(1980), strekt het overgangsrecht ertoe, mede uit een oogpunt van rechtszekerheid, bescherming te bieden aan gevestigde belangen of rechten bij de invoering van een nieuwe regeling, die de bestaande toestand niet dekt. Uit deze uitspraken blijkt voorts dat dit betekent dat een bepaling als artikel 15, tweede lid, niet zo ver strekt dat zij mede zou kunnen worden ingeroepen in een geval, waarin het bevoegde bestuursorgaan onder de werking van het vroegere planologische regime het in geding zijnde gebruik heeft gewraakt, en rechtens kon wraken, en het gebruik desondanks is voortgezet. Anders dan appellante betoogt, volgt uit het feit dat in het derde lid van artikel 15 gebruik dat in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan en waarmee een aanvang is gemaakt na terinzagelegging van het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan, reeds uitdrukkelijk is uitgezonderd van de toepassing van het overgangsrecht, niet, dat voor gebruik dat een aanvang heeft genomen voorafgaand aan deze datum de hiervoor genoemde uitzondering op de toepassing van het overgangsrecht niet meer geldt. Ook dan dient derhalve te worden bezien of het gebruik onder de werking van het vroegere planologische regime is gewraakt en rechtens kon worden gewraakt. 2.2.
- Voor de betrokken perceelsgedeelten geldt als peildatum voor het overgangsrecht 22 augustus
- Vast staat dat appellante het achterterrein reeds voordien, in ieder geval sedert 1998, gebruikte voor de presentatie en verkoop van tuinmeubilair en als terras en dat de rechtsvoorganger van het dagelijks bestuur, te weten het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college), haar bij besluit van 6 juli 1998 onder aanzegging van bestuursdwang onder meer wegens strijd met het destijds geldende bestemmingsplan “Jordaan 1972” heeft aangeschreven om dit gebruik te staken. Tegen de beslissing op bezwaar van 31 juli 1999, waarbij de aanschrijving is gehandhaafd, is door appellante geen beroep ingesteld. Nadat het gebruik gedurende enige tijd gestaakt is geweest, is in 2000 en 2001 geconstateerd dat dit weer een aanvang had genomen. In verband hiermede heeft het dagelijks bestuur op 5 juli 2002 de aan dit geschil ten grondslag liggende last opgelegd. 2.2.
- Met de voorzieningenrechter moet worden geoordeeld dat het dagelijks bestuur terecht heeft overwogen dat appellante geen beroep op artikel 15, tweede lid, van de planvoorschriften toekomt, omdat met de aanschrijving van 6 juli 1998 en de beslissing op bezwaar van 31 juli 1999 het gebruik is gewraakt. Anders dan appellante betoogt, is de voorzieningenrechter er daarbij met juistheid van uitgegaan dat, nu deze besluiten formele rechtskracht hebben verkregen, moet worden aangenomen dat het college ook rechtens kon wraken. De voorzieningenrechter is dan ook op goede gronden niet toegekomen aan een beoordeling van de stelling van appellante dat het gebruik niet in strijd was met het bestemmingsplan “Jordaan 1972”. Daarbij wordt overwogen dat reeds in het door het dagelijks bestuur overgenomen advies van de bezwaarschriftencommissie van 10 maart 2003 is ingegaan op de onherroepelijkheid van deze aanschrijving en de betekenis daarvan voor de last die thans in geding is. Het feit dat, zoals appellante naar voren brengt, de aangezegde bestuursdwang niet is uitgeoefend, doet aan het vorenstaande niet af, reeds omdat het college er, gelet op de onderbreking van het gebruik, toen van uit mocht gaan dat aan de aanschrijving gevolg was gegeven. Het primaire betoog faalt derhalve. 2.3 Appellante betoogt verder dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat een preventieve last onder dwangsom in dit geval een onevenredig zware maatregel is. 2.3.1 Hierover wordt overwogen dat, gezien het feit dat de overtreding reeds had plaatsgevonden, geen sprake is geweest van een preventieve oplegging van een last, maar van een last die is opgelegd om een herhaling van de overtreding te voorkomen, als bedoeld in artikel 5:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Uit het vijfde lid van dit artikel blijkt dat in dat geval voor het bestuursorgaan geen verplichting bestaat om een begunstigingstermijn te bieden. Het betoog kan derhalve niet leiden tot het daarmee beoogde doel. 2.4 Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat. w.g. Slump w.g. Boer Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004 201.