200102937/
- Datum uitspraak: 10 december 2003 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 3], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 6], gevestigd te [plaats],
- [appellanten sub 7], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 8], gevestigd te [plaats],
- [appellanten sub 9], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 10], gevestigd te [plaats],
- [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “De Stapperij B.V.”, gevestigd te [plaats],
- [appellant sub 14], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 15], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 16], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 17], gevestigd te [plaats],
- [appellant sub 18], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 19], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 20], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 21], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 22], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 23], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 24], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 25], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 26], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 27], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 28], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 29], wonend te {woonplaats],
- [appellant sub 30], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 31], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 32], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 33], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 34], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 35], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 36], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 37], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 38], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 39], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 40], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 41], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 42], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 43], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 44], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 45], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 46], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 47], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 48], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 49], wonend te [woonplaats],
- de vereniging “Ondernemers Vereniging Oirschot”, gevestigd te [plaats],
- [appellant sub 51], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 52], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 53], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 54], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 55], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 56], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 57], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 58], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 59], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 60], wonend te [woonplaats],
- [appellanten sub 61], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 62], gevestigd te [plaats],
- [appellanten sub 63], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 64], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 65], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 66], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 67], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 68], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 69], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 70], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 71], gevestigd te [plaats],
- Afdeling Oirschot-De Beerzen van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (hierna: ZLTO), gevestigd te [plaats],
- [appellanten sub 73], beide te [plaats],
- [appellante sub 74], gevestigd te [plaats],
- [appellanten sub 75], alle te [plaats],
- het college van burgemeester en wethouders van [plaats],
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “HERAS Holding Company B.V.” en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “CRH Fencing & Security Group B.V.”, beide gevestigd te [plaats],
- [appellante sub 78] gevestigd te [plaats],
- [appellant sub 79], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 80], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 81], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 82], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 83], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 84, gevestigd te [plaats],
- [appellanten sub 85], gevestigd te [plaats],
- [appellanten sub 86], wonend te [woonplaats],
- Sint Sebastiaans Gilde Oirschot, gevestigd te [plaats],
- [appellant sub 88], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 89], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 90], gevestigd te [woonplaats],
- [appellant sub 91], wonend te [woonplaats],
- de stichting “Stichting Boterwijk”, gevestigd te [plaats],
- [appellant sub 93], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 94], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 95], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 96], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 97], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 98] gevestigd te [plaats],
- [appellant sub 99], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 100], wonend te [woonplaats],
- Beheer Landgoed [naam], te [plaats],
- [appellant sub 102], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 103], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 104], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 105], wonend te [woonplaats],
- [appellanten sub 106], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 107], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 108], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 109], wonend te [woonplaats],
- [appellanten sub 110], gevestigd te [plaats] en wonend te [woonplaats],
- [appellanten sub 111], wonend te [woonplaats],
- [appellanten sub 112], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 113 A], wonend te [woonplaats], [appellante sub 113 B], gevestigd te [plaats],
- [appellant sub 114], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 115], wonend te [woonplaats],
- [appellanten sub 116], alle te [plaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder.
- Procesverloop Bij besluit van 17 oktober 2000 heeft de gemeenteraad van Oirschot, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Oirschot van 11 oktober 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Buitengebied". Verweerder heeft bij zijn besluit van 5 juni 2001, nr. 718165, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. Bij brief van 22 maart 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 31 januari
- Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2002, 23 september 2003, 25 september 2003, 30 september 2003 en 2 oktober 2003, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook verweerder en de gemeenteraad van Oirschot hebben zich doen vertegenwoordigen. Appellanten sub 9, 15, 16, 25, 26, 27, 29, 30, 31, 35, 37, 42, 46, 47, 48, 49, 40, 51, 58, 59, 62, 63, 71, 73, 75, 78, 80, 82, 86, 88, 89, 90, 96, 101, 102, 103, 104, 105, 106, 112, 114 en 115 zijn niet verschenen en hebben zich evenmin doen vertegenwoordigen.
- Overwegingen [appellant sub 28] heeft zijn beroepsgrond tegen de onthouding van goedkeuring aan artikel 4.6.
- van de planvoorschriften ter zitting ingetrokken. 2.
- TEN AANZIEN VAN DE ONTVANKELIJKHEID 2.1.
- Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen. 2.1.
- [appellanten sub 9] hebben beroepsgronden aangevoerd tegen het plandeel voor hun gronden aan de [locatie sub 1], voorzover dit niet voorziet in een zelfstandig bouwblok met uitbreidingsmogelijkheden. [appellanten sub 86] heeft beroepsgronden aangevoerd tegen het plandeel voor hun gronden aan de [locatie sub 2], voorzover dit voorziet in de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden”. [appellant sub 89] heeft, onder meer, beroepsgronden aangevoerd tegen de bestemming "Bosgebied en verspreide houtopstanden" die aan een deel van zijn gronden is toegekend, en tegen het niet als zodanig bestemmen van een schuur. [appellant sub 109] heeft, onder meer, beroepsgronden aangevoerd tegen de aanduiding ‘te ontwikkelen natuur(reservaats)gebied’ en tegen de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden” voor zijn perceel aan de Oude Grintweg. Deze door appellanten aangevoerde beroepsgronden steunen niet op een bij de gemeenteraad tegen het ontwerp-plan ingebrachte zienswijze. De beroepsgrond van [appellanten sub 9] heeft betrekking op een plandeel dat ten opzichte van het ontwerp-plan gewijzigd is vastgesteld. Uit de strekking van artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vloeit evenwel voort dat het beroep van appellanten slechts ontvankelijk is voorzover de bij de vaststelling aangebrachte wijzigingen niet leiden tot het met de zienswijze beoogde resultaat. Dit is niet het geval nu bij de vaststelling van het plan de gemeenteraad geheel aan de door appellanten ingebrachte zienswijze is tegemoet gekomen. Het plan is in zoverre gewijzigd vastgesteld dat een gekoppeld bouwblok is opgenomen voor de gronden van appellanten aan de [locatie sub 3] en [locatie sub 1], waarbij voldoende ruimte is geboden om de door appellanten voorgestane uitbreiding van hun bedrijf te kunnen realiseren. De beroepsgronden van de overige appellanten hebben geen betrekking op de bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijzigingen. De beroepen van appellanten hebben evenmin betrekking op een onthouding van goedkeuring van verweerder. Gesteld noch gebleken is dat appellanten redelijkerwijs niet in staat zijn geweest ter zake een zienswijze in te brengen. De beroepen van [appellanten sub 9] en [appellanten sub 86] zijn dan ook geheel, en de beroepen van [appellant sub 89] en [appellant sub 109] zijn in zoverre dan ook niet-ontvankelijk. 2.1.
- Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking. Dit is slechts anders voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake bedenkingen in te brengen. 2.1.
- [appellanten sub 106] hebben beroepsgronden aangevoerd tegen de in artikel 9.2.2., aanhef en onder a., van de planvoorschriften opgenomen maximale omvang van woningen van 550 m³. [appellant sub 69] heeft, onder meer, beroepsgronden aangevoerd tegen de omvang van het door de raad toegekende bouwblok voor zijn gronden aan de [locatie sub 4]. Beheer Landgoed [naam] heeft, onder meer, beroepsgronden aangevoerd tegen de bestemming van de bossen op het landgoed en tegen het ontbreken van een regeling in het bestemmingsplan voor het vervangen van houtopstanden van slechte kwaliteit. [appellant sub 102] heeft beroepsgronden aangevoerd tegen het plandeel voor zijn gronden aan de [locatie sub 5], voorzover dit niet voorziet in de mogelijkheid tot het exploiteren van een camping en het organiseren van fietstochten en rondleidingen. [appellant sub 103] heeft, onder meer, beroepsgronden aangevoerd tegen het niet toekennen van de aanduiding “beeldbepalend pand” aan zijn woning. De Stichting Boterwijk heeft onder meer beroepsgronden aangevoerd tegen een plandeel dat de raad gewijzigd heeft vastgesteld. Deze door appellanten aangevoerde beroepsgronden steunen niet op een door hen bij verweerder ingebrachte bedenking tegen het plan. De beroepsgronden van appellanten hebben evenmin betrekking op een onthouding van goedkeuring door verweerder. Gesteld noch gebleken is dat appellanten redelijkerwijs niet in staat zijn geweest ter zake een bedenking in te brengen. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door Beheer Landgoed [naam] gestelde omstandigheid dat de laatste pagina van haar bedenkingengeschrift abusievelijk niet is meegefaxt. Op appellante rust de verplichting tijdig bedenkingen in te brengen. Het risico van een gebrekkige faxverzending dient dan ook in beginsel voor rekening van appellante te komen. Omdat het door verweerder per fax ontvangen bedenkingengeschrift als zodanig een afgeronde indruk maakt, ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat verweerder met het oog op een zorgvuldige besluitvorming in dit geval appellant op de gebrekkige faxverzending had moeten wijzen. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door Stichting Boterwijk gestelde omstandigheid dat de zienswijzenota over het door appellante bestreden plandeel onduidelijk is, en dat van de zijde van de gemeente desgevraagd geen duidelijkheid is verschaft over de aard van de wijziging. De Afdeling is van oordeel dat uit de tekst van de zienswijzenota in voldoende mate kan worden afgeleid dat de raad bij de vaststelling van het bestreden plandeel op deze gronden de bouw van een bedrijfswoning mogelijk heeft gemaakt. Hieruit volgt dat de zienswijzenota in zoverre voldoende aanknopingspunten biedt om althans een begin van een gemotiveerde bedenking tegen het gewijzigd vastgestelde plandeel bij verweerder naar voren te brengen. Het beroep van [appellanten sub 106] en het beroep van [appellant sub 102] is dan ook geheel, en de beroepen van [appellant sub 69], Beheer Landgoed [naam], [appellant sub 103] en de Stichting Boterwijk zijn dan ook in zoverre niet-ontvankelijk. 2.1.
- [appellant sub 24] heeft ter zitting aangevoerd dat het plan ten onrechte niet voorziet in de oprichting van mestsilo's tot een hoogte van 15 meter. Dit bezwaar is niet verwoord in het door appellant ingediende beroepschrift. De Afdeling stelt vast deze beroepsgrond buiten de beroepstermijn is ingediend. Ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht blijft ten aanzien van deze beroepsgrond niet-ontvankelijk verklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. Gesteld noch gebleken is dat in dit geval sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. Het beroep van [appellant sub 24] is in zoverre niet-ontvankelijk. 2.
- TOETSINGSKADER VAN DE AFDELING 2.2.
- Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast. 2.
- DOELSTELLING VAN HET PLAN 2.3.
- Met het plan wordt beoogd een deel van het buitengebied van de gemeente Oirschot van een actuele planologische regeling te voorzien. 2.
- FORMELE BEZWAREN 2.4.
- [appellant sub 2] stelt dat aan de totstandkoming van het plan een gebrek kleeft omdat hij laat is uitgenodigd voor de hoorzitting. Omdat hij die dag elders reeds verplichtingen had, kon hij niet bij de hoorzitting aanwezig zijn. 2.4.1.
- Ingevolge artikel 27, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening stelt verweerder degenen die tijdig bedenkingen hebben ingebracht in de gelegenheid tot het geven van een nadere mondelinge toelichting. Appellant heeft op 10 mei 2001 een uitnodiging ontvangen om op 15 mei 2001 een mondelinge toelichting op de ingebrachte bedenkingen te geven. Een dergelijke termijn moet in het algemeen, en ook in dit geval, voldoende worden geacht om maatregelen te treffen die ertoe strekken dat de belangen van appellant worden behartigd door een derde, indien hij niet in persoon op de hoorzitting aanwezig kan zijn. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 27, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening tot stand is gekomen. Dit bezwaar treft geen doel. 2.
- RECONSTRUCTIE 2.5.
