronder in ieder geval de overeenkomstig paragraaf 3.5.4 ingebrachte adviezen en bedenkingen en de verslagen van de mondeling ingebrachte bedenkingen en gedachtewisselingen over het ontwerp. 2.3.2. De Afdeling stelt vast dat van de gevoerde vooroverleggen verslagen zijn opgesteld. Van deze verslagen is een samenvatting gemaakt. Deze samenvatting is ter inzage gelegd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat in zoverre overeenkomstig artikel 3:21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht is gehandeld. Deze beroepsgrond treft geen doel. 2.4. Appellante sub 2 voert aan dat de stukken, waaronder de vergunningaanvraag van 4 december 2001, ten onrechte één dag niet op het provinciehuis konden worden ingezien, nu de daarvoor verantwoordelijke ambtenaar niet aanwezig was. 2.4.1. Ingevolge artikel 3:44, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover hier van toepassing, kunnen gedurende zes weken vanaf de dag waarop een exemplaar van het besluit ter inzage is gelegd, de stukken worden ingezien tijdens de werkuren. 2.4.2. Niet wordt betwist dat het bestreden besluit in overeenstemming met hetgeen is bepaald in artikel 3:44, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gedurende 6 weken ter inzage heeft gelegen op het provinciehuis. Dat in die periode gedurende één dag de stukken, waaronder de desbetreffende vergunningaanvraag, niet konden worden ingezien, betreft een onregelmatigheid die dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Een dergelijke onregelmatigheid kan derhalve geen grond vormen voor vernietiging van het bestreden besluit aangezien deze niet met terugwerkende kracht de rechtmatigheid van dat besluit kan aantasten. Deze beroepsgrond faalt derhalve. 2.5. Appellante sub 2 voert aan dat bij de aanvraag een niet-technische samenvatting ontbreekt. 2.5.1. Ingevolge artikel 5.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer gaat de aanvraag vergezeld van een niet-technische samenvatting van de in het eerste lid bedoelde gegevens. 2.5.2. Volgens de Nota van Toelichting bij het Besluit tot wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit (Stb. 1997, 418) is de betekenis van een dergelijke samenvatting dat voor een algemeen publiek voldoende inzicht bestaat om een oordeel te kunnen vormen over de vergunningaanvraag en de gevolgen die de inrichting voor het milieu zou kunnen hebben. Bij de vergunningaanvraag van 4 december 2001 is een uiteenzetting gevoegd omtrent de werking van de wervelbedverbrandingsoven en de gevolgen daarvan voor het milieu. Deze uiteenzetting is aan te merken als een niet-technische samenvatting van de vergunningaanvraag, nu deze uiteenzetting voor een algemeen publiek een voldoende inzicht verschaft over de vergunningaanvraag en de gevolgen die deze verandering van de inrichting voor het milieu heeft. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat een niet-technische samenvatting zou ontbreken. Deze beroepsgrond treft geen doel. 2.6. Ter zitting heeft appellante sub 2 betoogd dat verweerder bij het bepalen van de best beschikbare techniek heeft miskend dat de onderhavige aanvraag diende te worden getoetst aan de richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn). 2.6.1. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de IPPC-richtlijn treffen de Lid-Staten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding aan deze richtlijn te voldoen. Op 30 oktober 1999 is deze implementatietermijn verstreken. Gelet hierop overweegt de Afdeling dat de IPPC-richtlijn mogelijk rechtstreeks werkende bepalingen van Europees recht bevat waarvan de handhaving door de nationale rechter op grond van het gemeenschapsrechtelijke effectiviteitsbeginsel moet worden verzekerd. Artikel 1 van de IPPC-richtlijn luidt: Deze richtlijn heeft de geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging door de in bijlage I genoemde activiteiten ten doel. Zij bevat maatregelen ter voorkoming en, wanneer dat niet mogelijk is, beperking van emissies door de bedoelde activiteiten in lucht, water en bodem, met inbegrip van maatregelen voor afvalstoffen, om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken, onverminderd de bepalingen van Richtlijn 85/337/EEG en andere Gemeenschapsvoorschriften. In bijlage I is onder categorie 6.1, aanhef en onder b opgenomen: Industriële installaties voor de fabricage van papier en karton met een produktiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag; Artikel 2. aanhef en onder 3, van de IPPC-richtlijn luidt: In deze richtlijn wordt verstaan onder: installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I vermelde activiteiten en processen alsmede andere daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging; Artikel 2, aanhef en onder 4, van de IPPC-richtlijn luidt: In deze richtlijn wordt verstaan onder: bestaande installaties: een installatie die in bedrijf is of, in het kader van de voor de datum van toepassing van deze richtlijn bestaande wetgeving, een installatie waarvoor een vergunning is verleend of waarvoor naar het oordeel van de bevoegde autoriteit een volledige vergunningsaanvraag is ingediend, op voorwaarde dat die installatie uiterlijk een jaar na de datum van toepassing van deze richtlijn in werking wordt gesteld; In artikel 12, tweede lid, van de IPPC-richtlijn zijn met betrekking tot een door de exploitant beoogde belangrijke wijziging in de exploitatie van de installatie in de zin van artikel 2, aanhef en onder 10, onder meer de desbetreffende voorschriften van de artikelen 3 en 9 van de richtlijn van overeenkomstige toepassing verklaard. Artikel 12, tweede lid, van de IPPC-richtlijn luidt: De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een door de exploitant beoogde belangrijke wijziging in de exploitatie van de installatie in de zin van artikel 2, punt 10, niet geschiedt zonder een vergunning overeenkomstig deze richtlijn. De aanvraag van een vergunning en het besluit van de bevoegde autoriteiten moeten betrekking hebben op de delen van de installatie en de in artikel 6 opgesomde punten waarop de wijziging van invloed kan zijn. De desbetreffende voorschriften van de artikelen 3 en 6 tot en met 10 en artikel 15, leden 1, 2 en 4, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 3, aanhef en onder a, van de IPPC-richtlijn, alsmede de slotalinea van dit artikel luiden: De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen opdat de bevoegde autoriteiten ervoor zorgen dat de installatie zo zal worden geëxploiteerd dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.