- [appellante sub 10], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 38], [appellant sub 40], [appellant sub 43], [appellant sub 44], [appellant sub 52], [appellant sub 54], [appellante sub 55], [appellant sub 56], [appellant sub 57], [appellant sub 64], [appellant sub 65], [appellant sub 68], [appellant sub 69], [appellant sub 66], [appellant sub 70], de ZLTO, [appellanten sub 73], het college van burgemeester en wethouders van Oirschot, [appellant sub 91], [appellant sub 93], [appellant sub 94], en [appellant sub 107] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een groot aantal plandelen die voorzien in agrarische bouwblokken wegens strijd met het zogenoemde interimbeleid. Zij voeren aan dat met de partiële herziening van het Streekplan Noord-Brabant 1992 in verband met “Ruimte voor ruimte” en Interimbeleid Agrarisch vestigingsbeleid (hierna: de partiële herziening) in het plan geen rekening kon worden gehouden, zodat de handelwijze van verweerder om de partiële herziening als toetsingskader te gebruiken bij zijn beoordeling van het plan, onredelijk is. In dit verband wijst een aantal appellanten op de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2001, nr. 200004597/
- Zij stellen voorts dat het bestreden besluit op dit onderdeel in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, nu dit is gebaseerd op beleid dat ten tijde van het nemen van het besluit onvoldoende was uitgewerkt. De partiële herziening is volgens appellanten inhoudsloos nu deze geen toetsingscriteria bevat maar slechts naar toekomstig beleid verwijst. De toelichting bij de partiële herziening en de Hoofdlijnen Provinciale Uitgangspunten Nota reconstructie Noord-Brabant (hierna: PUN) bieden in dit verband geen uitkomst nu deze eveneens nader uit te werken beleid bevatten, aldus appellanten. In deze toelichting en nota wordt volgens appellanten ten onrechte onderscheid gemaakt tussen grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven en wordt bovendien voorbijgegaan aan de afweging van milieutechnische aspecten in het kader van de vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer en onderliggende ammoniak- en stankrichtlijnen. 2.5.1.
- Verweerder acht de in een aantal plandelen toegekende agrarische bouwblokken gelet op de daarin vervatte uitbreidingsmogelijkheden in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring onthouden. Hij heeft daartoe overwogen dat in het plan geen rekening is gehouden met het provinciale interimbeleid, zoals vastgelegd in de partiële herziening en de PUN, dat met het oog op de komende reconstructie op basis van de Reconstructiewet concentratiegebieden wordt gevoerd. Met dit beleid wordt volgens verweerder beoogd om, in afwachting van de definitieve zonering ten behoeve van de reconstructie, te voorkomen dat zich ontwikkelingen ten aanzien van niet-grondgebonden agrarische bedrijven voordoen die met de doelstellingen van de reconstructie in strijd zijn. 2.5.1.
- Voorzover appellanten betogen dat verweerder ten onrechte aan het interimbeleid heeft getoetst nu daarmee in het plan geen rekening kon worden gehouden, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 16 maart 1998 (E01.95.0165; AB 1998/253) brengt het karakter van de toetsing van een bestemmingsplan door het college van gedeputeerde staten in beginsel met zich dat alle feiten en omstandigheden die zich tot aan het nemen van het besluit omtrent de goedkeuring hebben voorgedaan, in aanmerking moeten worden genomen. De PUN en de partiële herziening waarin het interimbeleid is neergelegd, zijn door Provinciale Staten op respectievelijk 24 maart 2000 en 13 oktober 2000 vastgesteld. Verweerder heeft op 5 juni 2001 besloten omtrent de goedkeuring van het plan. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die verweerder aanleiding hadden moeten geven in dit geval een uitzondering te maken op het bovengenoemde uitgangspunt. Verweerder heeft het interimbeleid dan ook terecht bij zijn besluitvorming betrokken. Voorzover appellanten zich beroepen op de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2001, nr. 200004597/1, overweegt de Afdeling dat die uitspraak betrekking heeft op de beroepen tegen een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan welk besluit dateerde van vóór de vaststelling door Provinciale Staten van de partiële herziening van het streekplan. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding om de bovenbedoelde uitspraak in dit geval na te volgen. Voorzover wordt aangevoerd dat in het PPC-advies niet is gewezen op de partiële herziening van het streekplan, merkt de Afdeling op dat dit naar zijn aard niet bindende advies dateert van 31 augustus 1999 terwijl, zoals hierboven is vermeld, de partiële herziening eerst op 13 oktober 2000 is vastgesteld. Overigens merkt de Afdeling op dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de partiële herziening blijkt dat van de zijde van het provinciale bestuur regelmatig en in een vroegtijdig stadium overleg is gepleegd met de Brabantse gemeenten, verenigd in de Vereniging van Brabantse Gemeenten. Gelet hierop acht de Afdeling het niet aannemelijk dat het gemeentebestuur van Oirschot bij het opstellen van het plan niet op de hoogte kon zijn van de inhoud en de gevolgen van de destijds komende partiële herziening van het streekplan. Voorzover de beroepen van appellanten zijn gericht tegen de inhoud van het interimbeleid, overweegt de Afdeling als volgt. Het provinciaal agrarisch vestigingsbeleid, als voorzien in het ten tijde van het bestreden besluit geldende streekplan Noord-Brabant 1992 (hierna: het streekplan) en de met het oog op de uitvoering daarvan vastgestelde Handleiding, gaat uit van een “bouwblok op maat”, waarbij in aanmerking worden genomen de concrete bedrijfseconomische omstandigheden, de normaal te voorziene ontwikkelingsmogelijkheden binnen de planperiode en de kwaliteiten van het omliggende gebied. Dit leidt in beginsel tot een bouwblok dat de bestaande bebouwing omvat en tevens een redelijke uitbreiding biedt. In de provinciale groene hoofdstructuur (hierna: GHS) sluit het streekplan nieuwvestiging van agrarische bedrijven en omschakeling naar niet-grondgebonden agrarische bedrijven, voorzover gepaard gaande met nieuwe bebouwing, uit. Uitbreiding van bedrijven die strijdig is met de doelstellingen van de GHS, is niet toegestaan in natuurkern- en natuurontwikkelingsgebieden, tenzij dit noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf, de verplaatsingsmogelijkheden buiten de GHS zijn onderzocht en de uitbreiding plaatsvindt binnen het bestaande bouwblok. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben het streekplan partieel herzien, omdat zij het niet langer gewenst achten plannen voor uitbreiding, omschakeling of nieuwvestiging van niet-grondgebonden agrarische bedrijven uitsluitend te beoordelen aan de hand van het bovenstaande beleid zonder rekening te houden met de komende reconstructie op basis van de Reconstructiewet concentratiegebieden. De hoofdlijnen van die reconstructie zijn neergelegd in de PUN, welke voorziet in een verdeling van het buitengebied in zogenoemde “Extensiveringsgebieden”, “Plafondgebieden” en “Perspectiefgebieden landbouw”. In “Extensiveringsgebieden” heeft de intensieve veehouderij geen perspectief. De PUN verstaat onder “Extensiveringsgebieden” met name de zeer kwetsbare natuurgebieden met een zone van 250 meter daaromheen, de ecologische hoofdstructuur, de meeste bossen en natuurgebieden, en de kernrandzones van dorpen en steden. De partiële herziening geeft verweerder de bevoegdheid om af te wijken van het (hiervoor omschreven) agrarisch vestigingsbeleid ter voorkoming van ongewenste ontwikkelingen welke het belang van de reconstructie kunnen schaden alsmede ter bevordering van ontwikkelingen in het belang van de reconstructie. Voorts geeft de partiële herziening verweerder de bevoegdheid – met inachtneming van de uitgangspunten neergelegd in de PUN - een interimbeleid agrarisch vestigingsbeleid te voeren als toetsingskader voor de uitbreiding, omschakeling of nieuwvestiging van niet-grondgebonden agrarische bedrijven totdat er zekerheid bestaat over de aard van de reconstructiezonering en de daarmee verbonden maatregelen. Uit de toelichting bij de partiële herziening blijkt dat dit interimbeleid dient in te houden dat nieuwvestiging van niet-grondgebonden agrarische bedrijven, omschakeling van bedrijven van grondgebonden naar niet-grondgebonden, en uitbreiding van niet-grondgebonden bedrijven is uitgesloten, tenzij kan worden aangetoond dat die nieuwvestiging, omschakeling of uitbreiding past in de komende reconstructiezonering. De Afdeling ziet geen aanleiding dit beleid in het algemeen onredelijk te achten. Voorzover appellanten betogen dat in het interimbeleid ten onrechte onderscheid wordt gemaakt tussen grondgebonden en niet-grondgebonden bedrijvigheid overweegt de Afdeling – zoals zij eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 17 mei 2001 (199903282/1; JM 2000/09) – dat een onderscheid tussen intensieve veehouderijen en grondgebonden bedrijven nodig kan zijn, aangezien de uitoefening van niet-grondgebonden bedrijven andere ruimtelijke gevolgen kan hebben dan de uitoefening van grondgebonden agrarische activiteiten. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in het bestreden besluit dit onderscheid niet heeft kunnen maken. Voorts is van belang dat uit de PUN en de toelichting bij de partiële herziening blijkt dat met het interimbeleid ruimer geformuleerde doelstellingen worden nagestreefd dan de doelstellingen die worden nagestreefd met de door appellanten bedoelde milieuwet- en regelgeving. Uit de PUN blijkt dat door middel van het interimbeleid doelen die betrekking hebben op ruimtelijke ordening worden nagestreefd, nu dit is gericht op een herverdeling en scheiding van niet, of minder goed met elkaar corresponderende functies. De Afdeling deelt voorts niet het standpunt van appellanten dat verweerder de partiële herziening en het interimbeleid niet bij zijn besluitvorming had mogen betrekken zolang de aard en omvang van de reconstructie en de daarmee verbonden maatregelen nog niet vaststaan. Niet valt in te zien dat verweerder in afwachting van de besluitvorming over de reconstructiezonering geen beleid mag voeren om ongewenste ontwikkelingen, die afbreuk doen aan de uitgangspunten van de reconstructie, te voorkomen. Dat dit beleid op onderdelen nog nadere uitwerking behoeft, doet hieraan niet af. Bovendien staat de partiële herziening van het streekplan er niet aan in de weg dat verweerder in bijzondere gevallen het interimbeleid niet onverkort toepast. 2.5.
- Naast de hierboven beoordeelde bezwaren ten aanzien van het interimbeleid als zodanig, hebben appellanten bezwaar tegen de wijze waarop verweerder in het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan dit beleid. Zij voeren in dit verband aan dat het bestreden besluit met zich brengt dat de betrokken niet-grondgebonden bedrijven voor onbepaalde tijd zonder meer ‘op slot’ worden gezet, hetgeen volgens hen onredelijk is. In dit verband wijzen appellanten erop dat het bestreden besluit zelfs geen ruimte laat voor uitbreiding van de bebouwing van niet-grondgebonden bedrijven in het kader van dierenwelzijnswetgeving. Voorts stellen zij dat onduidelijk is op welke wijze verweerder de ligging van de zeer kwetsbare natuurgebieden tot op perceelsniveau heeft vastgesteld. Een aantal appellanten bestrijdt dat hun bedrijven liggen in een zone van 250 meter rondom een zeer kwetsbaar natuurgebied. 2.5.2.
- Verweerder acht, blijkens de overwegingen van zijn besluit, uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven met als hoofdtak niet-grondgebonden bedrijvigheid zonder meer uitgesloten in de GHS. In zones van 250 meter rondom zeer kwetsbare natuurgebieden is het beleid van verweerder ten aanzien van niet-grondgebonden bedrijvigheid erop gericht het aantal dieren niet te laten toenemen, in combinatie met een actieve aanpak die moet leiden tot beëindiging, verplaatsing of omschakeling. De ligging van de zeer kwetsbare natuurgebieden is volgens verweerder nog onduidelijk, maar hij is uitgegaan van de op pagina 9 van de PUN opgenomen kaart. De op deze kaart aangegeven zeer kwetsbare natuurgebieden komen volgens verweerder grotendeels overeen met de plandelen waaraan de bestemming “Natuurgebied” is toegekend. Nu in het plan aan de niet-grondgebonden bedrijven in deze zones uitbreidingsmogelijkheden zijn toegekend en voor de grondgebonden bedrijven in deze zones in het plan niet is voorzien in een omschakelingsverbod, dient volgens verweerder aan deze bouwblokken goedkeuring te worden onthouden. 2.5.2.
- Uit de toelichting bij het plan blijkt dat de gemeenteraad aan alle bestaande agrarische bedrijven, ongeacht de ligging, een bouwblok heeft toegekend met directe uitbreidingsmogelijkheden. De gemeenteraad heeft dan ook geen rekening gehouden met het interimbeleid dat is gericht op het vermijden van ontwikkelingen die de doelstellingen van de reconstructie doorkruisen. Ten aanzien van de wijze waarop verweerder in zijn besluit toepassing heeft gegeven aan dit beleid, overweegt de Afdeling evenwel als volgt. Verweerder heeft in zijn besluit het interimbeleid zonder meer toegepast op bouwblokken die zijn gelegen in de GHS. Dit heeft onder meer geresulteerd in onthouding van goedkeuring aan het bouwblok van het agrarische bedrijf van [appellante sub 10] aan de [locatie sub 6] en onthouding van goedkeuring aan de artikelen 5.6.
- en 6.6.1., in samenhang met artikel 22.3.1., onder b, van de planvoorschriften. Verweerder acht in de GHS het bieden van directe uitbreidingsmogelijkheden dan wel met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid in strijd met zijn beleid en is er daarbij (kennelijk) vanuit gegaan dat de GHS geheel als zogenoemd extensiveringsgebied dient te worden gekwalificeerd. In de PUN is evenwel vermeld dat de meeste (en dus niet alle) bossen en natuurgebieden in extensiveringsgebied liggen. Verweerder is niet kenbaar nagegaan of het in de GHS gelegen perceel van [appellante sub 10] in een extensiveringsgebied is gelegen. Meer in het algemeen heeft verweerder niet nader afgewogen of het interimbeleid onverkort dient te worden toegepast op de onderdelen van de GHS welke in het plangebied zijn gelegen. Ten aanzien van de onthouding van goedkeuring aan de in de vorengenoemde planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid tot vormverandering dan wel vergroting van een agrarisch bouwblok in de GHS, overweegt de Afdeling voorts dat verweerder zijn stelling niet nader heeft gemotiveerd dat naast vergroting ook vormverandering van een bouwblok in de GHS in strijd met zijn beleid zou zijn. Bovendien strekt deze onthouding van goedkeuring verder dan de in de PUN vermelde zogenoemde standstill op het aantal dieren, nu het plan door deze onthouding van goedkeuring geen ruimte biedt voor uitbreiding van het bouwblok welke wordt ingegeven door de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, dan wel anderszins aantoonbaar noodzakelijk is. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust dit niet op een deugdelijke motivering. 2.5.2.
- Ten aanzien van de onthouding van goedkeuring aan bouwblokken welke volgens verweerder zijn gelegen in een zone van 250 meter rondom zeer kwetsbare natuurgebieden, overweegt de Afdeling als volgt. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder met zijn onthouding van goedkeuring aan deze plandelen beoogt dat in het op te stellen plan op grond van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan de door deze onthouding van goedkeuring getroffen niet-grondgebonden agrarische bedrijven, bouwblokken worden toegekend zonder mogelijkheid tot uitbreiding. De Afdeling kan appellanten volgen in hun stelling dat het geheel en voor onbepaalde tijd uitsluiten van uitbreidingsmogelijkheden, onredelijk kan zijn. De reikwijdte van de voorliggende onthouding van goedkeuring strekt, anders dan appellanten stellen, evenwel niet zover dat deze bedrijven in het geheel niet meer kunnen uitbreiden, nu verweerder wel goedkeuring heeft verleend aan het bepaalde in de artikelen 3.5.
- en 4.6.1., in samenhang met artikel 22.3.
- van de planvoorschriften. De in deze planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid biedt de mogelijkheid om, indien de noodzaak daartoe is aangetoond en kan worden voldaan aan de overige voorwaarden, het agrarisch bouwblok door middel van een wijziging van het plan te vergroten. Derhalve heeft het besluit van verweerder niet tot gevolg dat de niet-grondgebonden bedrijven in een zone van 250 meter rondom zeer kwetsbare natuurgebieden zich voor onbepaalde tijd niet verder kunnen ontwikkelen. Het besluit van verweerder brengt slechts met zich dat geen uitbreidingsmogelijkheden bij recht zijn toegestaan. Ten aanzien van de wijze waarop verweerder de ligging van de zone van 250 meter rondom zeer kwetsbare natuurgebieden heeft vastgesteld, overweegt de Afdeling evenwel als volgt. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder bij het bepalen van de ligging van deze zone is uitgegaan van de kaart die is opgenomen op pagina 9 van de PUN. Deze kaart is echter dermate klein van schaal dat, nog afgezien van de exacte ligging van de zeer kwetsbare natuurgebieden, de ligging van het plangebied als geheel niet met zekerheid is vast te stellen. Verweerder heeft deze kaart dan ook niet aan zijn besluit ten grondslag kunnen leggen. Voorzover verweerder betoogt dat de op de bedoelde kaart aangeduide zeer kwetsbare natuurgebieden grotendeels overeenstemmen met de plandelen met de bestemming “Natuurgebied”, overweegt de Afdeling dat deze stelling niet nader is onderbouwd. In dit verband is van belang dat de gemeenteraad bij het opstellen van het plan geen rekening heeft gehouden met het interimbeleid en uit de plantoelichting dan ook niet blijkt dat de bestemming “Natuurgebied” specifiek is toegekend aan die gebieden die als zeer kwetsbaar natuurgebied in de zin van de PUN moeten worden aangemerkt. Ten aanzien van de door [appellant sub 18], [appellant sub 70] en [appellant sub 44] bestreden bestemming "Natuurgebied", die aan twee bospercelen in de nabijheid van hun agrarische bedrijven is toegekend, overweegt de Afdeling dat uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat betwijfeld kan worden of deze percelen waarden vertegenwoordigen die de toegekende bestemming rechtvaardigen. Nu uit het bestreden besluit niet kan worden afgeleid dat verweerder de feitelijke situatie van de percelen bij zijn toetsing in aanmerking heeft genomen, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, voorzover dat betrekking heeft op de bestemming van beide bospercelen, niet toereikend is gemotiveerd. Voorzover verweerder betoogt dat de ligging van de zone van 250 meter rondom zeer kwetsbare natuurgebieden is gebaseerd op provinciaal kaartmateriaal, overweegt de Afdeling dat dit kaartmateriaal eerst ter zitting is overgelegd en dateert van september 2003 zodat dit geen rol kan hebben gespeeld bij het nemen van het bestreden besluit op 5 juni
- Voorts is gebleken dat de ligging van de zeer kwetsbare natuurgebieden en de bijbehorende zone van 250 meter, op de door verweerder bedoelde kaart afwijkt van een gelijksoortige provinciale kaart van eerdere datum die als bijlage bij het deskundigenbericht is gevoegd, en voorts op een aantal onderdelen afwijkt van het bestreden besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. 2.5.
- Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen van [appellante sub 10], [appellant sub 18], [appellant sub 40], [appellant sub 56], [appellant sub 64], [appellant sub 66], [appellant sub 70], [appellanten sub 73], en [appellant sub 93] zijn geheel, en de beroepen van de overige appellanten zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan de plandelen voor de gronden aan [locatie sub 7], [locatie sub 8] en [locatie sub 6], [locatie sub 9], en [locatie sub 10], [locatie sub 11], [locatie sub 12], [locatie sub 13], [locatie sub 14], [locatie sub 15] en [locatie sub 16], voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan de op plankaart 1 met roze omlijnde plandelen en voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan de artikelen 5.6.
- en 6.6.1., in samenhang met artikel 22.3.1., onder b, van de planvoorschriften, en voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Natuurgebied" die zijn aangeduid op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart
- Nu de gemeenteraad bij het opstellen van het voorliggende plan in het geheel geen rekening heeft gehouden met het interimbeleid en voorts ter zitting is gebleken dat de gemeenteraad in voortgaand overleg met verweerder reeds een aanvang heeft gemaakt met het opstellen van het plan op grond van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht alsnog goedkeuring te onthouden aan de bovengenoemde plandelen. Dit betekent dat het gemeentebestuur bij het opstellen van de planherziening ter voldoening aan artikel 30, voornoemd, als motivering van de onthouding van goedkeuring in acht dient te nemen hetgeen de Afdeling hiervoor heeft overwogen. 2.
- OVERIGE AGRARISCHE BOUWBLOKKEN 2.6.
- [appellant sub 1] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een gedeelte van een plandeel dat zijn bouwblok aan de [locatie sub 17] betreft. 2.6.1.
- Verweerder heeft het door de raad toegekende bouwblok in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en aan een deel daarvan goedkeuring onthouden. Hij heeft bij zijn toetsing in aanmerking genomen dat het door de raad toegekende bouwblok een omvang heeft van 1,7 hectare. Dit bouwblok kan volgens hem niet als een reëel bouwblok als bedoeld in het streekplan worden beschouwd omdat een deel daarvan ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet was bebouwd en overigens niet is gebleken dat appellant binnen de planperiode zijn bebouwing wil uitbreiden. 2.6.1.
- Het provinciale beleid ten aanzien van de omvang van agrarische bouwblokken gaat uit van het principe "bouwblok op maat". Een bouwblok dient volgens dit beleid een reële maat te hebben, rekening houdend met concreet te verwachten bedrijfseconomische ontwikkelingen en met omliggende ruimtelijke kwaliteiten. Om verspreide verstening tegen te gaan dient uitbreiding van bebouwing zoveel mogelijk te worden gesitueerd aansluitend aan bestaande bebouwing. Noch in het streekplan, noch in de Handleiding buitengebied worden voor bouwblokken van agrarische bedrijven concrete maten genoemd. Blijkens het bestreden besluit gaat verweerder bij de goedkeuring van bestemmingplannen uit van het opnemen van de bestaande bebouwing en voorzieningen in een bouwblok, met daarbij een reële uitbreidingsmogelijkheid van ongeveer 20% van de oppervlakte van de bestaande bebouwing en voorzieningen. Ruimere uitbreidingen acht verweerder niet op voorhand onaanvaardbaar, maar in een dergelijk geval zal toepassing gegeven moeten worden aan een wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Verweerder acht in het algemeen bouwblokken met een oppervlakte van maximaal één hectare toereikend. Onder omstandigheden acht verweerder een bouwblok met een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare evenwel ook aanvaardbaar. Incidenteel kan door middel van maatwerk een nog ruimer bouwblok worden toegekend, aldus verweerder. Ten aanzien van bouwblokken met een oppervlakte van minder dan 1 hectare, gaat verweerder bij de goedkeuring van bestemmingsplannen ook uit van een redelijke uitbreiding met 20% van de bestaande bebouwing en voorzieningen. De Afdeling acht het hierboven weergegeven beleid van verweerder ten aanzien van de omvang van agrarische bouwblokken in zijn algemeenheid niet onredelijk. 2.6.1.
- Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door de raad aan de gronden van appellant toegekende bouwblok te ruim is. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat appellant niet heeft betwist dat een groot deel van het toegekende bouwblok niet is bebouwd, en dat hij evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij concrete plannen heeft om zijn bebouwing binnen de planperiode uit te breiden. Appellant heeft voorts geen feiten en omstandigheden aangevoerd die voor verweerder in dit geval aanleiding hadden moeten zijn af te wijken van het streekplanbeleid en de toepassing die hij daaraan geeft bij de goedkeuring van bestemmingsplannen. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre ongegrond. 2.6.
- [appellant sub 19] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een gedeelte van een plandeel dat zijn bouwblok aan De Leppers 1 betreft. Hij voert daartoe aan dat hij daardoor zijn bedrijf niet meer kan uitbreiden. 2.6.2.
- Verweerder heeft het door de raad toegekende bouwblok in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en aan een deel daarvan goedkeuring onthouden. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de raad toegekende bouwblok te ruim is en derhalve niet als een reëel agrarisch bouwblok als bedoeld in het streekplan kan worden beschouwd. Hij heeft bij zijn toetsing in aanmerking genomen dat een gedeelte van de gronden binnen het bouwblok niet is bebouwd en dat appellant geen concrete uitbreidingsplannen heeft. 2.6.2.
- Hiervoor is reeds overwogen dat de Afdeling het beleid van verweerder ten aanzien van de omvang van agrarische bouwblokken in zijn algemeenheid niet onredelijk acht. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door de raad aan de gronden van appellant toegekende bouwblok te ruim is. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat appellant ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen uitbreidingsplannen had die dermate concreet waren dat verweerder deze bij zijn toetsing van het bestreden plandeel had moeten betrekken. Appellant heeft voorts geen feiten en omstandigheden aangevoerd die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn in dit geval af te wijken van het streekplanbeleid en de toepassing die hij daaraan geeft bij de goedkeuring van bestemmingsplannen. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van [appellant sub 19] is in zoverre ongegrond. 2.6.
- [appellant sub 24], exploitant van een gesloten vleesvarkensbedrijf, stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een plandeel dat een gedeelte van zijn bouwblok aan de [locatie sub 18] betreft. 2.6.3.
- Verweerder heeft het door de raad toegekende bouwblok in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en aan een deel daarvan goedkeuring onthouden. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat het bouwblok een uitbreiding toelaat van meer dan 20% van de oppervlakte van de bestaande bebouwing en voorzieningen, hetgeen niet in overeenstemming is met het streekplan. 2.6.3.
- Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat de oppervlakte van de bebouwde gronden, inclusief verhardingen, ongeveer 1,2 hectare bedraagt. Het bouwblok dat resteert na de onthouding van goedkeuring laat een uitbreiding toe van 3000 m2, hetgeen neerkomt op een uitbreidingsmogelijkheid met ongeveer 25%. Hiervoor is reeds geoordeeld dat het beleid om bij recht geen ruimere uitbreiding van een bouwblok toe te staan dan 20%, in het algemeen niet onredelijk is. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat deze oppervlakte toereikend voor het bedrijf moet worden geacht. In hetgeen appellant daarover naar voren heeft gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding daarover anders te oordelen. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van [appellant sub 24] is in zoverre ongegrond. 2.6.
- [appellant sub 46] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een plandeel dat een gedeelte van zijn bouwblok voor de gronden aan [locatie sub 19] betreft. 2.6.4.
- Verweerder heeft het door de raad toegekende bouwblok in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en aan een deel daarvan goedkeuring onthouden. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het toekennen van een bouwblok met een omvang van 1,6 hectare in dit geval niet noodzakelijk is en derhalve niet in overeenstemming is met het streekplan. 2.6.4.
- Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat appellant een akkerbouwbedrijf exploiteert en dat op de gronden waaraan de raad een bouwblok van 1,6 hectare heeft toegekend, een veldschuur staat met een oppervlakte van ongeveer 200 m
- Blijkens het deskundigenbericht is aan appellant een bouwvergunning verleend die een verdubbeling van de oppervlakte van de schuur toelaat. De Afdeling stelt vast dat het door de raad toegekende bouwblok een uitbreiding van de bebouwing mogelijk maakt van 400 m2, zijnde de oppervlakte van de schuur inclusief de vergunde uitbreiding, naar 16.000 m
- Het bouwblok dat na de onthouding van goedkeuring resteert heeft een oppervlakte van 1,3 hectare. De bestaande en vergunde bebouwing is derhalve als zodanig bestemd. Hiervoor is reeds overwogen dat de Afdeling het beleid van verweerder ten aanzien van de omvang van agrarische bouwblokken in zijn algemeenheid niet onredelijk acht. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toekennen van een bouwblok met een oppervlakte van 1,6 hectare in dit geval niet in overeenstemming is met het beleid van verweerder, dat immers voorziet in een uitbreiding van bouwblokken met in het algemeen 20%. Appellant heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die nopen tot het oordeel dat verweerder in dit geval in redelijkheid niet aan zijn beleid kon vasthouden. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van [appellant sub 46] is ongegrond. 2.6.
- [appellante sub 55] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een plandeel dat een gedeelte van haar bouwblok voor de gronden aan [locatie sub 20] betreft. Appellante vreest als gevolg daarvan belemmeringen voor de ontwikkeling van haar bedrijf. Voorts wijst zij erop dat de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring met zich brengt dat een gedeelte van het foliebassin buiten het bouwblok ligt. Ook voert appellante aan dat als gevolg van de onthouding van goedkeuring een aanlegvergunningvereiste geldt voor het aanleggen van een verhard pad rondom het deel van het bassin dat door de onthouding van goedkeuring is getroffen. 2.6.5.
- Verweerder heeft het door de raad toegekende bouwblok in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en aan een deel daarvan goedkeuring onthouden. Hij zich op het standpunt gesteld dat het bouwblok dat de raad heeft toegekend te ruim is, gelet op het streekplanbeleid. 2.6.5.
- Het door de raad toegekende bouwblok heeft een omvang van 1,6 hectare. Na de onthouding van goedkeuring door verweerder resteert een bouwblok met een omvang van 1,2 hectare. Appellante kan ingevolge een verleende bouwvergunning een stal uitbreiden en overeenkomstig haar wens een deel van de tussenruimte tussen de bestaande stallen overkappen, zo kan uit het deskundigenbericht worden afgeleid. Deze bouwmogelijkheden worden gerealiseerd op de gronden van het bouwblok dat na de onthouding van goedkeuring resteert. Hiervoor is reeds overwogen dat de Afdeling het beleid van verweerder ten aanzien van de omvang van agrarische bouwblokken in zijn algemeenheid niet onredelijk acht. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toekennen van een bouwblok met een oppervlakte van 1,6 hectare in dit geval niet in overeenstemming is met het beleid van verweerder. Appellante heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die nopen tot het oordeel dat verweerder in dit geval in redelijkheid niet aan zijn beleid kon vasthouden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat op de gronden waarop de onthouding van goedkeuring betrekking heeft een deel van een foliebassin ligt voor de opslag van mest. Uit de stukken kan worden afgeleid dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit dit foliebassin reeds aanwezig was. Ter zitting is namens verweerder naar voren gebracht dat een dergelijke voorziening thuishoort binnen het agrarisch bouwblok en dat de desbetreffende gronden achteraf bezien ten onrechte zijn getroffen door de onthouding van goedkeuring. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellante sub 55] is ook in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voorzover verweerder daarbij goedkeuring heeft onthouden aan het bouwblok voor de gronden aan de [locatie sub 20]. De Afdeling ziet geen aanleiding te oordelen over de grief van appellante die de aanlegvergunningplicht voor het aanbrengen van verhardingen buiten het agrarisch bouwblok betreft. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het foliebassin bij de herziening van het plan op grond van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening alsnog geheel binnen het bouwblok zal worden opgenomen. Alsdan kan ingevolge het plan zonder aanlegvergunning een verharding rondom het bassin worden aangebracht. 2.6.
- [appellanten sub 63] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een plandeel dat een gedeelte van zijn bouwblok voor de gronden aan de [locatie sub 21] betreft. 2.6.6.
- Verweerder heeft het door de raad toegekende bouwblok in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en aan een deel daarvan goedkeuring onthouden omdat de omvang daarvan volgens verweerder niet in overeenstemming is met het streekplan. 2.6.6.
- Uit de stukken blijkt dat appellant op een deel van de gronden die zijn getroffen door de onthouding van goedkeuring aardbeien op stellingen wil telen. Uit het deskundigenverslag blijkt dat daartoe palen in de grond worden aangebracht waarop goten geplaatst worden. De onderkant van de goot bevindt zich op circa 1,30 meter boven het maaiveld. Aan de gronden van appellant is de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" en de aanduiding "agrarisch bouwblok" toegekend. Ingevolge artikel 4.3.6., onder a, van de planvoorschriften mogen op de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" die buiten het bouwblok liggen uitsluitend andere bouwwerken worden opgericht zoals afrasteringen ten behoeve van het agrarisch grondgebruik. Ingevolge het bepaalde in artikel 1, onder e, van de planvoorschriften, wordt in dit plan onder "een ander bouwwerk" verstaan een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Ingevolge artikel 1, onder c, van de planvoorschriften, wordt in dit plan onder een bouwwerk verstaan elke bouwconstructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, het zij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Uit de beschrijving van de aardbeienstellingen die namens verweerder ter zitting is gegeven, leidt de Afdeling af dat deze stellingen ingevolge dit plan aangemerkt moeten worden als "een ander bouwwerk". Artikel 4.3.6., onder a, van de planvoorschriften, bevat geen limitatieve opsomming van "andere bouwwerken" die buiten het bouwblok op gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" zijn toegestaan. Uit het plan volgt derhalve dat de stellingen die appellant wil plaatsen buiten het bouwblok zijn toegelaten. De onthouding van goedkeuring staat derhalve niet in de weg aan het plaatsen van de stellingen. Gelet op het voorgaande mist het beroep feitelijke grondslag. Het beroep van [appellanten sub 63] is derhalve ongegrond. 2.6.
- [appellant sub 65] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een plandeel dat een deel van zijn bouwblok voor de gronden aan de [locatie sub 22] betreft. Hij stelt daardoor belemmeringen te zullen ondervinden bij zijn bedrijfsvoering. 2.6.7.
- Verweerder heeft het door de raad toegekende bouwblok in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en aan een deel daarvan goedkeuring onthouden omdat de omvang daarvan volgens verweerder niet in overeenstemming is met het streekplan. 2.6.7.
- Appellant exploiteert een akkerbouw- en een melkveebedrijf. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de raad een bouwblok heeft toegekend met een oppervlakte van ongeveer 1,6 hectare. Aan een gedeelte daarvan met een oppervlakte van ongeveer 3000 m2 heeft verweerder goedkeuring onthouden. Appellant beschikt over een vergunning voor de bouw van een loods met een oppervlakte van 1500 m
- Verder wenst hij op zijn gronden een mestsilo te plaatsen, een mestplaat aan te leggen en menstoegankelijke tunnels op te richten. Ook wenst hij twee voerplaten en een sleufsilo te verlengen. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat appellant zijn uitbreidings- en aanpassingsplannen kan realiseren binnen het bouwblok dat na de onthouding van goedkeuring resteert. Daarna resteert nog een onbebouwde ruimte van 2500 à 3000 m
- Hiervoor is reeds overwogen dat de Afdeling het beleid van verweerder ten aanzien van de omvang van agrarische bouwblokken in zijn algemeenheid niet onredelijk acht. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in dit geval op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door de raad toegekende bouwblok te ruim is. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat appellant ook na de onthouding van goedkeuring zijn uitbreidings- en aanpassingplannen kan realiseren, en daarnaast nog beschikt over onbebouwde gronden die binnen het bouwblok liggen. Appellant heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die in zijn geval een afwijking rechtvaardigen van het beleid van verweerder. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van [appellant sub 65] is in zoverre ongegrond. 2.6.
- [appellant sub 68] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een plandeel dat een gedeelte van zijn bouwblok aan de [locatie sub 23] betreft. 2.6.8.
- Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de omvang van het bouwblok in strijd is met het streekplan, omdat het voorziet in een uitbreiding van de bebouwing met meer dan 20%. Hij heeft dit in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en aan een deel van het toegekende bouwblok goedkeuring onthouden. 2.6.8.
- Uit het verweerschrift kan worden afgeleid dat verweerder zich thans op het standpunt stelt dat hij ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een deel van het bouwblok. De feitelijke situatie rechtvaardigt volgens verweerder de omvang van het door de raad toegekende bouwblok. Nu verweerder zich thans op een ander standpunt stelt dan ten tijde van nemen van het bestreden besluit, en niet gebleken is van gewijzigde feiten en omstandigheden die daartoe nopen, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 68] is ook in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan het bouwblok voor de gronden aan de [locatie sub 23], wegens strijd met artikel 3:2 van Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. 2.6.
- [appellant sub 69] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een plandeel dat een gedeelte van zijn bouwblok voor de gronden aan [locatie sub 4] betreft. 2.6.9.
- Verweerder heeft het door de raad toegekende bouwblok in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en aan een deel daarvan goedkeuring onthouden omdat de omvang daarvan volgens verweerder niet in overeenstemming is met het streekplan. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat het plan een uitbreiding van de bebouwing en voorzieningen met meer dan 20% toelaat. 2.6.9.
- Uit het verweerschrift kan worden afgeleid dat verweerder zich thans op het standpunt stelt dat hij ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een deel van het bouwblok, omdat hem gebleken is dat hij ten tijde van het nemen van het bestreden besluit van een onjuiste feitelijke situatie is uitgegaan. Deze feitelijke situatie rechtvaardigt volgens verweerder de omvang van het door de raad toegekende bouwblok. Nu verweerder zich thans op een ander standpunt stelt dan ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, en niet gebleken is van gewijzigde feiten en omstandigheden die daartoe nopen, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 69] is ook in zoverre gegrond, zodat het besluit, voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan het bouwblok voor de gronden aan [locatie sub 4], wegens strijd met artikel 3:2 van Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. 2.6.
- [appellante sub 35] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een plandeel dat een gedeelte van haar bouwblok voor de gronden aan de [locatie sub 24] betreft. Zij voert aan dat zij op de gronden die zijn getroffen door de onthouding van goedkeuring een stal wil herbouwen die vanwege de aanleg van een tweede toegangsweg tot het bedrijf gesloopt moet worden. Bovendien wil zij op de desbetreffende gronden een varkensstal met zogenoemde vrije uitloop realiseren. 2.6.10.
- Verweerder heeft het door de raad toegekende bouwblok in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en aan een deel daarvan goedkeuring onthouden omdat de omvang daarvan volgens verweerder niet in overeenstemming is met het streekplan. Hij heeft bij zijn toetsing in aanmerking genomen dat aan de noordoostzijde van het bouwblok, ook na de onthouding van goedkeuring, voldoende onbebouwde ruimte resteert. 2.6.10.
- Uit het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat appellante mogelijk een loods wil realiseren en dat deze eventueel gerealiseerd zal worden op gronden die niet zijn getroffen door de onthouding van goedkeuring. Hiervoor is reeds overwogen dat de Afdeling het beleid van verweerder ten aanzien van de omvang van agrarische bouwblokken in zijn algemeenheid niet onredelijk acht. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door de raad toegekende bouwblok te ruim is. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat binnen het bouwblok dat resteert na de onthouding van goedkeuring onbebouwde gronden liggen waar een eventuele uitbreiding kan worden gerealiseerd. Appellante heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die in haar geval een afwijking rechtvaardigen van het beleid van verweerder. De eventuele bouwbehoefte die voortvloeit uit wetgeving ten aanzien van dierenwelzijn, kan in dit geval niet als een zodanige omstandigheid gelden, omdat geen concrete bouwplannen zijn voorgelegd die hun grond vinden in de welzijnswetgeving voor dieren. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van de [appellante sub 85] is ongegrond. 2.6.
- [appellant sub 89] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een plandeel voor een deel van zijn bouwblok voor de gronden aan de [locatie sub 25]. Hij stelt dat hij daardoor zijn groenlabelstal niet in de lengte kan uitbreiden. 2.6.11.
- Verweerder heeft het door de raad toegekende bouwblok in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en aan een deel daarvan goedkeuring onthouden omdat de omvang daarvan volgens verweerder niet in overeenstemming is met het streekplan. Hij heeft bij zijn toetsing in aanmerking genomen dat ook na de onthouding van goedkeuring voldoende ruimte resteert om de zijn bedrijfsbebouwing uit te breiden. 2.6.11.
- Hiervoor is reeds overwogen dat de Afdeling het beleid van verweerder ten aanzien van de omvang van agrarische bouwblokken in zijn algemeenheid niet onredelijk acht. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door de raad toegekende bouwblok te ruim is. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat na de onthouding van goedkeuring als zodanig voldoende uitbreidingsruimte resteert. Verweerder heeft evenwel goedkeuring onthouden aan een deel van het bouwblok waar appellant zijn groenlabelstal in de lengte wil uitbreiden. Gelet op het ventilatiesysteem van de bestaande groenlabelstal dient een eventuele uitbreiding daarvan in de lengterichting te geschieden. De Afdeling stelt vast dat het door de raad toegekende bouwblok voldoende ruimte biedt voor een onthouding van goedkeuring aan een plandeel dat betrekking heeft op andere gronden dan de gronden die verweerder in zijn onthouding van goedkeuring heeft betrokken. Dit leidt de Afdeling tot het oordeel dat verweerder bij de verkleining van het bouwblok op de plankaart niet de daartoe vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 89] is, voorzover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan het plandeel voor de gronden aan [locatie sub 25]. 2.6.
- [appellant sub 94] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een plandeel dat een gedeelte van zijn bouwblok betreft voor de gronden aan de [locatie sub 26] betreft. Zijn agrarische bedrijf kan daardoor niet meer worden uitgebreid, hetgeen in strijd is met het streekplan. 2.6.12.
- Verweerder heeft het door de raad toegekende bouwblok in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en aan deel daarvan goedkeuring onthouden. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat na de onthouding van goedkeuring aan de noordzijde van het resterende bouwblok, voldoende uitbreidingsmogelijkheden resteren. 2.6.12.
- Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de ruimte aan de noordzijde van het bouwblok, anders dan verweerder heeft verondersteld, geheel is bebouwd. Bovendien zijn de gronden die zijn getroffen door de onthouding van goedkeuring deels bebouwd. De Afdeling stelt vast dat verweerder bij het nemen van het bestreden niet van de juiste feitelijke situatie op de gronden van appellant is uitgegaan. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 94] is ook in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan het plandeel voor de gronden aan [locatie sub 26]. 2.6.
- [appellant sub 107] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een plandeel dat een gedeelte van zijn bouwblok aan [locatie sub 27] betreft. Geplande uitbreidingen kunnen daardoor niet worden gerealiseerd, aldus appellant. 2.6.13.
- Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de raad toegekende bouwblok in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht omdat het gelet op het streekplanbeleid te ruim is. Verweerder heeft aan een deel van het bouwblok goedkeuring onthouden. 2.6.13.
- In het door de raad vastgestelde plan is aan de gronden van appellant aan [locatie sub 27] een bouwblok van 2 hectare toegekend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring onthouden aan een plandeel dat 0,7 hectare van het bouwblok omvat. Hiervoor is reeds overwogen dat de Afdeling het beleid van verweerder ten aanzien van de omvang van agrarische bouwblokken in zijn algemeenheid niet onredelijk acht. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door de raad toegekende bouwblok te ruim is. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat appellant binnen het bouwblok dat na de onthouding van goedkeuring resteert een stal met een oppervlakte van 3457 m2 kan bouwen en een mestbassin van 1000 m2 kan plaatsen. Gesteld noch gebleken is dat deze uitbreidingsruimte minder bedraagt dan 20% van de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen en voorzieningen die feitelijk op de gronden aanwezig zijn. Gelet hierop bestaat, anders dan de Afdeling in de door appellant genoemde uitspraak van 22 januari 2003, nummer 200105710/1 heeft overwogen, in dit geval geen aanleiding te oordelen dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht in hoeverre appellant aanspraak kan maken op een verdere vergroting van zijn bouwblok dan in het plan is voorzien. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van [appellant sub 107] is in zoverre ongegrond. 2.6.
- [appellant sub 109] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een plandeel dat een gedeelte van zijn bouwblok voor de gronden aan de [locatie sub 28] betreft. Hij voert aan dat hij daardoor belemmerd wordt in de verdere ontwikkeling van zijn agrarisch bedrijf. Voorts voert hij aan dat op grond van de planvoorschriften de delen van het bouwblok die direct langs de perceelsgrenzen zijn gelegen niet mogen worden bebouwd, nu de afstand tussen bedrijfsgebouwen en een zijdelingse perceelsgrens ten minste vijf meter moet bedragen. 2.6.14.
- Verweerder heeft het door de raad toegekende bouwblok in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en aan een deel daarvan goedkeuring onthouden. Verweerder is van mening dat de raad, gelet op het streekplanbeleid, een te groot bouwblok heeft toegekend. 2.6.14.
- Het bouwblok dat de raad heeft toegekend beslaat een oppervlakte van 1,8 hectare. Na de onthouding van goedkeuring resteert een bouwblok van 1,2 hectare. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat een aanzienlijk deel van de gronden binnen het bouwblok niet is bebouwd. Wel is appellant voornemens een deel van de bestaande bebouwing te vervangen door nieuwbouw, zo kan uit het deskundigenbericht worden afgeleid. Om voldoende afstand tot nabijgelegen woningen aan te kunnen houden, wil hij deze vervangende bebouwing situeren op een deel van de gronden die zijn getroffen door de onthouding van goedkeuring. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder bij zijn beoordeling van de omvang van het aan het appellant toegekende bouwblok, voorbij is gegaan aan de bedenking van appellant ten aanzien van de situering van het bouwblok direct langs de perceelsgrenzen en de beperkingen die dit met zich brengt voor de bebouwingsmogelijkheden. Niet is gebleken dat deze bedenking anderszins in het bestreden besluit is beoordeeld. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en in zoverre genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 109] is in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan een deel, en goedkeuring is verleend aan het overige deel van het plandeel voor de gronden aan [locatie sub 28], zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende, gewaarmerkte kaart
- 2.6.
- [appellant sub 54] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een plandeel dat een deel van zijn bouwblok betreft. 2.6.15.
- Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwblok dat de raad heeft toegekend, te ruim is, gelet op het streekplanbeleid. Hij heeft bij zijn toetsing in aanmerking genomen dat het door de raad toegekende bouwblok een verdubbeling van de oppervlakte van de bestaande bebouwing en voorzieningen mogelijk maakt. 2.6.15.
- Het bouwblok dat de raad heeft toegekend heeft een oppervlakte van 2 hectare. Het deel van het bouwblok waaraan verweerder goedkeuring heeft onthouden heeft een oppervlakte van 0,5 hectare. Gesteld noch gebleken is dat appellant binnen het resterende bouwblok de oppervlakte van de bestaande bebouwing en voorzieningen niet met 20% kan uitbreiden. Hiervoor is reeds overwogen dat de Afdeling het beleid van verweerder ten aanzien van de omvang van agrarische bouwblokken in zijn algemeenheid niet onredelijk acht. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door de raad toegekende bouwblok te ruim is. Appellant heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die in zijn geval een afwijking rechtvaardigen van het beleid van verweerder. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de eventuele bouwbehoefte die voortvloeit uit wetgeving ten aanzien van dierenwelzijn, in dit geval niet als een zodanige omstandigheid kan gelden, omdat geen concrete bouwplannen zijn voorgelegd die hun grond vinden in de welzijnswetgeving voor dieren. In het feit dat appellant beschikt over een vergunning om een stal te bouwen op een deel van de gronden die zijn getroffen door de onthouding ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat aan het besluit in zoverre een zorgvuldigheidsgebrek kleeft. De daartoe verleende bouwvergunning dateert namelijk van na het bestreden besluit, zodat daarmee bij dit besluit geen rekening kon worden gehouden. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van [appellant sub 54] is in zoverre ongegrond. Overigens is ter zitting van de zijde van de gemeente naar voren gebracht dat de vorm van het bouwblok, met inachtneming van de oppervlakte die na de onthouding van goedkeuring resteert, in het kader van de herziening ex artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zodanig zal worden aangepast dat de desbetreffende stal binnen het bouwblok komt te liggen. 2.6.
- [appellant sub 115] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel dat een deel van zijn bouwblok betreft voor de gronden aan de [locatie sub 29]. Daardoor kan hij geen ruwvoersleufsilo's en een opslagschuur realiseren. 2.6.16.
- Verweerder stelt zich op het standpunt dat het toegekende bouwblok, gelet op het streekplan, te ruim is. Hij heeft dit in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en aan deel van het toegekende bouwblok goedkeuring onthouden. 2.6.16.
- De raad heeft een bouwblok toegekend met een oppervlakte van 1,3 hectare. Aan een deel met een oppervlakte van 3500m2 heeft verweerder goedkeuring onthouden. Blijkens het deskundigenbericht resteren er binnen het resterende bouwblok voldoende mogelijkheden om de ruwvoersleufsilo's en de opslagschuur te realiseren. De Afdeling ziet geen aanleiding aan de juistheid van deze stelling te twijfelen. Hiervoor is reeds overwogen dat de Afdeling het beleid van verweerder ten aanzien van de omvang van agrarische bouwblokken in zijn algemeenheid niet onredelijk acht. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door de raad toegekende bouwblok te ruim is. Het resterende bouwblok biedt voldoende uitbreidingsmogelijkheden en kan derhalve worden beschouwd als een bouwblok op maat, waarin de bestaande bebouwing, inclusief uitbreidingsmogelijkheden, zijn begrepen. Appellant heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die in zijn geval een afwijking rechtvaardigen van het beleid van verweerder. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Het beroep van [appellant sub 115] is in zoverre ongegrond. 2.6.16.
- Appellant stelt voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het overige deel van zijn bouwblok, nu dit niet voorziet in de mogelijkheid ter plaatse een paardenhouderij als neventak te exploiteren. 2.6.16.
- Verweerder acht het door appellant bestreden plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft daartoe overwogen dat de in het plan aan de gronden van appellant toegekende bestemming passend is. 2.6.16.
- Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt niet dat appellant ten tijde van het vaststellen van het plan en de daaropvolgende beoordeling van het plan door verweerder concrete plannen had om als neventak van zijn melkveehouderij bedrijfsmatig paarden te gaan houden. Bij afwezigheid van concrete plannen omtrent de aard en omvang van deze neventak, is de Afdeling van oordeel dat verweerder heeft kunnen instemmen met het toekennen van een bestemming die is afgestemd op de melkveehouderij die op de gronden van appellant wordt geëxploiteerd. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 115] is ook in zoverre ongegrond. 2.6.
- [appellant sub 29] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een plandeel dat een deel van zijn bouwblok betreft dat de raad heeft toegekend aan zijn gronden aan de [locatie sub 30]. Hij voert aan dat op 21 maart 2000 aan hem bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een opslagloods op gronden die door de onthouding van goedkeuring zijn getroffen. 2.6.17.
- Uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder, gelet op de verleende bouwvergunning, bij nader inzien goedkeuring aan dit plandeel zou hebben verleend. Nu verweerder zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 29] is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan het plandeel voor de gronden aan de [locatie sub 30] 2.6.
- [appellante sub 6] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel voor haar gronden aan de [locatie sub 31], voorzover dit niet voorziet in een gekoppeld bouwblok met de gronden tussen de [locatie sub 32 en sub 33]. Zij voert aan dat het bestaande bouwblok te weinig ruimte biedt voor de voorgestane ontwikkeling van het bedrijf en wijst erop dat het bedrijf is gelegen in de agrarische hoofdstructuur. Aan vergelijkbare plandelen heeft verweerder wel goedkeuring onthouden, aldus appellante. 2.6.18.
- Verweerder acht het door appellante bestreden plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft daartoe overwogen dat het toegekende bouwblok uitbreidingsmogelijkheden biedt. De door appellante gewenste koppeling met een bouwblok elders, is in strijd met het streekplanbeleid dat is gericht op het voorkomen van verspreide verstening en nieuwvestiging slechts onder bepaalde voorwaarden toestaat, aldus verweerder. 2.6.18.
- Het streekplanbeleid is erop gericht verspreide verstening te voorkomen en de bebouwing op een agrarisch bouwblok zoveel mogelijk te concentreren. Uitbreiding van een agrarisch bedrijf op afstand van het bestaande bouwblok is in het streekplan gelijkgesteld met nieuwvestiging. Nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf is blijkens het streekplan en de toelichting die daarop wordt gegeven in de Handleiding Buitengebied slechts mogelijk als is nagegaan of hergebruik van een bestaande agrarische bedrijfsvestiging mogelijk is. Dit beleid in het algemeen, acht de Afdeling niet onredelijk. De door appellante gewenste bestemmingstoedeling zou ertoe leiden dat verspreide verstening wordt mogelijk gemaakt. Bovendien zou dit ertoe leiden dat de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf wordt mogelijk gemaakt, terwijl niet aannemelijk is gemaakt dat hergebruik van een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie niet mogelijk is. Verweerder heeft dit in strijd met het bovengenoemde streekplanbeleid kunnen achten. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan dit beleid heeft kunnen vasthouden. In dit verband is van belang dat in artikel 3.5.
- van de planvoorschriften een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders is opgenomen om, indien noodzakelijk, een bestaand agrarisch bouwblok van vorm te veranderen of te vergroten. Voorts is van belang dat uit de zienswijze van appellante naar aanleiding van het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat de door appellante gewenste bedrijfsontwikkeling, met enige aanpassingen, kan worden gerealiseerd door middel van een verandering van de vorm danwel een uitbreiding van het in het plan toegekende bouwblok. Voorzover appellante betoogt dat verweerder in vergelijkbare gevallen wel heeft ingestemd met een gekoppeld bouwblok, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat de door appellante genoemde situaties zodanig overeenstemmen met het voorliggende geval dat verweerder daarin aanleiding had moeten zien om in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellante sub 6] is ongegrond. 2.6.
- [appellant sub 14] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel voor zijn gronden aan de [locatie sub 34], voorzover dit voorziet in de bestemming “Woondoeleinden”. Hij voert aan dat ter plaatse een agrarisch bedrijf is gevestigd dat is gericht op het opkweken van sierconiferen, zodat een agrarisch bouwblok had moeten worden toegekend. 2.6.19.
- Verweerder acht het door appellant bestreden plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft ingestemd met de toegekende woonbestemming nu deze volgens hem overeenstemt met de feitelijke situatie. Niet is gebleken dat op het perceel van appellant zodanige agrarische activiteiten worden verricht dat het toekennen van een agrarisch bouwblok zou zijn gerechtvaardigd, aldus verweerder. 2.6.19.
- Uit de plantoelichting blijkt dat slechts een agrarisch bouwblok is toegekend aan bestaande agrarische bedrijven met een omvang van tenminste 9 Nederlandse grootte eenheden (hierna: Nge). Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat appellant na een bedrijfsongeval zijn melkveehouderijbedrijf heeft beëindigd en vanaf 1996 ongeveer 2,2 hectare van zijn gronden heeft ingeplant met sierconiferen, welke hij opkweekt voor de verkoop. In het ontwerp-plan was aan de gronden van appellant een agrarisch bouwblok toegekend. Deze toekenning was gebaseerd op een landbouwinventarisatie welke heeft plaatsgevonden in 1997 en waarin is vastgesteld dat het bedrijf van appellant een omvang van ongeveer 45 Nge had. Bij de vaststelling van het plan is aan de gronden van appellant echter een woonbestemming toegekend. Daartoe is door de gemeenteraad overwogen dat uit een op 16 maart 2000 gehouden integrale bouw- en milieucontrole is gebleken dat ter plaatse geen agrarisch bedrijf is gevestigd. Uit het deskundigenbericht kan evenwel worden afgeleid dat deze controle niet was gericht op het vaststellen van de omvang in Nge van het bedrijf van appellant, maar was gericht op de aanwezige bebouwing van de voormalige melkveehouderij, en het gebruik dat daarvan werd gemaakt. Voorts is van belang dat appellant onweersproken heeft gesteld dat, evenals tijdens de landbouwinventarisatie in 1997, ook ten tijde van deze controle ongeveer 2,2 hectare van zijn gronden was ingeplant met sierconiferen. De Afdeling is van oordeel dat, gelet op de vorenstaande feiten en omstandigheden, bij de vaststelling van het plan niet slechts kon worden afgegaan op de uitkomsten van de bouw- en milieucontrole. Gelet hierop is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 9 van het Bro, op grond waarvan in het kader van de voorbereiding en vaststelling van een bestemmingsplan op het gemeentebestuur de verplichting rust tot het verrichten van het benodigde onderzoek. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel, in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 14] is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden” voor de gronden aan de [locatie sub 34], zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende, gewaarmerkte kaart
- In het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, alsnog goedkeuring te onthouden aan dit plandeel. 2.6.
- [appellante sub 17] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel voor haar gronden aan de Eindhovensedijk en Zonnedauw, voorzover dit niet voorziet in een agrarisch bouwblok. Zij voert aan dat is voldaan aan de in het streekplan gestelde voorwaarden voor nieuwvestiging, nu is aangetoond dat geen gebruik kan worden gemaakt van een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie op een redelijke afstand van haar gronden. In het bestreden besluit zijn de stellingen van appellante volgens haar ongemotiveerd terzijde geschoven. 2.6.20.
- Verweerder acht het door appellante bestreden plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft daartoe overwogen dat niet is gebleken dat is voldaan aan de in het streekplan gestelde voorwaarden voor nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf. 2.6.20.
- Niet in geschil is dat het door appellante gewenste agrarische bouwblok voor haar gronden aan de Eindhovensedijk en Zonnedauw de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf met zich zou brengen. Uit het streekplan en de toelichting die daarop wordt gegeven in de Handleiding Buitengebied volgt dat nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf slechts mogelijk is als is nagegaan of hergebruik van een bestaande agrarische bedrijfslocatie mogelijk is. Dit beleid in het algemeen, acht de Afdeling niet onredelijk. Uit de stukken blijkt dat appellante bij haar bedenkingen een onderzoeksrapport van makelaars- en taxateursbureau [naam bureau] van 29 november 2000 heeft overgelegd. In dit rapport wordt gesteld dat niet valt te verwachten dat op redelijke termijn een agrarische bedrijfslocatie zal vrijkomen in een straal van 5 tot 10 km van de gronden van appellante. Hoewel het rapport beperkt in opzet is, is de Afdeling van oordeel dat verweerder niet - zoals hij heeft gedaan - zonder meer aan de inhoud daarvan voorbij heeft kunnen gaan. In dit verband is van belang dat ter zitting van de zijde van verweerder is verklaard dat er geen richtlijnen zijn waaraan een onderzoek omtrent de mogelijkheden tot hergebruik van een bestaande agrarische bedrijfslocatie dient te voldoen. Voorts is gebleken dat door verweerder niet is aangegeven in hoeverre het door appellant overgelegde rapport gebrekkig is, danwel aan appellante de gelegenheid is geboden om eventueel nadere gegevens over te leggen. Gelet hierop is het bestreden besluit ten aanzien van dit plandeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en gebrekkig gemotiveerd en daarmee in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellante sub 17] is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel voor de gronden aan de Eindhovensedijk en Zonnedauw, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende, gewaarmerkte kaart
- 2.6.
- [appellant sub 20] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel voor zijn gronden aan de verbindingsweg Huijgevoort/Voorteindseweg (hierna: de verbindingsweg), voorzover dit voorziet in een bouwblok dat is gekoppeld met het bouwblok voor zijn gronden aan de [locatie sub 35], en voorzover het laatstgenoemde bouwblok niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden. Hij voert aan dat op de gronden aan de verbindingsweg met een bouwvergunning een afzonderlijk en andersoortig bedrijf is opgericht dat zelfstandige uitbreidingsmogelijkheden nodig heeft. Appellant wijst erop dat juridisch gezien geen koppeling is aangebracht tussen de bouwblokken nu het daarvoor vereiste koppelingsteken ontbreekt. 2.6.21.
- Verweerder heeft geen aanleiding gezien het door appellant bestreden plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft daartoe overwogen dat niet is gebleken dat op de gronden van appellant zodanige agrarische activiteiten plaatsvinden dat het toekennen van een zelfstandig agrarisch bouwblok zou zijn gerechtvaardigd. Dit zou volgens verweerder bovendien leiden tot de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf terwijl niet is gebleken dat aan de in het streekplan gestelde voorwaarden, waaronder de volwaardigheid van beide locaties, is voldaan. 2.6.21.
- Op de plankaart is bij het bouwblok op de gronden aan de verbindingsweg verbaal aangeduid dat dit behoort bij het bouwblok aan de [locatie sub 35]. De Afdeling is van oordeel dat deze verbale aanduiding redelijkerwijs niet tot misverstanden kan leiden en dat, gelet hierop, aan deze aanduiding dezelfde betekenis toekomt als aan het door appellant bedoelde koppelingsteken. Vastgesteld wordt derhalve dat tussen de bovenbedoelde bouwblokken een koppeling in de zin van de planvoorschriften is aangebracht. Het toekennen van een zelfstandig agrarisch bouwblok is blijkens het streekplan en de toelichting die daarop wordt gegeven in de Handleiding Buitengebied slechts mogelijk indien sprake is van een bestaand reëel bedrijf. Daaronder wordt verstaan dat de omvang van het bedrijf zodanig is dat het bedrijf als hoofdberoepbedrijf zal kunnen voortbestaan en de ondernemer geen of slechts ondergeschikte inkomsten heeft van buiten dit agrarische bedrijf. Dit beleid in het algemeen, acht de Afdeling niet onredelijk. Uit de stukken, waaronder met name het deskundigenbericht, blijkt dat op 18 april 2000 aan appellant bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een opslagloods op de gronden aan de verbindingsweg, maar dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit deze gronden onbebouwd waren en werden gebruikt voor de teelt van snijmaïs. Niet is gebleken dat op de gronden aan de verbindingsweg activiteiten van een zodanige omvang worden verricht dat gesproken kan worden van een bestaand reëel bedrijf in de zin van het bovengenoemde provinciale beleid. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de bestaande situatie, in het licht van het streekplanbeleid, niet het toekennen van een zelfstandig agrarisch bouwblok rechtvaardigt. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan dit beleid heeft kunnen vasthouden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de plannen van appellant om ter plaatse een boomkwekerij te beginnen ten tijde van het bestreden besluit nog zo weinig concreet waren dat verweerder bij zijn beoordeling daaraan geen doorslaggevend gewicht heeft behoeven toe te kennen. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 20] is ongegrond. 2.6.
- [appellant sub 21] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel voor zijn gronden aan de [locatie sub 36], voorzover dit voorziet in een bouwblok waarvan de uitbreidingsmogelijkheden voor een groot deel zijn gelegen binnen de veiligheidszone van de hoogspanningsleiding en voorzover dit niet voorziet in de aanduiding ‘tweede bedrijfswoning toegestaan’. 2.6.22.
- Verweerder acht het door appellant bestreden plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft daartoe overwogen dat de bestaande situatie in het plan is opgenomen en dat een bouwblok met een redelijke uitbreidingsmogelijkheid is toegekend. Hij wijst er daarbij op dat het plan voorziet in een wijzigingsbevoegdheid tot vormverandering van het bouwblok. Ten aanzien van een tweede bedrijfswoning heeft verweerder overwogen dat op de gronden van appellant feitelijk geen tweede bedrijfswoning aanwezig is en dat slechts onder bijzondere omstandigheden een tweede bedrijfswoning is toegestaan. 2.6.22.
- Aan de gronden van appellant aan de [locatie sub 36] is de bestemming “Agrarisch gebied” met agrarisch bouwblok toegekend. Uit de plankaart blijkt dat het zuidelijke deel van het aan de gronden van appellant toegekende bouwblok is gelegen binnen de zone van 39 meter die op grond van de planvoorschriften in acht moet worden genomen vanwege de hoogspanningsleiding 380 kV. Uit artikel 20.
- van de planvoorschriften volgt dat op de gronden gelegen in deze zone uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de doeleinden behorend bij de bestemming “Leidingen (dubbelbestemming)” mogen worden opgericht, waaronder tevens hoogspanningsmasten zijn begrepen. In artikel 20.
- van de planvoorschriften is, voorzover hier van belang, bepaald dat het college van burgemeester en wethouders vrijstelling kan verlenen van het bepaalde in artikel 20.
- voornoemd, teneinde het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende hoofdbestemming toe te staan, mits hierbij uit hoofde van de bescherming van de leidingen geen bezwaar tegen bestaat; dienaangaande wordt vóór verlening van de bouwvergunning door het college advies ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder. Uit het vorenstaande volgt dat appellant op een groot deel van zijn agrarisch bouwblok uitsluitend na het verlenen van de hierboven bedoelde vrijstelling agrarische bebouwing mag oprichten. Met appellant is de Afdeling van oordeel dat de vorm van het toegekende bouwblok onevenredige beperkingen met zich brengt. In dit verband is van belang dat verweerder de toegekende uitbreidingsmogelijkheid op zichzelf bezien wel passend acht. Voorts is van belang dat niet is gesteld of gebleken dat ernstige bezwaren bestaan tegen het toekennen van een bouwblok met een vorm die de mogelijkheid biedt tot uitbreiding in een andere richting. De omstandigheid dat de planvoorschriften voorzien in een wijzigingsbevoegdheid om de vorm van het bouwblok te veranderen, leidt niet tot een ander oordeel nu ook voor een dergelijke vormverandering het doorlopen van een afzonderlijke procedure vereist is. Ten aanzien van de door appellant gewenste aanduiding ‘tweede bedrijfswoning toegestaan’, overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 3, derde lid, sub 2, onder b, van de planvoorschriften is, voorzover hier van belang, bepaald dat op de gronden met de bestemming “Agrarisch gebied” per agrarisch bouwblok één bedrijfswoning is toegestaan, tenzij de aanduiding ‘tweede bedrijfswoning’ dan wel de aanduiding ‘geen bedrijfswoning’ op het bouwblok is aangegeven. Nu op de plankaart geen nadere aanduiding is aangegeven, is op de gronden van appellant één bedrijfswoning toegestaan. Uit het deskundigenbericht blijkt dat aan appellant op 21 november 2000 een bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een tweede bedrijfswoning op zijn gronden aan de [locatie sub 36]. Voorts blijkt daaruit dat aan deze vergunning een verklaring van geen bezwaar ten grondslag ligt die verweerder op 7 november 2000 heeft afgegeven. Gelet hierop was verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op 5 juni 2001 ervan op de hoogte dat een bouwvergunning was verleend voor het oprichten van een tweede bedrijfswoning op de gronden van appellant. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 21] is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel voor de gronden aan de [locatie sub 36], zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende, gewaarmerkte kaart
- In het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, alsnog goedkeuring te onthouden aan dit plandeel. 2.6.
- [appellant sub 22] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel voor zijn gronden aan [locatie sub 37], voorzover dit voorziet in een bouwblok dat is gekoppeld met het bouwblok voor zijn gronden aan de [locatie sub 38], en voorzover dit niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden. Hij voert aan dat op de gronden aan [locatie sub 37] met een bouwvergunning een afzonderlijk en andersoortig bedrijf is opgericht dat zelfstandige uitbreidingsmogelijkheden nodig heeft. 2.6.23.
- Verweerder heeft geen aanleiding gezien het door appellant bestreden plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft daartoe overwogen dat niet is gebleken dat op de gronden van appellant aan [locatie sub 37] zodanige agrarische activiteiten plaatsvinden dat het toekennen van een zelfstandig agrarisch bouwblok zou zijn gerechtvaardigd. Dit zou volgens verweerder bovendien leiden tot de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf terwijl niet is gebleken dat aan de in het streekplan gestelde voorwaarden, waaronder de volwaardigheid van beide locaties, is voldaan. 2.6.23.
- Het toekennen van een zelfstandig agrarisch bouwblok is blijkens het streekplan en de toelichting die daarop wordt gegeven in de Handleiding Buitengebied slechts mogelijk indien sprake is van een bestaand reëel bedrijf. Daaronder wordt verstaan dat de omvang van het bedrijf zodanig is dat het bedrijf als hoofdberoepbedrijf zal kunnen voortbestaan en de ondernemer geen of slechts ondergeschikte inkomsten heeft van buiten dit agrarische bedrijf. Dit beleid in het algemeen, acht de Afdeling niet onredelijk. Uit de plankaart blijkt dat het bouwblok op de door appellant bedoelde gronden aan Huijgevoort is gekoppeld met het bouwblok voor de gronden aan de [locatie sub 38]. Uit de stukken, waaronder met name het deskundigenbericht, blijkt dat op 1 juni 1999 aan appellant bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een opslagloods op de gronden aan Huijgevoort, maar dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit deze gronden onbebouwd waren en werden gebruikt als grasland. Niet is gebleken dat op de gronden aan [locatie sub 37] activiteiten van een zodanige omvang worden verricht dat gesproken kan worden van een bestaand reëel bedrijf in de zin van het bovengenoemde provinciale beleid. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de bestaande situatie, in het licht van het streekplanbeleid, niet het toekennen van een zelfstandig agrarisch bouwblok rechtvaardigt. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan dit beleid heeft kunnen vasthouden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de plannen van appellant om ter plaatse een boomkwekerij te beginnen ten tijde van het bestreden besluit nog zo weinig concreet waren dat verweerder bij zijn beoordeling daaraan geen doorslaggevend gewicht heeft behoeven toe te kennen. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 22] is ongegrond. 2.6.
- [appellant sub 23] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel voor zijn gronden aan de [locatie sub 37] voorzover dit voorziet in een bouwblok dat kleiner is dan de bestaande bebouwing, en aan het plandeel voor zijn gronden aan de [locatie sub 40] voorzover dit voorziet in een bouwblok dat is gekoppeld met het bouwblok voor zijn gronden aan de [locatie sub 39] en niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden. Hij voert aan dat de bestaande sleufsilo’s op zijn gronden aan de Kuikseindseweg zijn gelegen buiten het toegekende bouwblok. Voorts voert hij aan dat op de gronden aan de Heiakkerweg met een bouwvergunning een afzonderlijk en andersoortig bedrijf is opgericht dat zelfstandige uitbreidingsmogelijkheden nodig heeft. Appellant wijst erop dat juridisch gezien geen koppeling is aangebracht tussen de bouwblokken nu het daarvoor vereiste koppelingsteken ontbreekt. 2.6.24.
- Verweerder heeft geen aanleiding gezien de door appellant bestreden plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft daartoe overwogen dat niet is gebleken dat op de gronden van appellant aan de Heiakkerweg zodanige agrarische activiteiten plaatsvinden dat het toekennen van een zelfstandig agrarisch bouwblok zou zijn gerechtvaardigd. Dit zou volgens verweerder bovendien leiden tot de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf terwijl niet is gebleken dat aan de in het streekplan gestelde voorwaarden, waaronder de volwaardigheid van beide locaties, is voldaan. 2.6.24.
- Voorzover appellant betoogt dat het bouwblok voor zijn gronden aan de Kuikseindseweg te klein is aangezien bestaande sleufsilo’s daarbuiten zijn gelegen, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de sleufsilo’s binnen het bouwblok hadden moeten worden opgenomen, zodat het plan in zoverre aanpassing behoeft. Nu verweerder zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 23] is in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel voor de gronden aansluitend aan het bouwblok aan de [locatie sub 39]. 2.6.24.
- Voorzover appellant betoogt dat ten onrechte een koppeling is aangebracht tussen zijn bouwblokken, overweegt de Afdeling als volgt. Op de plankaart is bij het bouwblok op de gronden aan de [locatie sub 40] verbaal aangeduid dat dit behoort bij het bouwblok aan de [locatie sub 39]. De Afdeling is van oordeel dat deze verbale aanduiding redelijkerwijs niet tot misverstanden kan leiden en dat, gelet hierop, aan deze aanduiding dezelfde betekenis toekomt als aan het door appellant bedoelde koppelingsteken. Vastgesteld wordt derhalve dat tussen de bovenbedoelde bouwblokken een koppeling in de zin van de planvoorschriften is aangebracht. Het toekennen van een zelfstandig agrarisch bouwblok is blijkens het streekplan en de toelichting die daarop wordt gegeven in de Handleiding Buitengebied slechts mogelijk als tenminste indien sprake is van een bestaand reëel bedrijf. Daaronder wordt verstaan dat de omvang van het bedrijf zodanig is dat het bedrijf als hoofdberoepbedrijf zal kunnen voortbestaan en de ondernemer geen of slechts ondergeschikte inkomsten heeft van buiten dit agrarische bedrijf. Dit beleid in het algemeen, acht de Afdeling niet onredelijk. Uit de stukken, waaronder met name het deskundigenbericht, blijkt dat op 11 april 2000 aan appellant bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een opslagloods op de gronden aan de Heiakkerweg, maar dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit deze gronden onbebouwd waren en werden gebruikt voor akkerbouw. Niet is gebleken dat op de gronden aan de Heiakkerweg activiteiten van een zodanige omvang worden verricht dat gesproken kan worden van een bestaand reëel bedrijf in de zin van het bovengenoemde provinciale beleid. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de bestaande situatie, in het licht van het streekplanbeleid, niet het toekennen van een zelfstandig agrarisch bouwblok rechtvaardigt. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan dit beleid heeft kunnen vasthouden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de plannen van appellant om ter plaatse een boomkwekerij te beginnen ten tijde van het bestreden besluit nog zo weinig concreet waren dat verweerder bij zijn beoordeling daaraan geen doorslaggevend gewicht heeft behoeven toe te kennen. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 23] is in zoverre ongegrond. 2.6.
- [appellant sub 36] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel voor zijn gronden aan de [locatie sub 41], voorzover daarin de ter plaatse aanwezige paardenstal en ponystal niet zijn opgenomen. Hij voert aan dat de paardenstal met een bouwvergunning is gebouwd en dat de ponystal al jaren onder het overgangsrecht valt. Appellant pleit ervoor de genoemde bebouwing in het plan op te nemen zodat deze niet onder het overgangsrecht wordt gebracht. 2.6.25.
- Verweerder acht het door appellant bestreden plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft daartoe overwogen dat het opnemen van de bebouwing in een bouwblok in strijd zou komen met het streekplanbeleid dat is gericht op het voorkomen van verspreid gelegen bebouwing. Hij merkt daarbij op dat de bebouwing onder het overgangsrecht komt te vallen en op basis hiervan kan worden gehandhaafd evenals het bestaande gebruik dat daarvan wordt gemaakt. 2.6.25.
- Uit de plankaart blijkt dat aan de gronden van appellant aan de Montfortlaan de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarde” is toegekend. De op deze gronden aanwezige bebouwing is in het plan niet in een afzonderlijke bestemming opgenomen. Vast is komen te staan dat deze bebouwing deels met een bouwvergunning is opgericht. Niet in geding is dat als gevolg van het niet afzonderlijk bestemmen van de bebouwing deze - evenals in het voorgaande plan - onder het overgangsrecht wordt gebracht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt evenwel dat geen plannen bestaan om binnen de planperiode deze bebouwing te verwijderen en/of het bestaande gebruik dat daarvan wordt gemaakt te beëindigen. Voorts is gebleken dat bij het gemeentebestuur en verweerder geen bezwaar bestaat tegen instandhouding van de bebouwing en het gebruik dat daarvan wordt gemaakt. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 36] is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel voor de gronden aan de [locatie sub 41], zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende, gewaarmerkte kaart
- De Afdeling ziet in het vorenstaande aanleiding om, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, alsnog goedkeuring aan dit plandeel te onthouden. 2.6.
- [appellant sub 49] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel voor zijn gronden aan de [locatie sub 42], voorzover dit voorziet in een bouwblok dat is gekoppeld met het bouwblok voor zijn gronden aan de [locatie sub 43]. Hij voert aan dat op de gronden aan de [locatie sub 42] een afzonderlijk en andersoortig bedrijf is opgericht dat zelfstandige uitbreidingsmogelijkheden nodig heeft. 2.6.26.
- Verweerder acht het door appellant bestreden plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft daartoe overwogen dat de door appellant gewenste ontkoppeling van de toegekende bouwblokken zou leiden tot de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf hetgeen hij in strijd met het streekplanbeleid acht. De bestaande situatie rechtvaardigt geen zelfstandig bouwblok, aldus verweerder. 2.6.26.
- Het toekennen van een zelfstandig agrarisch bouwblok is blijkens het streekplan en de toelichting die daarop wordt gegeven in de Handleiding Buitengebied slechts mogelijk indien sprake is van een bestaand reëel bedrijf. Daaronder wordt verstaan dat de omvang van het bedrijf zodanig is dat het bedrijf als hoofdberoepbedrijf zal kunnen voortbestaan en de ondernemer geen of slechts ondergeschikte inkomsten heeft van buiten dit agrarische bedrijf. Dit beleid in het algemeen, acht de Afdeling niet onredelijk. Uit de stukken, waaronder met name het deskundigenbericht, blijkt dat appellant aan de [locatie sub 43] een groothandelsbedrijf in vee en vlees exploiteert. Voorts blijkt daaruit dat hij zijn gronden gelegen aan de overzijde van de [locatie sub 43] in gebruik heeft voor de teelt van coniferen en dat hij ten dienste daarvan op deze gronden een loods heeft opgericht. Niet is aannemelijk gemaakt dat de laatstgenoemde activiteiten zodanig van omvang zijn dat gesproken kan worden van een bestaand reëel bedrijf in de zin van het bovengenoemde provinciale beleid. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de bestaande situatie niet het toekennen van een zelfstandig agrarisch bouwblok rechtvaardigt en dit in strijd zou zijn met het streekplanbeleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan dit beleid heeft kunnen vasthouden. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 49] is ongegrond. 2.6.
- [appellant sub 97] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel voor zijn gronden aan de [locatie sub 44]. Hij voert aan dat de toegekende uitbreidingsmogelijkheid aan de verkeerde zijde van het bouwblok is gelegen, omdat hij op basis van wet- en regelgeving het melkvee gescheiden moet houden van het handelsvee. Bovendien is vormverandering van het bouwblok vereist gelet op de plannen om een tweede bedrijfswoning te bouwen, aldus appellant. In dit verband merkt hij op dat vormverandering geen invloed heeft op de mate van verstening van het buitengebied. 2.6.27.
- Verweerder acht het door appellant bestreden plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft daartoe overwogen dat de toegekende uitbreidingsmogelijkheid aan de achterzijde van het bouwblok in overeenstemming is met het provinciale beleid om de effecten van verstening in het buitengebied te minimaliseren. Voorts heeft hij overwogen dat de plannen van appellant niet zodanig concreet zijn dat het noodzakelijk is om goedkeuring aan dit plandeel te onthouden. Ter zitting heeft verweerder er nog op gewezen dat een veehandelsbedrijf niet kan worden gekwalificeerd als agrarisch bedrijf. 2.6.27.
- Uit de stukken blijkt dat aan de gronden van appellant aan de [locatie sub 44] de bestemming “Agrarisch gebied met abiotische waarden” met een agrarisch bouwblok is toegekend ten behoeve van zijn ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf. Dit bouwblok biedt mogelijkheden tot uitbreiding van de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing in noordoostelijke richting. Ten behoeve van zijn veehandelsbedrijf wil appellant evenwel bedrijfsbebouwing en op termijn een bedrijfswoning oprichten op de gronden buiten het toegekende bouwblok welke zijn gelegen ten zuiden van de bestaande bebouwing, langs de Langendonksedijk. In artikel 5.
- van de planvoorschriften is, voorzover hier van belang, bepaald dat op de gronden met de bestemming “Agrarisch gebied met abiotische waarden” uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van de in artikel 5.
- genoemde doeleinden welke nader zijn gedetailleerd in artikel 5.
- In artikel 5.
- van de planvoorschriften is, voorzover hier van belang, bepaald dat de gronden met de vorengenoemde bestemming bestemd zijn voor: agrarische bedrijfsvoering, bedrijfsmatige nevenactiviteiten als bedoeld in artikel 5.2.2., extensief recreatief medegebruik, behoud, herstel en versterking van de abiotische waarden, behoud, herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden en waterhuishoudkundige doeleinden. In artikel 1, onder m, van de planvoorschriften is, voorzover hier van belang, bepaald dat een agrarisch bedrijf een bedrijf is dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren. Gelet op deze definitie is een veehandelsbedrijf geen agrarisch bedrijf in de zin van de planvoorschriften. Nu een veehandelsbedrijf evenmin is te scharen onder één of meer van de overige in artikel 5.
- van de planvoorschriften genoemde doeleinden en het veehandelsbedrijf van appellant niet is genoemd als nevenactiviteit in artikel 5.2.2., is het oprichten van bebouwing ten behoeve van een dergelijk bedrijf ter plaatse van de genoemde bestemming niet toegestaan. Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat, nog afgezien van de vraag of de plannen tot uitbreiding van appellant ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voldoende concreet waren, de gewenste vormverandering van het bouwblok de uitvoering van deze plannen niet mogelijk maakt. Evenmin zou een wijziging van de vorm van het bouwblok de bouw van een tweede bedrijfswoning mogelijk maken aangezien op de plankaart niet de aanduiding ‘tweede bedrijfswoning toegestaan’ is opgenomen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft derhalve geen aanleiding om te oordelen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 97] is in zoverre ongegrond. 2.6.
- [appellant sub 99] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel voor zijn gronden aan de [locatie sub 45] en de [locatie sub 87], voorzover dit niet voorziet in een gekoppeld bouwblok voor deze gronden. Hij voert aan dat het voor de volwaardigheid van zijn bedrijf noodzakelijk is om naast de melkgeitenhouderij die hij wil gaan exploiteren op zijn gronden aan de [locatie sub 45], een grondgebonden neventak op te zetten aan de Sparrendijk. Voor deze neventak is het noodzakelijk om een loods op te richten in de nabijheid van de gronden, aldus appellant. 2.6.28.
- Verweerder acht het door appellant bestreden plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft daartoe overwogen dat de bestaande situatie op de juiste wijze in het plan is opgenomen nu op de gronden aan de Sparrendijk geen agrarische activiteiten worden verricht die een gekoppeld bouwblok rechtvaardigen. In dit verband wijst hij op het streekplanbeleid dat is gericht op het concentreren van bebouwing en voorzieningen. 2.6.28.
- Uit de stukken blijkt dat appellant ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op zijn gronden aan de [locatie sub 45] een varkenshouderij exploiteerde. Ten behoeve van deze varkenshouderij is
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.